2 - Budgettering Flashcards

(30 cards)

1
Q

Beschrijf de begroting. Wat is het doel?

A

hoe de beschikbare productiemiddelen in het komende jaar moeten worden gebruikt om financiële doelstellingen te realiseren.

Het heeft een taakherstellend karakter

Het is een prognose, een voorspelling, wordt vooraf opgesteld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke informatie bevat een begroting?

A

Begroting bevat:

De activiteiten die de onderneming in het komende jaar verwacht te verrichten
De te verwachten kosten
De te verwachten omzet
De te verwachten resultaat

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Beschrijf het budget en wie is verantwoordelijk?

A

Overzicht van geplande activiteiten en de verwachte kosten en opbrengsten hiervan, gedurende een periode (budgetperiode).

Het heeft een taakherstellend karakter

Budgethouder (afdelingshoofd) is verantwoordelijk, Weet precies wat hem te doen staat, hoeveel hij mag uitgeven en wat dit moet opleveren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is een revolving budget?

A

Revolving budget: Budget waarbij de onderneming ieder kwartaal een begroting opstelt, plus de vertaling in (afdelings)budgetten, voor de komende 12 maanden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn de functies van een budget?

A

Huishoudplan: een weergave van de activiteiten waarbij duidelijk wordt aangegeven welke middelen de budgethouder nodig heeft om deze te realiseren.

Taakstelling: geeft opdracht aan budgethouder om de activiteiten uit te voeren

Coördinatiemiddel: optelsom van deelbudgetten per afdeling zodat deze op elkaar kunnen worden afgestemd.

Communicatiemiddel: hulpmiddel om duidelijk te kunnen aangeven wat er precies van medewerkers wordt verwacht.

Evaluatiemiddel: kan als hulpmiddel worden gebruikt bij evaluatiemomenten. In hoeverre slaagt de afdelingen om doelstellingen te halen.

Beheersingsinstrument: mogelijkheid om gebutgetteerde en werkelijk resultaten met elkaar te vergelijken en eventueel corrigerende maatregelen te nemen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waar wordt naar gekeken bij economic performance?

A

Economic performance: hierbij wordt alleen gekeken naar economische prestaties en hoe groot het resultaat is dat de manager de afgelopen periode heeft gehaald.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wanneer is er sprake van efficiency?

A

Er is sprake van efficiency als de onderneming dezelfde omzet heeft gedraaid maar meer winst heeft gemaakt.

Begrip efficiency: wordt de verhouding tussen de opgeofferde productiemiddelen en de opbrengsten van een onderneming beoordeeld. Hoort bij Economic performance.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Waar wordt naar gekeken bij management performance?

A

Management perfomance: hierbij wordt gekeken naar de prestaties van de manager zelf. In hoeverre hij effectief is geweest en in welke mate het handelen van de manager heeft bijgedragen aan het resultaat. Wat heeft hij gedaan?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat geeft het begrip effectiviteit aan?

A

Begrip effectiviteit: geeft aan in hoeverre een bepaalde doelstelling daadwerkelijk is bereikt. Voorbeeld: als wordt verwacht dat men 2% fouten maakt in het productieproces en de verwachting was 5%, dan is de afdeling effectiever geweest.

Hoort management performance.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Noem alle budgetteringsmethoden

A

Incremental budgetting: adhv het huidige budget wordt het budget voor de volgende periode vastgesteld.

Zero based budgetting: er wordt geen rekening gehouden met budget en resultaten van vorige jaren. Men start vanaf een nulpunt en zo wordt het budget stap voor stap opgebouwd.

Overhead value analysis: doel is om de indirecte kosten (overhead) van de ondersteunende afdelingen terug te dringen.

Activity based budgetting: budget wordt gebaseerd op de dagelijkse werkzaamheden van de onderneming.

Kaizenbudgetting: hanteert als uitgangspunt dat het altijd mogelijk is om beter te presteren en/of nog efficiënter te produceren dan in voorgaande periode.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wanneer is een gemengd budget het meeste geschikt?

A

Als de kosten van een afdeling deels bestaan uit vaste kosten en deels uit proportioneel variabele kosten, is een gemengd budget het meest geschikt. Zijn de variabele kosten degressief of progressief, dan is een flexibel budget meer geschikt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke vorm van kostenbudgettering is het meest geschikt als de kosten deels bestaan uit vaste kosten en deels uit variabele kosten degressief of progressief?

A

Flexibel budget

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Waarvan is sprake als de kosten toenemen naarmate de productie stijgt, maar in verhouding wel minder?

A

Als de kosten toenemen naarmate de productie stijgt, maar in verhouding wel minder, is er sprake van degressief variabele kosten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Hoe wordt het budgettarief ook wel genoemd?

A

dekkingstarief

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn vaste kosten?

A

Kosten die niet afhankelijk zijn van de bedrijfsdrukte. Die dus niet reageren op veranderingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wanneer spreek je van Proportioneel variabele kosten?

A

Als kosten evenredig toenemen bij veranderingen in de bedrijfsdrukte, stijgt de verkoop met 10% dan stijgen ook de kosten met 10%.

17
Q

Wanneer spreek je van Degressief variabele kosten?

A

Als kosten in verhouding minder sterk toenemen dan de bedrijfsdrukte. Stijgt de productie met 10%, dan stijgen deze kosten met bijv. 8% ivm korting op hogere afname van grondstoffen.

18
Q

Wanneer spreek je van Progressief variabele kosten?

A

Als kosten in verhouding sterker toenemen dan de bedrijfsdrukte. Stijgt de productie met 10%, dan stijgen deze kosten met bijv. 12% ivm overwerk van het personeel.

19
Q

Wat zijn de 4 verschillende vormen van kostenbudgettering?

A

Variabel budget
Vast budget
Gemengd budget
Flexibel budget

20
Q

Waar gaat een variabel budget vanuit?

A

Gaat uit van een vast bedrag per verricht prestatie. Dus als 1 prestatie 5 euro kost, kosten 10 prestaties 50 euro.

21
Q

Waar gaat een vast budget vanuit?

A

Is een vast bedrag aan toegestane afdelingskosten, waarvan de hoogte niet afhankelijk is van de drukte op de afdeling. Het vaste budget gaat dus niet mee op de drukte van de afdeling, het blijft gelijk aan het totaal van de constante kosten bij een normale bezetting.

22
Q

Waar gaat een gemengd budget vanuit?

A

is een combinatie van een vast budget voor de vaste kosten en een variabel budget voor proportioneel variabele kosten. Dus het vaste budget is gelijk aan de vaste kosten bij normale bezetting en voor het variabele budget vermenigvuldigen we het tarief met de werkelijke activiteiten van de afdeling.

23
Q

Wanneer is een Flexibel budget het meest geschikt?

A

geschikt voor als de totale kosten uit vaste kosten en voor een deel uit progressieve / degressieve variabele kosten bestaan. Er worden minimaal 3 kostenbudgetten vastgesteld, dus bijv 0-5000 prestatie = 5,- 5001-10000 prestaties = 4,- etc.

24
Q

Wat is een budgettarief?

A

kosten die volgens het budget zijn toegestaan per activiteit/product. Bij het doorberekenen van de vaste kosten wordt gekeken naar de werkelijke bezetting.

25
Wat is het calculatietarief?
tarief wordt gebruikt bij kostprijscalculatie. Bij het doorberekenen van de vaste kosten per eenheid wordt uitgegaan van de normale bezetting. Gaat altijd uit van normale omstandigheden, als er sprake is van onder- of overbezetting kan dit niet meer gebruikt worden.
26
Wanneer kan je het calculatietarief niet meer gebruiken?
Als er sprake is van onder- of overbezetting kan dit niet meer gebruikt worden. Gaat altijd uit van normale omstandigheden
27
Wat is het Budgetresultaat?
Geeft weer in hoeverre het werkelijke resultaat afwijkt van het gebudgetteerde resultaat. Kan worden uitgesplitst in een prijsverschil en een efficiencyverschil..
28
Hoe bereken je het prijsverschil in een budgetresultaat?
(SP - WP) x WH = Prijsverschil verschil tussen de standaardprijs (SP) en de werkelijke prijs (WP) vermenigvuldigd met de werkelijk verbruikte hoeveelheid (WH).
29
Hoe bereken je het efficiencyverschil in een budgetresultaat?
(SH - WH) x SP = Efficiencyverschil verschil tussen de standaardhoeveelheid (SH) en de werkelijke hoveelheid (WH) vermenigvuldigd met de standaardprijs (SP).
30