wat betekenen deze woorden:
- antigeen
- epitoop
- immunogeen
- carrier
welke typen immunoglobulinen zijn er?
IgG, IgM, IgE, IgA en IgD
wat voor soort Igs zijn de bloedgroepantigenen?
IgM
Waar komt IgA vooral voor?
mucosale oppervlakken, zoals slokdarm, darm en neus
Waar speelt IgE een rol bij? en waar bevindt het zich?
opruimen van parasitaire infecties en allergie, vooral in huid, bloed en weefselvocht.
Wat zijn de functies van IgG?
wat is isotype switching?
door cytokinen rijpen B-lymfocyten uit tot verschillende plasmacellen welke andere antistoffen produceren
Wat is VDJ-recombinatie?
genherschikking van de verschillende V-, D-, en J-genen voorafgaand aan transcriptie en translatie. willekeurige combinaties waardoor er een grote diversiteit in TCR en BCR komt
hebben alle soorten TCR’s VDJ-genen?
nee, TCR alfa en gamma alleen V en J. TCR beta en delta wel V, D en J
Wat is de combinatie diversiteit?
tijdens het herschikken en aan elkaar plakken van D en J’s kunnen enkele nucleotiden wegvallen die random weer aangeplakt worden. dit zorgt ervoor dat dezelfde D en J genen toch andere combinatie hebben
wat is de route van onrijpe T-lymfocyten in de thymus?
bloedvaten -> paracortex -> cortex -> medulla -> bloedvaten
(cortex veel hogere dichtheid aan T-cellen dan de medulla)
welke hoofdstadia hebben T-lymfocyten tijdens de uitrijping?
hoe kan je de stadia van onrijpe T-cellen bekijken?
flowcytometrie (vogelvorm)
welke soorten HLA zijn er van HLA-I en HLA-II?
HLA-I: HLA-A, HLA-B en HLA-C
HLA-2: HLA-DP, HLA-DQ en HLA-DR
Wat betekenen deze begrippen:
- polygenie
- polymorfie
- locus
- co-dominantie
- allel
Hoeveel verschillende HLA-moleculen kan je hebben van iedere soort?
Presenteren MHC-I en II intra- of extracellulaire antigenen?
MHC-I: intracellulair
MHC-II: extracellulair
noem 4 oorzaken voor ontstekingsreacties
in welke situaties krijg je apoptose en in welke necrose?
apoptose: mutaties, celstress en straling
necrose: hypoxie, ischemie en infectie
wat is transsudaat en exsudaat?
transsudaat: bij ontstekingsreacties worden de vaatwanden meer permeabel voor vocht, dus vooral vocht met weinig cellen en eiwitten
exsudaat: een grotere inter-endotheliale ruimte en vasodilatatie en bevat het vocht dus veel eiwitten (gelig plakkerig)
welke 5 mechanismen spelen een rol bij leukocyt migratie naar de plek van schade?
welke ontstekingsmediatoren ontstaan waar?
uit de ontstekingscellen: histamine, serotonine en lysosomale enzymen
uit de lever: complement, kininesysteem en stollingsfactoren
Wat laat het microscopisch beeld van een acute ontsteking zien?
veel neutrofiele granulocyten en beschadigd weefsel
wat zijn pleiotrope effecten en noem een vb?
dat een stof meerdere effecten kan hebben en soms tegengesteld.
NO werkt anti-inflammatoir door vasodilatatie kan de leukocyt niet hechten aan de vaatwand en pro-inflammatoir in de macrofaag omdat daar zuurstofradicalen uit worden gevormd.