3. Analyse Flashcards

(83 cards)

1
Q

analyse

A

-verduidelijking en concretisering over het probleem en de ernst ervan
-na probleemselectie nood aan verdere empirische onderbouwing v dit probleem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

onderkennende diagnostiek

A

-onderzoeksvragen/ hypothesen nr de aanwezigheid ve probleem
-is het probleem aanwezig en hoe ernstig is het
-clusters

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

verklarende diagnostiek

A

-OV/ hypothesen: wat zijn de voorbeschikkende, uitlokkende, instandhoudende en beïnvloedende factoren
-pijlen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

manieren om onderkennende diagnostiek te doen

A
  1. semi-gestructureerde interviews en vragenlijsten
  2. Gepersonaliseerde huiswerkopdrachten en observaties
  3. Topografische analyse
  4. Observaties
  5. Blended mogelijkheden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

topografische analyse

A

-doorgedreven concretisering van incidentbespreking
-situatie waar klacht zich uitgesproken voordoet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

verklarende diagnostiek is de essentie vd individuele gedragstherapeutische casusconceptualisatie

A

gedrag begrijpen = verklaren hoe het er is gekomen en hoe het blijft voortbestaan
1.Welke betekenis geeft de cliënt aan situaties zodanig dat deze zo negatief beladen zijn geworden (en hoe deze betekenis geleerd?)
2.Op welke manier houdt het (maladaptieve) copingsgedrag vd cliënt de problematische situatie of zijn onwelbevinden in stand

->gebaseerd op leerpsychologie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

leerpsychologie

A

=> de studie vh leerproces
-basisaxioma: alle gedrag is aangeleerd
-2 basale leerprocessen: klassieke en operante conditionering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

klassieke conditionering

A

=leren v verband/associatie tss stimulus 1 en stimulus 2
=als een neutrale prikkel steeds samen voorkomt met iets dat een automatische reactie oproept, gaat die neutrale prikkel die reactie ook oproepen.
-focus op stimulus-respons relaties (itv emoties, waarbij respons getermineerd is door de sit) = passief leren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

passief leren

A

=passief verband leggen tss situatie en gevoelsmatige respons zonder dat je daar iets voor moet doen
(is bij klassieke conditionering)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

intentioneel leren

A

=je dient zelf een respons te stellen waardoor het een actievere vorm is van leren
(is bij operante conditionering)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

operante conditionering

A

= leren ve verband tss wat je doet en wat er gebeurt
-gedrag dat beloond wordt, ga je vaker doen; gedrag dat gestraft wordt, minder
-focus op respons-stimulus relaties (gedrag is gedetermineerd door wat er op volgt)
-als het over observeerbaar gedrag gaat gn we er vanuit da da operant geconditioneerd is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

doen-component

A

operant geconditioneerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

voel-component

A

klassiek geconditioneerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

denken w door operant en klassiek bepaald

A

-gedachten expliciet en intentioneel formuleren = operant
-gedacht die uitgelokt w door sit = klassiek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Pavlov

A

=een bel (neutrale stimulus) werd telkens gekoppeld aan voedsel (aangename stimulus), en uiteindelijk begon de hond al te kwijlen bij het geluid van de bel alleen.
=appetitieve conditionering
=klassieke conditionering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

appetitieve conditionering

A

=leren waarbij gedrag wordt beïnvloed door iets prettigs (een beloning). conditioneren met iets aangenaam -> gewenst gedrag of aangename reactie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

aversieve conditionering

A

=koppeling met iets negatiefs → vermijdingsgedrag of angst. Er w onaangename stimulus gebruikt om een reactie te leren.
-Aversieve UCS gekoppeld aan CS
= model voor angstconditionering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

UCS

A

=ongeconditioneerde stimulus
=stimulus die inherent een betekenis heeft (positief/aangenaam of negatief/onaangenaam =>redelijk universeel zo beleefd)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

UCR

A

=Ongeconditioneerde reactie
=reactie die inherent (reflexmatig) voortkomt uit de confrontatie met de UCS

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

CS

A

=Geconditioneerde stimulus
=Stimulus die voorheen neutraal was, maar zijn betekenis verkregen heeft door associatie met de ucs

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

CR

A

=Geconditioneerde reactie
=Reactie die voorkomt uit confrontatie met CS

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Little Albert (Watson)

A

-Watson= KC gebruiken om angstreacties te conditioneren
-Albert =geleer om bang te worden voor een witte rat. Aanvankelijk was Albert niet bang, maar elke keer dat hij de rat zag, werd er een hard geluid gemaakt (onaangename stimulus). Na een paar keer begon Albert ook angst te tonen voor de rat alleen. = aversieve conditionering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

acquisitie

A

=fase waarin vrees voor voorheen neutrale CS’en wordt verworven/ aangeleerd (CS paren met UCS). Aanleren verwachting + betekenis
-gaat meestal heel snel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

compensatoire modellen

A

meestal lijkt CR op UCR maar niet altijd
bv. toedienen insuline bij ratten zorgt voor reductie glucose. Maar na aantal keer toedienen zien we stijging v glucose wnr men begint aan procedure v spuitje geve. Lichaam voert compensatoire reactie uit om reductie tegen te gaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Extinctie
=Wanneer, na acquisitie, de CS als enige tijd niet meer gevolgd wordt door de UCS. Is eigenlijk het omgekeerde van Acquisitie. Dit is waar de basis ligt van exposure therapie. -duurt veel langer dan acquisitie
26
Inhibitorische conditionering
=Het leren van een verband tussen een CS en het NIET VOORKOMEN van de UCS
27
CS-
=inhibitorische stimulus =veiligheidssignaal =het signaleert “er gebeurt niets” of “de verwachte gebeurtenis komt niet”, waardoor een geconditioneerde reactie niet optreedt. -als veiligheidssignalen wegvallen -> toename klachten
28
Summatie
=verschillende keren een milde UCS (schok) heeft hetzelfde effect als 1 intens aversieve UCS
29
Differentiatie
= Het leren onderscheiden van wat ‘veilig’ is (CS-) en wat eerder onveilig is (CS+). Wat zijn signalen van een veilige situatie en wat zijn signalen van een onveilige situatie?
30
Generalisatie
= De CR op een CS breidt zich uit naar prikkels die lijken op deze CS ® men is niet meer in staat te differentiëren tussen verschillende types van CS’sen. De conditionering zal zich gaan uitbreiden, naar andere types die in eerste instantie eigenlijk geen angst opwekken ->id praktijk soms hele waslijst v CS'en, je moet dus zoeken nr essentiële stimuli
31
Hogere orde conditionering
= Wanneer CS'en met CS'en verbonden worden
32
Contiguïteit
= CS en UCS komen in tijd en ruimte samen voor; bel en voedsel komen samen voor en dat is voldoende om conditionering aan te leren. Het kort op elkaar volgen van CS en UCS ->noodzakelijk maar geen voldoende voorwaarde voor angstconditionering
33
Contingentie
=de CS dient een goede voorspeller te zijn van de UCS, het ene moet het andere gaan voorspellen. Er dient een logische samenhang te zijn tussen het voorkomen van de CS en dat van de UCS. - De sterkte van de contingentie voorspelt de sterkte van de conditionering -bewuste kennis en verwachting v UCS is bepalend
34
3 paden naar het aanleren ve verband
1.Directe ervaring 2. Modelling 3. Informatie
35
directe ervaring
-ervaring met UCS -noodzakelijk? veel mensen kunnen zich geen dergelijke ervaringen herinneren => er moeten dus nog andere paden zijn die zorgen voor een angstprobleem
36
modelling
=veel gedrag geleerd door imitatie: "sociaal leren" (Bandura) -KC kan tot stand komen op 'vicarious' basis (via overdracht door observatie) -zien hoe iem anders UCS meemaakt of UCR vertoont -veel pathologische angst komt tot stand door observatie zonder het zelf meegemaakt te hebebn
37
informatie
=verkrijgen/ lezen van neg info over een bepaalde situatie/ obj met vermelding van UCS
38
rol v context
-soms w CS'en zodanig gegeneraliseerd dat ze gehele contexten kunnen bevatten=>bv school geassocieerd met falen, hele context geconditioneerd -kan ook specifieker, dat er maar bep context de occasion setter is voor die CS =>bv. iem schrik voor examens, die vinden alty plaats op school. Dus school is OS waarbinnen CS (examen) zich alty voordoet =>nagaan of het over de gehele context gaat of enkel een specifiek deel
39
Sequentieel verband
= men verwacht dat bij confrontatie met de CS, de UCS/UCR effectief kan/zal plaatsvinden -> exposure
40
Referentieel verband
= men verwacht niet dat bij confrontatie met de CS de UCS/UCR effectief zal plaatsvinden maar het activeert de herinnering -> exposure ni zinvol
41
SEC-REF verband
=als iets sequentieel is, is het ook referentieel want als je verwacht dat er iets gaat gebeuren denk je er ook aan
42
Leerwet: formele omschrijving v operante conditionering
SD R -> Sr
43
SD
=discriminatieve stimulus context waarbinnen het gedrag plaatsvindt
44
R
=Respons Het (observeerbare gedrag)
45
Sr
=Refinforcing stimuli gevolgen / consequenten
46
S+
=positief consequent aangenaam voor de persoon die het gedrag stelt
47
S-
=negatief consequent onaangenaam voor persoon die gedrag stelt
48
bekrachtiging (operant leerprincipe)
=gedrag w gevolgd door een positieve consequentie
49
bestraffing (operant leerprincipe)
=gedrag w gevolgd door een negatieve consequentie
50
uitdoving (operant leerprincipe)
=gedrag w niet meer gevolgd door de consequentie waarmee het aangeleerd werd
51
discriminatief leren (operant leerprincipe)
=men leert in verschillende situaties ander gedrag stellen
52
+S+
=positieve bekrachtiging leidt vaak tot toenaderingsgedrag, consequentie die zorgt dat hij/zij meer van hetzelfde gedrag wil doen klinisch: aandacht, gevoel v controle, opluchting
53
-S-
=negatieve bekrachtiging leidt tot ontsnappingsgedrag, gedrag w uitgevoerd om iets onaangenaams te doen stoppen klinisch: verminderen angst/ negatieve gevoelens of negatieve situatie
54
°S- of °S neg
=negatieve bekrachtiging iets onaangenaams blijft uit, leidt tot actief vermijdingsgedrag klinisch: voorkomen van neg gevoelens
55
+S-
=positieve straf Leidt tot passieve vermijding, het ni stellen van gedrag om iets negatief te voorkomen klinisch sit: kritiek, uitsluiting, financiële probl, schuldgevoelens..
56
-S+
=negatieve straf klinisch: minder aandacht, minder controle, vermindering zelfwaarde..
57
°S+
= uitdoving het uitblijven van een bekrachtiger klinisch: uitblijven soc steun
58
maladaptief=
-ongepaste context -frequentie (te veel/ te weinig) -hoge lijdensdruk
59
contiguïteit en contingentie bij operante conditionering
-Sr is effectiever als het volgens het principe van contingentie (logische samenhang in tijd en ruimte) volgt op R -Contiguïteit niet onbelangrijk: na de precieze handeling (R) dient direct en duidelijk de bekrachtiger (Sr) te volgen -Dus, onmiddellijk na het gewenste gedrag belonen -Indien niet mogelijk, een secundaire bekrachtiger gebruike
60
primaire of ongeconditioneerde bekrachtiger
=inherent bekrachtigend (vaak voldoet het aan biologische basisbehoeften)
61
secundaire bekrachtigers
zijn bekrachtigend omdat ze gelinkt zijn aan de primaire bekrachtiger (ze dienen om de primaire bekrachtiger te krijgen)
62
veralgemeende secundaire bekrachtigers
deze veralgemeende geconditioneerde bekrachtigers brengen op subtiele wijze allerlei conditioneringen tot stand
63
sociale bekrachtigers
-respons neemt toe als hij bekrachtigd w door: aandacht, goedkeuring, goedkeurende gelaatsuitdrukking -Beïnvloed door factoren die niets met bekrachtiging te maken hebben, maar met kenmerken v degene die bekrachtigd of degene die bekrachtigd w
64
extrinsieke bekrachtiging
=de bekrachtiger volgt kunstmatig op de handeling (toegediend van buitenaf)
65
intrinsieke bekrachtiging
=bekrachtiger is natuurlijkerwijze met de handeling verbonden. gedrag is belonend op zichzelf
66
schema v bekrachtiging: continu
=na elke R volgt Sr
67
schema v bekrachtiging: onderbroken
=niet na elke R volgt een Sr
68
schema v bekrachtiging onderbroken: ratioschema
= na elke Xste R volgt de Sr
69
schema v bekrachtiging onderbroken: intervalschema
=na elke X minuten volgt de Sr
70
schema v bekrachtiging onderbroken: Fixed
=de periode tss de bekrachtiging is regelmatig
71
schema v bekrachtiging onderbroken: variabel
=de periode tss de bekrachtiging is regelmatig
72
fixed ratio schema
= tempo v reageren versnelt
73
fixed interval schema
=reageren stopt in dode periode reageren stopt want ze leren dat het niet de moeite is omdat er niks komt
74
variabel ratio schema
=de reactie is zeer actief (omdat het ni voorspelbaar is) probleem met inconsequent toedienen v gevolgen => zeer hardnekkig gedrag
75
variabel interval schema
=de reactie is middelmatig
76
functie-analyse
=omschrijving gedrag en verwachte pos gevolgen en reële neg gevolgen =de samenstelling vd verschillende leerwetten die relevant maladaptief gedrag maken -per gedrag maken we 1 leerwet -itt betekenisanalyse beperken we ons ni tot 1 analyse, want we zien vaak meerdere maladaptieve copinggedragingen
77
copingstrategieën
=Op welke manier gaan cliënten om met hun problemen, klachten, moeilijkheden, … ?
78
overt copinggedrag
=observeerbaar coping gedrag – incl. gedrag dat men niet stelt maar in principe wel zou verwachten (bv. Vermijdingsgedrag). Wat we vaak verstaan onder gedrag in het algemeen.
79
covert copinggedrag
=niet-observeerbaar hanteringsgedrag (bv. Geruststellende gedachten formuleren, piekeren, tellen, interne bewerkingen uitvoeren, intentioneel richten van aandacht…). Gaat heel vaak over de gedachten of mentale zaken.
80
per copinggedrag opstellen welke consequenties er (kunnen) plaatsvinden:
-exhaustief oplijsten (meer dan 1 consequent) -korte en lange termijn -effectieve en verwachte consequenties -relevant voor pers die leert (ni vr therapeut) -effectieve sut, emoties,gedachten -aanduiding type bekrachtiging/bestraffing voor pers die leert
81
vicieuze cirkels
-komen vaak terug in operante analyse (uithalen op examen!)
82
zelfbeeld cliënt
als dit congruent is bij de CL is dit vaak zeer bekrachtigend kan ook weer zorgen voor vicieuze cirkel
83