Welke vijf effecten beschrijft de auteur?
Gaat om de functie van de structuurelementen. Verhaalretorica = structuurelementen die specifiek effect oproepen.
p113/139
Hoe analyseer je spanning als retorisch procede?
p116
Waarom roept discrepantie tussen verschafte beeld en het mogelijke beeld vragen op?
NB: let op informatieverdeling tussen lezer / focalisator / personage.
De informatie wordt gemanipuleerd.
p139/118
Wat is spanning?
Vorm van nieuwgierigheid, gewekt door manipulatie van de informatie, waarbij vragen worden opgeroepen en onderhouden, terwijl beantwoording wordt uitgesteld.
Een dosering van informatie die op specifieke manier verdeeld is tussen
- personage
- focalisator
- lezer
Behoeft info wordt opgewekt door suggesties.
Onderhouden door herhalende suggesties en kleine beetjes informatie.
Vraag kan ook worden beantwoord terwijl volgende opkomt.
Mate waarin lezers spanning ervaren hangt niet alleen van deze tekstmanipulaties af.
p139/119
Wat is identificatie/empathie?
Inleving van de lezer in een personage of focalisatiepositie.
p139
Brengt focalisatie door een personage automatisch identificatie mee?
Nee, focalisatie heeft wel een functie tav identificatie, maar functie is niet rechtstreeks verbonden met focalisatie.
p119
Kun je je identificeren met een personage/focalisator die je veracht/daden doet die je zelf nooit zou doen?
Ja, een afstandelijk oordeel verlet af en toe identificatie:
Ander beroep op identificatie:
Herkenning wordt door de tekst opgewekt, niet vanzelf
p122
p121
Heeft de mate waarin de lezer verder wordt ingevoerd in de geschiedenis een grotere invloed op de identificatie dan op de herkenning van feitelijke, concrete situaties?
Ja, herkenning is meer het gevolg van identificatie (ipv oorzaak).
p122
Waarom is focalisatie zo’n belangrijk middel waarmee identificatie bewerkstelligd wordt?
Focalisatie door een personage leidt snel tot identificatie, maar niet altijd.
Kan ook met object van focalisatie.
Kan ook met standpunt dat niet aan een personage gebonden is.
p122
Welke twee manieren van het aangaan van identificatie worden besproken?
Identificatie = opgaan in het lezen: nauwelijks van bewust, daarom moeilijk te analyseren.
p139/123
Ontroering lijkt op heteropathische identificatie. Wat is het verschil?
Persoonsgebondener dan spanning en identificatie.
p124
Wat is catharsis?
Proces van morele en psych reiniging, lezer (dmv heteropathische identificatie) vreest voor uitgebeelde ander en voelt medelijden met die ander; kan gevolgen voelen van een daad die hij/zij niet begaan heeft. Lezer en held leven samen naar een inzicht toe.
Door medeleven treedt loutering op, lezer leert er van. Loutering omdat spanning en identificatie samen komen.
(Poetica, Aristoteles: lezer krijgt kans gevoelens te ervaren die hij normaal gesproken niet zelf mee in aanraking komt)
p139/124/134
Waarom is ontroering zo moeilijk bespreekbaar te maken?
Van Alphen: ‘intense lees-/kijkervaringen zijn momenten van zelfverlies die reflectie over of bewustzijn van die momenten juist onmogelijk maken’.
Zelfverlies dan een radicale vorm van ontroering die niet een vorm van schoonheidservaring is, maar het tegengestelde.
p125
Wat is een sublieme ervaring?
Radicale vorm van ontroering, waarbij intense ontmoeting tussen tekst en lezer de grens tussen de een en de ander opheft/vervaagt.
(Romantiek: leeservaring die zowel welbehagen als onbehagen met zich meebrengt, plezier en verontrusting.
(Kant/Burke)
Schoonheid = kwaliteit van/in het object (heeft eigenschappen die als mooi aangewezen kunnen worden. Is essentialistische opvatting. Niet iedereen eens dat die eigenschappen IN object liggen ‘beauty is in the eye of the beholder’)
Ontroering (ook door schoonheid) = ervaring van het subject (niet: eigenschappen van het object).
p139/125
Wat is humor?
Een discrepantie waarvan de absurditeit tot lachen aanzet; moeilijk grijpbaar.
(Spot, ironie, sarcasme, woordspeling, combinatie filosofische reflectie icm alledaagse uitdrukkingen, eigennamen, onverwachte overgangen, ogenschijnlijk overbodige toegevoegde details).
Kleuren identiteit van verteller en wekken door komisch contrast de lachlust op.
p139/126/134
Welke twee vooroordelen zijn er tav humor?
p127
Wat is ironie?
Een vrijwel onhoudbaar contrast tussen wat gezegd wordt en wat betekend (= bedoeld) wordt. Is geen ‘vaag lacherig gevoel’.
Bijzondere vorm van humor (‘het soort grappen waarna het even stil is voordat men gaat lachen - en even snel vergaat het lachen je’).
Om ironie te interpreteren: aanwijzingen nodig (dubbele betekenis; overdrijving of understatement; omkering; context; intertekstualiteit; spreeksituatie; toon).
p128/139
Welke drie vormen van ironie worden onderscheiden?
p129/139/137
Wat is een motief?
Interpretatieve noemer waar bepaalde concrete of abstracte elementen van een verhaal worden ondergebracht.
Veroorzaken samenhang in verhaal; opstapje naar interpretatie van verhaal als geheel.
Vallen de lezer op door veelvuldige herhaling.
Letterlijke herhaling: leidmotief (id als muziek). Let op titel.
Abstracter: semantische overeenkomsten
Tekstinterne motieven: betekenisdragende elementen binnen het verhaal
Tekstexterne motieven: duidt op een semantische eenheid uit het repertoire van cultuur-/literatuurgeschiedenis (bijbel, klass mythologie, film, muziek). Intertekstueel is zelfde.
Oefentekst Kellendonk: twee vergelijkbare situaties met motief ‘vrouw als verleidster’ (Eva). Ook ‘adder’ en ‘psst’ (slangengesis). Hertogin van Amalfi: ook een ongemakkelijke situatie, ic een clandestien huwelijk.
p139/131/137
Wat is de sterke betekenis van ontroering?
Hier: een zeer sterke leeservaring, waarbij lezer zichzelf verliest, pijn lijdt door het kunstwerk.
p134