Mestcellen
Histamine zorgt er onder andere voor dat andere type witte bloedcellen worden geactiveerd en door de verwijding van de bloedvaten snel op de plek waar histamine is afgegeven kunnen komen.
Slijmvliezen
Voorkomen dat ziekteverwekkers binnentreden door slijm te produceren waaraan de ziekteverwekkers blijven plakken. Trilhaarcellen voeren de ziekteverwekkers vervolgens af.
Traanvocht en speeksel
Spoelen de ziekteverwekkers weg.
Zweet en talg
Zorgen voor een lage pH van de huid, waardoor ziekteverwekkers er niet goed kunnen leven.
Granulocyten
Zijn fagocyten die net als macrofagen de ziekteverwekker opslokken, alleen sterft een granulocyt samen met de ziekteverwekker -> etter (dode granulocyten met dode ziekteverwekkers en weefselresten)
Koorts
Verhoogde normwaarde voor de temperatuur, waardoor de afweerreacties worden versneld en de enzymen van ziekteverwekkers denatureren zo sneller. Om warmte op te wekken ga je rillen. De bloedvaten in de huid vernauwen om warmteverlies tegen te gaan.
MHC-I-receptoren
MHC-II-receptoren
Cellulaire respons
Humorale respons
Antigeen-antistofcomplex
Allergenen
Secundaire reactie
Er worden meteen antistoffen gevormd in grote aantallen en de antistoffen worden minder snel afgebroken.
Antiserum
Bloedplasma met antistoffen, maar zonder stollingseiwitten.
Afstotingsreactie
Ontstaat doordat het afweersysteem de MHC-eiwitten op de celmembranen herkent als lichaamsvreemd. MHC-eiwitten zijn voor ieder organisme uniek en is belangrijk voor de cel om te onderscheiden welke cellen lichaamseigen en lichaamsvreemd zijn.
MHC wordt bij mensen HLA genoemd.
Rode bloedcellen bevatten geen MHC-eiwitten en kunnen dus niet afgestoten worden.
Hemolyse
Rode bloedcellen gaan kapot, waardoor hemoglobine vrijkomt in het bloedplasma.
Algemene donor
O, heeft namelijk geen antigenen die door andere bloedgroepen als lichaamsvreemd kan worden gezien.
Algemene acceptor
AB, heeft namelijk geen antistoffen en kan dus niet gaan samenklonteren als het in aanraking komt met andere bloedcellen.
Resuspositief
Heeft de resusfactor op zijn rode bloedcellen zitten.
Resusnegatief
Heeft geen resusfactor en kan antiresus vormen als het in aanraking komt met de resusfactor.
Rh- moeder zwanger van een Rh+ kind
Door scheurtjes in de placenta bij de eerste bevalling komt Rh+ bloed van het kind in de bloedbaan van de moeder terecht. De moeder vormt antiresus. Bij het eerste kind vormt dit geen problemen omdat de baby al geboren is voordat de antiresus is gevormd door de B-plasmacellen. Bij het tweede kind heeft de moeder echter geheugencellen en maakt ze snel en in grote hoeveelheden antiresus aan als het tweede kind ook Rh+ is. Dit kan wel de baby voor de geboorte bereiken en kan leiden tot sterfte bij de baby.
Om dit te voorkomen krijgt een Rh- moeder die zwanger is van een Rh+ kind tijdens de bevalling antiserum ingespoten met antiresus, waardoor het immuunsysteem van de moeder niet geactiveerd wordt. De antiresus wordt na een tijdje afgebroken en is niet dusdanig gevaarlijk voor de baby.