Algemeen Flashcards

(50 cards)

1
Q

Verschillen tussen spermatogenese en oocytgenese

A
  • Spermatogenese gedurende het hele leven; oogenese begint voor geboorte en een beperkt aantal eicellen produceert
  • 1 spermatogonium => 4 zaadcellen; 1 primaire oocytic => 1 eicel
  • Bij spermatogenese verdeelt de hoeveelheid cytoplasma zich gelijk; bij ooctgenese blijft het overgrote deel in de eicel en kleine hoeveelheid in poollichaampjes
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Overeenkomsten tussen spermatogenese en oocytgenese

A
  • Beide vormen van gametogenese
  • 2n => n + n
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

anovulatie WHO I

A
  • Oorzaak in hypothalamus / hypofyse (centraal)
  • Symptomen: amenorrhoe
  • Lab: FSH –, Oestradiol –, LH -
  • hypogondadotroop
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Anovulatie WHO II

A
  • Oorzaak gelegen in de regulatie van de hormonen
  • Symptomen: oligo- of amenorrhoe
  • Lab: FSH -, Oestradiol -
  • Normogonadotroop
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Anovulatie WHO III

A
  • Oorzaak is in de ovaria
  • Symptomen: amenorrhoe
  • Lab: FSH +, LH +, Oestradiol –
  • Hypergonadotroop, uitval bij ovaria
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

XY body

A

Bij spermatogenese worden het X en Y chromosoom verpakt in heterochromatines tot gecondenseerd (niet-transcriberend) DNA

Afwezigheid van RNA-polymerase

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke structuren worden bij een epistiomie doorgeknipt?

A
  • Cutis;
  • Subcutis;
  • Bulbus vestibuli;
  • Klier van Bartholin (mogelijk);
  • M. bulbospongiosus;
  • M. transversus perinei superficialis;
  • Membrana perinei;
  • M. sphincter urethrovaginalis.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

3 vormen epistiomie

A
  • Medio-lateraal: wordt het meest toegepast → een knip vanuit het midden van de commissura labiorum posterior. De fourchette wordt schuin naar achteren ingeknipt in de richting van een tuber ischiadicum. Dit gebeurt ongeveer twee vingers breed naast de anus, zodat de m. sphincter ani externus niet wordt geraakt.
    • Bij een mediane episiotomie wordt er niet door de bulbus vestibuli en de klier van Bartholin geknipt.
  • Mediaan naar dorsaal: een knip vanuit het midden van de commissura labiorum posterior in de mediaanlijn naar achteren.
    • een grotere kans op een derdegraads ruptuur.
  • Mediaan naar ventraal: bij vrouwen die een besnijdenis hebben gehad wordt een knip gezet door het littekenweefsel aan de voorzijde van de vulva in de richting van de geïdentificeerde urethra.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Stappen menstruele cyclus

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Follikel-/eicelcomplex

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

DD bij cyclusstoornis

A
  • Uitsluiten zwangerschap
  • Organisch (WHO I)
  • Regulatie (WHO II): hormonaal, schildklier, bijnier, prolactinoom
  • Ovulair (WHO III)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Waarom serumprolactine testen bij cyclusstoornis?

A
  • Prolactinoom kan leiden tot cyclusstoornis:
  • wisselwerking prolactine (hypofyse) <=> dopamine (hypothalamus); hoog prolactine = hoog dopamine (=> negatieve feedback)
  • Dopamine remt GnRH pulsaliteit => verstoring FSH en LH afgifte => verstoring cyclus en hormonen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Verschillen meiose en mitose

A
  • chromosomen tijdens de mitose gedragen zichzelf onafhankelijk van elkaar gedragen, in tegenstelling tot bij de meiose
  • tijdens mitose vindt er crossing-over plaats (profase)
  • tijdens de mitose blijft de hoeveelheid DNA in de dochtercellen gelijk aan de moedercel (2n; 4c), bij meiose halveert dit (n; 2c)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Functie van crossing-over en zusterchromatidecohesie?

A
  • Zusterchromatidecohesie => eerlijke verdeling van de chromosomen over de dochtercellen
  • Crossing over => genetische variatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Tetragenese en manieren waarop dit plaatsvindt

A

inductie van ernstige lichamelijke misvormingen tijdens de foetale ontwikkeling. Hoogste risico in eerste trimester, tijdens organogenese

  • Direct effect op foetus via placentapassage;
  • Indirect ecffect door veranderingen bij de moeder
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Middelgebruik tijdens lactatieperiode

A

pH moedermelk < pH bloed ==> vnl basische stoffen goed overdraagbaar
* Vnl gevolgen voor de hersenontwikkeling
* Alcohol: lichamelijke beperkingen, concentratieproblemen of geheugenproblemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Fysiologie erectie

A
  • toename arteriele toevoer tijdens erectie
  • afnaem veneuze afvoer tijdens erectie
  • innervatie: relexatie van gladde spiercellen corpus cavernosum en ritmische contracties van m. bulbocavernosus en m. ischiocavernosus (bekkenbodemspieren)
    • neurotransmitter: stikstofoxide (NO)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

DD dysfunctioneel vaginaal bloedverlies

A
  • myoom, koperspiraal, medicatie, stollingsafwijking
  • miskraam, EUG
  • chlamydia infectie met bijkomend PID
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

DD oligomenorroe en amenorrhoe

A

oligomenorragie
* Uterus myomatosus (myoom);
* Endometriumpoliep:
* Endometriumhyperplasie:

amenorrie
* sterke gewichtsschommelingen, stress, (zwaar) sporten, darmklachten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Oorzaken menstruatiestoornissen

A
  • Hormonaal
  • Schildklier
  • Prolactinoom
  • PCOS
  • Endometriose
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Oorzaken toename aantal SOA’s

A
  • Daling in het percentage double dutch;
  • Toename risicogroepen zoals Surinamers en Antillianen;
  • Mensen met eerdere SOA’s;
  • Hiv-positieve MSM.
22
Q

Maatregelen tegen toename aantal SOA’s

A
  • versterken van intersectorale samenwerking;
  • actiever monitoren van opkomende SOA’s en trends binnen risicogroepen;
  • het bevorderen van partnerwaarschuwing;
  • systematisch onderzoek binnen risicogroepen
23
Q

Tumormarkers ovariumcarcinomen

A
  • CA-125: meeste epitheliale tumoren;
  • carcinoembryonic antigen (CEA): mucineuze tumoren;
  • Humaan choriongonadotrofine (hCG), α-foetoproteïne (AFP) en lactaatdehydrogenase (LDH): kiemceltumoren;
  • Neuron-specifieke enolase (NSE): neuro-endocriene tumoren.
24
Q

Vormen epitheliale ovariumcarcinomen

A

Epitheliaal: maligne neoplasmata van de ovaria met ingroei in de tubae en het peritoneum

  • ovariële origine: endometrioïde, mucineuze, clear cell, borderline en laaggradig sereuze tumoren;
  • tubaire origine: extra-uteriene pelvic sereuze carcinomen (snelle progressie, extra-ovariële ziekte op het moment van diagnose en de afwezigheid van een bekende precursorlaesie)
25
Vormen niet-epitheliale ovariumcarcinomen
* **Kiemceltumoren**: dysgerminoom, endodermale sinus tumor, choriocarcinoom, embryonaalcelcarcinoom, immatuur teratoom, teratoom met maligne transformatie naar een niet-kiemcel component; * **Sexcord-stromaceltumoren**: granulosaceltumor, thecaceltumor, arrhenoblastoom; * **Mesenchymale tumoren**: fibrosarcoom, neurofibrosarcoom, leiomyosarcoom, rhabdomyosarcoom. 
26
DD post coitaal bloedverlies
* **Afwijkingen van de vulva**: * Mechanisch veroorzaakte letsels; Ontsteking (vulvitis; herpes genitalis); Condylomata acuminata (wratten; HPV-virus, meestal type 6 of 11); Premaligne afwijkingen; Maligne afwijkingen (meestal plaveiselcel type) * **Afwijkingen van of in de vagina**: * Mechanisch veroorzaakte letsels; Ontsteking (vaginitis; candida albicans, Trichomonas en aspecifieke bacteriële vaginose); Condylomata acuminata; Pre-maligne afwijkingen; Maligne afwijkingen: vaginacarcinoom is extreem zeldzaam.  * **Afwijkingen van de baarmoedermond**:  * Mechanisch veroorzaakte letsels; Ontsteking (cervicitis; Chlamydia trachomatis); Condylomata acuminata (HPV); Ectropion; Erosie; Ulcera; Poliep; Premaligne afwijkingen; Maligne afwijkingen:
27
Oorzaken niet-vorderende baring
* Ineffectieve weeën: bij een frequentie van de weeën van minder dan drie per tien minuten, afwezigheid van het caput succedaneum, afwezigheid van moulage;  * Wanverhouding: grote uitzetting, een niet-vorderende indaling, kleine maternale lengte; * Pijn: door stresshormonen neemt de uterusactiviteit af, te weinig ondersteuning.
28
Gevolgen niet-baring
* Grotere kans op een sectio; * Grotere kans op chorioamnionitis; * Grotere kans op vaginale kunstverlossing; * Grotere kans op slechte start van de neonaat
29
Oorzaken fluxus partum
* **Tonus**: na een langdurige bevalling, bij een grande mult, grote uitzetting (gemelli, macrosomie, polyhydramnion), uterus myomatosus;  * **Trauma**: laesie van het baringskanaal, keizersnede, uterusruptuur; * **Tissue**: problematiek van de placenta; * **Trombine**: stollingsproblematiek moeder, vruchtwaterembolie, gebruik van anticoagulantia ...
30
Gonadale differentiatie
Expressie van Sex Determining Region on the Y Chromosome (SRY) zorgt voor ontwikkeling foetale testes.
31
Fecundity
Vermogen om een levend geboren kind te krijgen
32
Geslachtschromosomale afwijkingen
* Kinefelter syndroom (47, XXY) * Turner syndroom (45, X)
33
Structurele chromosomale afwijkingen
* reciproke translocaties * Robertsoniaanse translocaties * inversies, deleties
34
Waaruit bestaat OFO - oriënterend vruchtbaarheidsonderzoek?
* Semenanalyse * Midluteaal progesteron * Chlamydia antistof titer (CAT)
35
Hunault score
Tool om de kans op spontane zwangerschap te berekenen
36
Normaalwaarden semenanalyse
* volume>1.5cc; * concentratie >15milj zc/ml; * motiel >40%; * morfologie >4% normalen; * pH>7,1.
37
Hypothalamus-hypofyse-gonaden as man
38
Hypothalamus-hypofyse-gonaden as vrouw
39
Pathologische vormen tractus genitalis man
* Oligospermie * Azoospermie * Aspermie * Hypogonadisme * Testiculaire kiemcel tumor
40
Uitsluiten eileiderproblematiek
* Echo * hCG * Laparoscopie
41
oriënterend fertiliteitsonderzoek (OFO) domeinen
* De werkzaamheid van de eicel; * De werkzaamheid van de zaadcel; * Tubapathologie; * De leefstijl van het paar.
42
Hunault score
Met de berekening van Hunault kan men bij gezonde vrouwen met een regelmatige cyclus en geen abnormale bevindingen berekenen hoe groot de kans op zwangerschap is in het eerste jaar. Men vult de leeftijd, de duur van onvruchtbaarheid, de optie van eerdere zwangerschappen en het percentage van goed beweeglijk zaad in. De uitkomst van de berekening leidt tot een bepaalde prognose. * Bij een kans van <30% stelt men een behandeling voor. * Bij >40% is de natuurlijke kans nog relatief groot en groter dan het resultaat van behandeling, dus is een expectatief beleid aangewezen. * Tussen de 30-40% dient de arts uitleg te geven over de situatie en hierover te praten met de patiënten. * Bij een leeftijd boven de 38 jaar wordt een patiënt altijd doorverwezen naar de gynaecoloog.
43
Welke eisen voordat een vrouw mag gaan persen bij bevalling?
* Hodge 3 ingedaald * Volledige ontsluiting * Persdrang
44
4 endocriene veranderingen bij een zwangere die klinisch relevant zijn
* Oestrogenen * hCG: structurele overeenkomst met schildklierhormoon => verhoogde schildklierfunctie bij zwangere, * Prolactine: directe stimulatie lactotrofe cellen en onderdrukking hypothalaam dopamine * CRH
45
Belangrijkste endocriene producten van de placenta
* **hCG** al na 7-8 dgn na fertilasatie * **CRH** * **Steroiden**: E2 en progestagenen
46
Endocriene factoren die een (a terme) baring op gang brengen
Foetale bijnieren ontwikkelen => produceren foetale steroiden door 3b-OH dehydrogenase * meer prostaglandine synthese => inductie baring, rijping cervix * verandering in ratio progesteron receptor isovormen (meer PR-A) * longrijping
47
Hormonale regulatie van lactatie + 4 belangrijke endocriene factoren
**oestrogenen** en **prostaglandinen** belangrijk voor groei, ontwikkeling en differentiatie melkkliercellen tijdens lactatie: * **prolactine** voor synthese lactaat, lipiden en caseine * **oxytocine** voor ontledigen van alveoli en ducti * opwekking door toeschietreflex * melkproductie komt op gang door daling van oestrogenen en progesteron ## Footnote steroiden remmen prolactine activiteit op melkkliercellen (dus stress/cortisol stopt lactatie)
48
Welk proces vindt plaats in de primitiefstreek?
gastrulatie = vorming mesoderm
49
uit welk type mesoderm ontstaan somieten?
paraxiaal mesoderm
50