ALGEMENE TERMEN Flashcards

(47 cards)

1
Q

Maternale mortaliteit

A

Dood van een vrouw terwijl zwanger, of <42 dagen (<5 weken) na het einde vd zwangerschap door directe en indirecte oorzaken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Directe sterfte (maternale mortaliteit)

A

= door complicaties van zwangerschap, bevalling, kraambed, interventies, onjuiste behandeling of gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Indirecte sterfte (maternale mortaliteit)

A

= er was een voorafbestaande ziekte OF er heeft zich tijdens de zwangerschap een ziekte ontwikkeld de ziekte is door de zwangerschap(sfysiologie) zodanig ernstig geworden dat het heeft gezorgd voor overlijden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Toevallige sterfte (maternale mortaliteit)

A

De zwangerschap had geen invloed op het overlijden (moeder is bv. gestorven via verkeersongeval), dit is géén maternale mortaliteit of moedersterfte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Maternale mortaliteitsratio (MMR)

A

= aantal vrouwen dat overlijdt (directe of indirecte sterfte) per 100 000 levend geboren kinderen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Perinatale mortaliteit

A

= foetale sterfte + vroeg-neonatale sterfte per 1000 geboorten

Oorzaken
- Immaturiteit
- Prematuriteit
- Congenitale afwijkingen
- Infectie/sepsis
- Navelstrengaccident
- Intrapartum asfyxie of trauma
- Abruptio placentae
- IUGR (intra-uteriene groeirestrictie)
- (Zwangerschapsafbrekingen)

Cijfers
- Welvarende landen = 5-10 per 1000
- Vlaanderen = 7,2% (6% + 1,2%)
o Eenlingen: 6,7% (5,6% + 1,1%)
o Meerlingen: 24,7% (18,4% + 6,4%)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Zwangerschapsduur

A

= amenorroeduur = vanaf eerste dag vd laatste menstruatie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Kiem

A

Vrucht in de eerste zwangerschapsmaand

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Embryo

A

Vrucht van de derde tot de tiende week na de bevruchting (5de tot 12de week AD)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Foetus

A

Vrucht vanaf 12 weken AD tot de geboorte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Vroeg-neonataal

A

Eerste week na de geboorte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Neonaat

A

Kind op een leeftijd tussen geboorte en dag 28

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Abortus (A)

A

= miskraam, uitdrijven van een niet levensvatbare vrucht, VOOR de 22ste zwangerschapsweek = eerder om medische redenen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Abortus arte provocatus (AAP)

A

Zwangerschapsafbreking = eerder om persoonlijke redenen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Menogram

A

= systematische weergave van eigenschappen ve menstruele cyclus van een pt = leeftijd menarche, cyclusduur, periode en hoeveelheid bloedverlies, graad van dysmenorree

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Gravida of graviditeit (G)

A

= aantal zwangerschappen met inbegrip van de huidige.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Nulligravida

A

= niet zwanger en nog nooit zwanger geweest.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Primigravida

A

= voor het eerst zwanger.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Multigravida

A

= vanaf een tweede zwangerschap.

20
Q

Pariteit (P)

A

Het aantal baringen (verlossingen) dat een vrouw heeft doorgemaakt.

21
Q

Verlossing

A

= geboorte van één of meer kinderen met een gewicht van ≥ 500 gram uit één moeder –> tweeling = 1 verlossing

22
Q

PROM

A

= Prelabor Rupture Of Membranes

23
Q

P-PROM

A

= Preterm Prelabor Rupture Of Membranes

24
Q

Sectio caesarea, primair

A

Een sectio uitgevoerd op een gepland tijdstip, bij een zwangere met intacte vliezen en niet in arbeid.

25
Sectio caesarea, secundair
Een keizersnede waartoe pas beslist werd tijdens de arbeid of de bevalling.
26
Geboorte
Het ter wereld komen van een foetus van 500 gram of meer, of van een kind geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer
27
Vroeggeboorte
Bevalling vóór de 37ste zwangerschapsweek.
28
A terme
Op een zwangerschapsduur van 37 tot 42 weken, of tussen 259 en 294 dagen
29
Postterm of serotien
Op een zwangerschapsduur van meer dan 42 weken of 294 dagen
30
Preterm
Een zwangerschapsduur van minder dan 37 weken of 259 dagen.
31
Very preterm
Termijn onder 32 weken (224 dagen)
32
Extreem preterm
Onder de 28 weken (196 dagen)
33
Foetale sterfte
Ieder doodgeboren kind van ≥ 500 gram of ≥ 22 weken
34
Vroeg-neonatale sterfte
Overlijden van een levend geboren kind van ≥ 500 gram, voor de 8ste dag na de geboorte
35
Neonatale sterfte
Overlijden van een levend geboren kind van ≥ 500 gram tot en met de 28ste dag na de geboorte.
36
Post-neonatale sterfte
Overlijden van een levend geboren kind van ≥ 500 gram, vanaf de 29ste dag tot en met de 365ste dag na de geboorte.
37
Zuigelingensterfte
Overlijden van een levend geboren kind van ≥ 500 gram binnen het 1ste levensjaar.
38
Meconium
Darminhoud van fœtus (galkleurstoffen, ingeslikt vruchtwater, mucosacellen, bilirubine)
39
Mammogenese
Groei en ontwikkeling vd melkklieren
40
Lactogenese
Het op gang komen van de secretie van melk
41
Galactopoese
Instandhouding van melksecretie
42
Colostrum
Melk van de eerste dagen, bevat relatief veel mineralen, eiwitten en antilichamen, maar minder vet en koolhydraten
43
Absolute kinddosis
Hoeveelheid geneesmiddel die de zuigeling via de moedermelk binnenkrijgt, uitgedrukt in mg/kg/dag
44
Relatieve kinddosis
Verhouding tussen de geschatte dosis geneesmiddel per kg lichaamsgewicht die het kind via de borstvoeding binnnenkrijgt (mg/kg/dag) en de dosis die de moeder krijgt (mg/kg/dag)
45
Melk/plasma ratio (M/P ratio)
Verhouding tussen de concentratie van het geneesmiddel in de moedermelk en de concentratie in het maternale plasma.
46
Melk/plasma AUC ratio (M/P AUC ratio)
Verhouding van de area under the curve (AUC) van de melk- en plasmaspiegels.
47
Microbloedonderzoek (MBO)
pH en lactaat bepaling via een druppel bloed afkomstig vd foetale schedel