het nummer
le numéro
ik ga (gaan)
je vais (aller)
dus
donc
verhuizen
déménager
de ruzie
la dispute
het geluk
la chance
welke
quel, quelle
dol zijn op
adorer
ik begrijp (begrijpen)
je comprends (comprendre)
nog, weer
encore
bovendien
en plus
de metro
le métro
naar huis gaan
rentrer
lopend
à pied
altijd, nog altijd
toujours
het probleem
le problème
laatste, vorige
denier, dernière
hij wil (willen)
Il veut (vouloir)
het eens zijn
être d’accord
winkelen
faire du shopping
houden van
aimer
echt (bn)
vrai
Hoe oud ben je?
Tu as quel âge?
Ik ben dertien jaar.
J’ai treize ans.