à
met, om, naar, op, aan, te, in
de
van
avec
met
chez
bij
en
met, in
pour
voor, om te
sans
zonder
et
en
mais
maar
ou
of
parce que
omdat
qui
wie
quoi
wat
quand
wanneer
que
wat
qu’est-ce que
wat
pourquoi
waarom
comment
hoe, waarmee
où
waar
combien
hoeveel
quel, quelle
welke
aussi
ook
très
heel, zeer
beaucoup
veel