Lopen
Liep - gelopen
Kijken
Keek - gekeken
Drinken
Dronk - gedronken
Liggen
Lag - gelegen
Denken
Dacht - gedacht
Zien
Zag - gezien
Gaan
Ging - gegaan
Doen
Deed - gedaan
Worden
Werd - geworden
Komen
Kwam - gekomen
Vragen
Vroeg - gevraagd
Beginnen
Begon - begonnen
Lezen
Las - gelezen
Eten
At - gegeten
Blijf
Bleef - gebleven
Brengen
Bracht - gebracht
Zijn
Was - waren - geweest
Hebben
Had - hadden - gehad
Kunnen
Kon - konden - gekund
Zullen
Zou zouden -
Willen
Wilde/wou - wilden - gewild
Mogen
Mocht - mochten - gemogen
Moeten
Moest - moesten - gemoeten
Hoeven
Hoefde - hoefden - gehoeven