Bloed Flashcards

(60 cards)

1
Q
A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

oxyhemoglobine

A

O2 binding in longen van bloed (verandert vorm)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

desoxyhemoglobine

A

02 loslaten in weefsel (terig normale vorm van bloed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

albuminen (meest belangrijkste) , alf en beta globine (transport), gamma (antilichamen) en fibrinogeen (bloedstolling) zijn componenten van…

A

plasma eiwitten: deel het vloeibaar medium van bloed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

carbaminohemoglobine

A

hemoglobine die CO2 draagt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

erythroproteïnen

A

hotmoon die RBC produceert en controleert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

bilirubine

A

zorgt voor geelzucht, jaundice wnr lever het niet kan uitscheiden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

granulaire leukocyten

A

hebben granule: neutrofielen, eosenfielen en basofielen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

neutrofielen

A

soorten granulaire leukocyten, eerste reoctores

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

eosenfielen

A

soorten granulaire leukocyten, parasiete infecties en allergies

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

basofielen

A

soorten granulaire leukocyten, allergie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

agranukaire leukocyten

A

geen granulles, eenlobbige nuclueus: kymfo en monocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

lymfocyten

A

soorten: B -cellen (antilichamen) en Tcellen (vernietegen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

monocyten

A

grooste WBC, fagocytosee- en stimuleren WBC

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

severe combined immonudifenciency

A

(Immunodeficiëntieziekte zoals AIDS)
B en T lymfocyten niet gemaakt (behandeling door gen therapie of beenmergtransplantatie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

leukemie

A

door kanker ongecontroleerd immature WBC vermuldigen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

epstein barr virus

A

WBC ziekte die u moei maakt (maar 2 weken ziek gectiveert door virus)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

thrombocyten

A

boelplaatjes, vanuit megakaryocyten belangrijk voor bloedstolling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

agglutinatie

A

klontering a-van RBC wnr door transfusie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

antigeen vs antilichaam

A

antigeen (vreemde stof) vs antilichaam (gemaakt door lichaam)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

universele donor ? universele acceptor?

A

donor 0 en acceptor AB

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

gentherapie

A

2x per week bij severe combined immonudefenciency om productie van B en T lymfocyten te genereren (je kan beenmergtransplantatie doen in de plaats landurige)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

coagulatie

A

bloedstolling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

primaire lymfeorganen

A

organen voor infecties:
- beenmerg
- thymus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
thymus
produceert thymosine om t-cellen te laten rijpen
26
thymosine
geproduceert in thymus , laat t cellen rijpen
27
secundaire lymfeorganen
organen voor infecties: - lymfeklieren - milt - amandelen
28
lymfeklieren
produceren lymfe
29
milt
- filteren bloed: ijzer uit in RBC dan deze vernietigen - witte pulpa: antilichamen van B lymfocyten produceren - rode pulpa: verdwijnen van pathogenen)
30
amandelen
in keelholtes ziekte bestrijden die via mond en neus komen
31
chemische immuniteit barrieres
1ste verdediging (samen met huid, tranen en speeksel) : olieklieren, zure ph in maag and vagaygay, flora en microben
32
histamine
2de verdedigings: - door neutrofielen: > ONTSTEKINGSREACTIE: rode en warme huid (dood pathogenen), zwelling, door vergroote bloedsomloop zodat WBC sneller ter plaatse (kan leiden tot vertopping longen) - veel neutrofielen ->pus - wnr neutrofielen niet genoeg: cytokines -> monocyten -> macrofagen (sterkste)
33
adaptatieve immuunafweer
3de verdedigingslinie: wnr niet specifieke verdediging niet werkt - B Herkent een antigeen en kopieert zichzelf: plasma (antilcihaam) geheigencellen (langdurig) - T reguleren immuunrespons: door t cel receptor antigeen herkennen (is het lichaamseigen) en vergelijken dankzij MHC (deze maarkeert wnr ze lichaamseigen zijn)
34
igG igM igA igD igE
G: fagocytose M: nieuwe infectie A: speeksel en melk D: voor maturatie B cellen E: allergische reacties igE kan onmiddelijke onnodige allerchische reactie veroorzaken door basofielen histamine uitscheiden >< onmiddelijke analfylatische shok allergie: direct in bloedbaan (ook door histamine) >< certlate allergie: gestart waar allergeen in contact
35
koloniale expansie
maakt vele kopieën van T cellen (normale helpende en geheugen)
36
acteve immuniteit vs immunisatie vs passieve imuniteit
actieve: langdurige dankzij geheugencellen ummunisatie: actieve maar door mens passieve: van korte duur, derwijnt na een bepaalde tijd (bvb borstvoeding of injectie)
37
cytokines
geproduceerd door T lymfo en macrofagen reguleren WBC
38
autoimmuunziekte
weinig efficient in herkennen van lichaamseigen
39
Beschermende Proteïnen
Complementsysteem: Werkt samen met antistoffen. - histamineproductie te stimuleren. - trekken fagocyten aan - maken gaten in bacteriën, waardoor ze barsten
40
interferonen (cytokinen)
- geïnfecteerde cellen: adoptose (celdodoing) - niet-geïnfecteerde cellen: vernietig viraal RNA en verminder de eiwitsynthese, activeer immuun cellen
41
primaire immuunrespons vs sencundaire
1ste contact: eerste dagen geen anticlichamen > B en T expansie en geheigen > anticlichamen 2de: Snelle, hoge stijging van antilichaamtiter (booster) bij hernieuwd contact dankzij geheugencellen > langzame afname.
42
immunosuppressieve geneesmiddelen
kan weefselaftoting vermijden
43
Auto-immuunziekte
Gebrekkige herkenning van eigen cellen
44
hemocriet
percentage RBC
45
polycytemie
aandoening beenmerg
46
megakaryocieten
bloedplaatjes groeien daaruit
47
hemolytische ziekte
kan gebeuren wanneer moeder antilichamen ontwikkeld van positive rhésus en volgend kind ook positief is leidt tot armoede RBC en toxisch niveau van hemoglobine afbraak producten
48
cross matching test
om te zien als bloed donor past met bloed acceptor (oppassen! niet enkel bloedgroep en rhésus spelen rol bij matchinh bloed )
49
cross matching test
om te zien als bloed donor past met bloed acceptor (oppassen! niet enkel bloedgroep en rhésus spelen rol bij matchinh bloed )
50
gemodifieerd hemoglobine
vanuit dieren (kan ziekten overbrengen) waterig (giftig voor nieren )
51
gemodifieerd hemoglobine
bloedalternatief voor volbloed vanuit dieren (kan ziekten overbrengen) waterig (giftig voor nieren )
52
perfluorkoolwaterstoffen
bloedvervanger draagt meer zuurstof dan gemodifieerd hemo niet oplosbaar in water enkel tijdelijk
53
type bloedarmoede
ijzertekort hemorragie hemolytische anemie (sikkelcel) nierfalen (erythropoietin niet gemaakt)
54
aneurysma
ballonvormige slagaderwand kan binnen of buiten uitstulping vormen > barsten > intern hemoragie
55
spataderen
door zwaartekracht naar beneden: permanent gezwollen aderen door opgehooptbloed
56
kransslagader en hartaders
eigen set bloedvaten van hart
57
kransslagader en hartaders
eigen set bloedvaten van hart
58
baroreceptoren
meten bloeddruk op slagaders > neuronsignaal naar hersenen > verlaging hartslag (en omgekeerd)
59
angina pectoris
weinig bloedtevoer naar hart behandeling: ballongioplastiek of bypass > kan leiden tot hartaanval: hartweefsel sterft door weinig zuurstof
60
hartaanval
gevolg angina pectoris of ventrikels fibrilatie