de fiets
bike / bicycle
de fietsenmaker
cycle repairman
inderdaad
indeed
duidelijk
clear
lijkt (lijken)
seems / appears
total loss
a write-off
gebeurd (gebeuren)
happened
gevallen (vallen)
fallen
regende (regenen)
was raining
glad
slippery
fietste weg (wegfietsen)
cycled away
fietsen
cycle
de praktijk
practice
wilde (willen)
wanted
rechts afslaan
turn right
gleed weg (wegglijden)
slipped
mankeerde (mankeren)
was wrong
zelf
myself
een slag in het wiel
the wheel is crooked
het wiel
wheel
het stuur
handlebars
het zadel
seat
staan
are (stand)
scheef
crooked