un but (een doel)
pour que (opdat)
afin que (opdat)
une opposition (een tegenstelling)
bien que (hoewel)
quoique (hoewel)
un but négatif (een negatief doel)
de peur que (uit vrees dat)
de crainte que (uit vrees dat)
une attente (een verwachting)
avant que (voor(dat))
en attendant que (in afwachting dat)
jusqu’à ce que (totdat)
une opposition (een tegenstelling)
qui que (wie ook)
quoi que (wat ook)
où que (waar ook)
une condition (een voorwaarde)
à condition que (op voorwaarde dat)
pourvu que (als … maar)
à moins que (tenzij)
une manière (een manier)
sans que (zonder dat)