DCD Flashcards

(24 cards)

1
Q

Waarvoor staat DCD?

A

Developmental coördination disorder

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn de diagnostische criteria van DCD? (4)

A
  1. Het verwerven + uitvoeren van gecoördineerde motorische vaardigheden verloopt substantieel onder het niveau dat verwacht mag worden gezien de kalenderleeftijd.
  2. De deficiënties in motorische vaardigheden interfereren significant en persisterend met de ADL.
  3. De symptomen beginnen in de vroege ontwikkelingsperiode.
  4. De deficiënties in motorische vaardigheden kunnen niet beter verklaard worden door een verstandelijke beperking of visusstoornis + kunnen niet worden toegeschreven aan een neurologische stoornis die invloed heeft op beweging.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is DCD

A

= beperkingen in activiteiten en participatie in het dagelijks leven doordat ze moeite hebben met het coördineren van motorische activiteiten.

  • Blijft aanwezig doorheen de levenslijn
  • Voortdurende wijziging gedurende de ontwikkeling, leeftijdsgebonden.
  • Geen verworven stoornis.
  • Geen andere medische verklaring.
  • Vroeg in de ontwikkeling merkbaar
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Comorbiditeiten met DCD?

A

ADHD
Autisme
Leerstoornissen
Spraak en taalstoornissen
Later meer kans op psychische problemen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is het klinisch beeld van DCD?

A

Atypische verwerking van sensorische informatie:
- verwerking van visuele informatie

Atypische motoriek:
- stoornissen in voorgeprogrammeerde motoriek
- stoornissen in ritmische coördinatie
- stoornissen in executieve functies
- regulatie van kracht en timing

Atypische neurologie:
- ontwikkeling van motorische netwerken verloopt atypisch

Problemen met het leren van motorische vaardigheden.

Problemen met het automatiseren van deze motorische vaardigheden.

Problemen met het uitvoeren van motorische vaardigheden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn de gevolgen van DCD op functie-niveau?

A

Gemiddeld minder bewegen
Vaker last van obesitas
Verminderde spierkracht en fitheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn de gevolgen van DCD op activiteiten-niveau?

A

Meer structuur + ondersteuning nodig bij ADL-activiteiten dan hun gezonde leeftijdsgenoten.

Er zijn aanwijzingen dat minder lichamelijke activiteiten en participatie aan teamsport kan leiden tot:
- verminderde competentiebeleving bij kinderen met DCD
- een lagere globale eigenwaarde
- gedragsproblemen
- verminderde deelname aan sociale activiteiten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is het stress process framework bij DCD?

A

Motorische problemen bij DCD leiden tot psychosociale stress via negatieve omgevingsinteracties.

Wat op zijn beurt kan leiden tot internaliserende problemen zoals angst en depressie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

DCD en ergotherapie?

A

Verbeteren van de dagelijkse activiteten en participatie.

De behandeling is vaak activiteit- en contextgericht.

  • Task-oriented training
  • CO-OP = cognitive orientation to daily occupational performance
  • Structureren van de omgeving
  • Inzet van hulpmiddelen
  • Ouder- en leerkrachtenbetrokkenheid
  • Groepstherapie: sociale en motorische vaardigheden
  • Monitoring en evaluatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Effectieve therapievormen bij DCD?

A
  1. Procesgeoriënteerde aanpak = bottom-up
  2. Taakgeörienteerde aanpak = top-down, heeft de hoogste effectiviteit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Procesgeoriënteerde of bottom-up behandelvorm

A

Focus: Start bij de onderliggende functies zoals spierkracht, coördinatie, sensorische verwerking.

Uitgangspunt: als we de basisfuncties verbeteren, zal het functioneren in activiteiten vanzelf verbeteren.

Doel: Remediëren van motorische of cognitieve beperkingen

Voorbeeld in DCD: oefeningen voor fijne motoriek, evenwicht, sensorische integratie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Taakgeoriënteerde of top-down behandelvorm

A

Focus: start bij activiteiten en participatie van het kind in het dagelijks leven.

Uitgangspunt: wat wil het kind doen? Wat is belangrijk voor het kind en zijn omgeving?

Doel: verbeteren van het functioneren in betekenisvolle activiteiten, zoals aankleden, schrijven, fietsen, enz

Voorbeeld in DCD: gebruik van CO-OP benadering waarbij het kind leert om zelf strategieën te ontwikkelen om dagelijkse taken beter uit te voeren.

Voordeel: meer motiverend voor het kind omdta het gericht is op concrete doelen die voor het kind belangrijk zijn, in vaak herkende context voor het kind

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Waarvoor staat CO-OP en wat zijn de kernprincipes? (5)

A

CO-OP = Cognitive orientation to daily occupational performance

Doelgericht: het kind kiest zelf 3 funtionele doelen

Dynamisch probleem oplossen: het kind leert denken over hoe het een taak uitvoert.

Cognitieve strategieën: gebruik van Goal-Plan-Do-Check

Guided discovery: de therapeut begeleidt het kind om zelf oplossingen te vinden

Generaliseerbaarheid: aangeleerde strategieën toepassen op nieuwe situatie. Interventie richten op de omgeving en moet ingebed zijn in het alledaagse leven van het kind en zijn familiecontext.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is NTT en wat zijn de kernprincipes?

A

NTT = neuromotor task training

Kernprincipes:
Taakgericht: oefenen van motorische taken waarmee het kind moeite heeft.

Analyse van kind-taak-omgeving: Wat belemmert het kind in het uitvoeren van de taak?

Opbouw in deeltaken en bewegingsfasen: start-beweging-afronding

Vier domeinen:
- Motorische controle
- Motorisch leren
- Psychologie
- Pedagogisch-didactische aanpak

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Leg het 1ste domein: motorische controle en bewegingssturing uit

A

Gericht op het plannen, uitvoeren en bijsturen van bewegingen.

Belangrijk bij kinderen met DCD die moeite hebben met coördinatie en timing.

Taken moet je in de context leren.

Er is een lage transfer van de ene naar de andere taak.

De belangrijkste voorspeller voor het effect van training is the time on task

Taak analyseren en methodisch opstellen

Oefenen, oefenen, oefenen door te variëren

Feedback

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Leg het 2de domein uit: Motorisch leren

A

Instructie: gericht en concreet uitleggen van de taak

Vragen stellen: activeren van denkprocessen bij het kind

Feedback: gericht op het proces, niet enkel op het resultaat

Aanpassen van de context: taak en omgeving worden aangepast aan het niveau van het kind.

17
Q

Leg het 3de domein uit: psychologische component.

A

Attributietheorie: hoe verklaart een kind succes of falen?

Competentiegevoel: wat weet en kan het kind? wat wordt zichtbaar in een bepaalde context?

Leerstijlen: hoe leert het kind het best?

Leermotivatie en leerattitude: belang van succeservaringen en positieve bekrachtiging

18
Q

Leg het 4de domein uit: pedagogisch-didactisch handelen

A

inzicht in de problemen: begrijpen van de specifieke noden van het kind

Oplossingsgericht werken: focus op wat wel werkt en hoe het kind vooruit kan

19
Q

Schrijfproblemen bij DCD

A

Activiteit en partipatiegerichte behandeling.

Evaluatie: is er vooruitgang? nee => naast schrijven ook typlessen aanbieden

Schrijven:
- aanpassen aan de eisen van de taak
- welke taken doet kind schrijvend en welke niet?
- aandacht aan schrijfmateriaal en liniatuur

Typen:
- Tijdslimiet aanpassen aan leertempo en typsnelheid

20
Q

wat is motorisch leren?

A

= het vermogen van een individu om motorische vaardigheden te verwerven waarbij een relatief permanente verandering optreedt.

  1. Motorisch leren = leren bewegen: aanleren van nieuwe bewegingen of vaardigheden
  2. Verwerven van vaardigheden: door oefening en ervaring steeds beter worden
  3. Relatief permanente verandering: de verandering blijft bestaan over tijd.
  4. Individu centraal: iedereen leert op zijn eigen manier en tempo.
21
Q

Wat is expliciet leren?

A

leren waarbij de leerling bewust instructies krijgt over hoe een beweging moet worden uitgevoerd.

Kenmerken:
- gebaseerd op verbaal overdraagbare regels, je weet wat en hoe je leert.
- vereist bewuste aandachte en werkgeheugen

Voorbeeld: trainer zegt: houd je elleboog recht en kijk naar het doel.
Voordelen: het helpt beginners begrijpen wat ze moeten doen.
Nadeel: gevoelig voor stress en druk en overbelasting van het werkgeheugen

22
Q

Wat is impliciet leren?

A

leren waarbij de beweging aangeleerd wordt zonder expliciete verbale instructies, vaak via analogie, spelvorm of constraints

Kenmerken:
- leren door te doen, zonder bewust te worden hoe het moet
- meer automatisch en minder afhankelijk van bewuste controle
- minder gevoelig voor stress

Voorbeeld: coach zegt: doe alsof je een koekje uit een hoge kast pakt
Voordelen: duurzame, robuste vaardigheden
Nadelen: kan langer duren om te leren

23
Q

Wat is het verschil tussen interne en externe focus?

A

Interne focus:
- aandacht is gericht op het lichaam
- aandacht is gericht op het uitvoeren van de beweging

Externe focus:
- aandacht is gericht op de omgeving
- aandacht is gericht op het effect van de beweging

Onderzoek toont aan dat externe focus meestal leidt tot betere motorische prestaties en leerresultaten dan interne focus.
Externe focus vermindert bewuste controle => bewegingen verlopen automatisch
Interne focus verhoogt cognitieve belasting => kan motorisch leren vertragen

24
Q

Interne en externe focus bij kinderen met DCD

A

Probleem: zij hebben vaak moeite met motorische planning en coördinatie. Interne focus kan dit verergeren, omdat het extra cognitieve belasting geeft.

Aanpak:
Externe focus is effectiever, omdat het leren minder afhankelijk maakt van bewuste controle en meer gebruikmaatk van impliciete processen.

vb ipv houd je arm recht => raak de bal tegen de muur