Waarvoor staat DCD?
Developmental coördination disorder
Wat zijn de diagnostische criteria van DCD? (4)
Wat is DCD
= beperkingen in activiteiten en participatie in het dagelijks leven doordat ze moeite hebben met het coördineren van motorische activiteiten.
Comorbiditeiten met DCD?
ADHD
Autisme
Leerstoornissen
Spraak en taalstoornissen
Later meer kans op psychische problemen.
Wat is het klinisch beeld van DCD?
Atypische verwerking van sensorische informatie:
- verwerking van visuele informatie
Atypische motoriek:
- stoornissen in voorgeprogrammeerde motoriek
- stoornissen in ritmische coördinatie
- stoornissen in executieve functies
- regulatie van kracht en timing
Atypische neurologie:
- ontwikkeling van motorische netwerken verloopt atypisch
Problemen met het leren van motorische vaardigheden.
Problemen met het automatiseren van deze motorische vaardigheden.
Problemen met het uitvoeren van motorische vaardigheden
Wat zijn de gevolgen van DCD op functie-niveau?
Gemiddeld minder bewegen
Vaker last van obesitas
Verminderde spierkracht en fitheid
Wat zijn de gevolgen van DCD op activiteiten-niveau?
Meer structuur + ondersteuning nodig bij ADL-activiteiten dan hun gezonde leeftijdsgenoten.
Er zijn aanwijzingen dat minder lichamelijke activiteiten en participatie aan teamsport kan leiden tot:
- verminderde competentiebeleving bij kinderen met DCD
- een lagere globale eigenwaarde
- gedragsproblemen
- verminderde deelname aan sociale activiteiten
Wat is het stress process framework bij DCD?
Motorische problemen bij DCD leiden tot psychosociale stress via negatieve omgevingsinteracties.
Wat op zijn beurt kan leiden tot internaliserende problemen zoals angst en depressie.
DCD en ergotherapie?
Verbeteren van de dagelijkse activiteten en participatie.
De behandeling is vaak activiteit- en contextgericht.
Effectieve therapievormen bij DCD?
Procesgeoriënteerde of bottom-up behandelvorm
Focus: Start bij de onderliggende functies zoals spierkracht, coördinatie, sensorische verwerking.
Uitgangspunt: als we de basisfuncties verbeteren, zal het functioneren in activiteiten vanzelf verbeteren.
Doel: Remediëren van motorische of cognitieve beperkingen
Voorbeeld in DCD: oefeningen voor fijne motoriek, evenwicht, sensorische integratie
Taakgeoriënteerde of top-down behandelvorm
Focus: start bij activiteiten en participatie van het kind in het dagelijks leven.
Uitgangspunt: wat wil het kind doen? Wat is belangrijk voor het kind en zijn omgeving?
Doel: verbeteren van het functioneren in betekenisvolle activiteiten, zoals aankleden, schrijven, fietsen, enz
Voorbeeld in DCD: gebruik van CO-OP benadering waarbij het kind leert om zelf strategieën te ontwikkelen om dagelijkse taken beter uit te voeren.
Voordeel: meer motiverend voor het kind omdta het gericht is op concrete doelen die voor het kind belangrijk zijn, in vaak herkende context voor het kind
Waarvoor staat CO-OP en wat zijn de kernprincipes? (5)
CO-OP = Cognitive orientation to daily occupational performance
Doelgericht: het kind kiest zelf 3 funtionele doelen
Dynamisch probleem oplossen: het kind leert denken over hoe het een taak uitvoert.
Cognitieve strategieën: gebruik van Goal-Plan-Do-Check
Guided discovery: de therapeut begeleidt het kind om zelf oplossingen te vinden
Generaliseerbaarheid: aangeleerde strategieën toepassen op nieuwe situatie. Interventie richten op de omgeving en moet ingebed zijn in het alledaagse leven van het kind en zijn familiecontext.
Wat is NTT en wat zijn de kernprincipes?
NTT = neuromotor task training
Kernprincipes:
Taakgericht: oefenen van motorische taken waarmee het kind moeite heeft.
Analyse van kind-taak-omgeving: Wat belemmert het kind in het uitvoeren van de taak?
Opbouw in deeltaken en bewegingsfasen: start-beweging-afronding
Vier domeinen:
- Motorische controle
- Motorisch leren
- Psychologie
- Pedagogisch-didactische aanpak
Leg het 1ste domein: motorische controle en bewegingssturing uit
Gericht op het plannen, uitvoeren en bijsturen van bewegingen.
Belangrijk bij kinderen met DCD die moeite hebben met coördinatie en timing.
Taken moet je in de context leren.
Er is een lage transfer van de ene naar de andere taak.
De belangrijkste voorspeller voor het effect van training is the time on task
Taak analyseren en methodisch opstellen
Oefenen, oefenen, oefenen door te variëren
Feedback
Leg het 2de domein uit: Motorisch leren
Instructie: gericht en concreet uitleggen van de taak
Vragen stellen: activeren van denkprocessen bij het kind
Feedback: gericht op het proces, niet enkel op het resultaat
Aanpassen van de context: taak en omgeving worden aangepast aan het niveau van het kind.
Leg het 3de domein uit: psychologische component.
Attributietheorie: hoe verklaart een kind succes of falen?
Competentiegevoel: wat weet en kan het kind? wat wordt zichtbaar in een bepaalde context?
Leerstijlen: hoe leert het kind het best?
Leermotivatie en leerattitude: belang van succeservaringen en positieve bekrachtiging
Leg het 4de domein uit: pedagogisch-didactisch handelen
inzicht in de problemen: begrijpen van de specifieke noden van het kind
Oplossingsgericht werken: focus op wat wel werkt en hoe het kind vooruit kan
Schrijfproblemen bij DCD
Activiteit en partipatiegerichte behandeling.
Evaluatie: is er vooruitgang? nee => naast schrijven ook typlessen aanbieden
Schrijven:
- aanpassen aan de eisen van de taak
- welke taken doet kind schrijvend en welke niet?
- aandacht aan schrijfmateriaal en liniatuur
Typen:
- Tijdslimiet aanpassen aan leertempo en typsnelheid
wat is motorisch leren?
= het vermogen van een individu om motorische vaardigheden te verwerven waarbij een relatief permanente verandering optreedt.
Wat is expliciet leren?
leren waarbij de leerling bewust instructies krijgt over hoe een beweging moet worden uitgevoerd.
Kenmerken:
- gebaseerd op verbaal overdraagbare regels, je weet wat en hoe je leert.
- vereist bewuste aandachte en werkgeheugen
Voorbeeld: trainer zegt: houd je elleboog recht en kijk naar het doel.
Voordelen: het helpt beginners begrijpen wat ze moeten doen.
Nadeel: gevoelig voor stress en druk en overbelasting van het werkgeheugen
Wat is impliciet leren?
leren waarbij de beweging aangeleerd wordt zonder expliciete verbale instructies, vaak via analogie, spelvorm of constraints
Kenmerken:
- leren door te doen, zonder bewust te worden hoe het moet
- meer automatisch en minder afhankelijk van bewuste controle
- minder gevoelig voor stress
Voorbeeld: coach zegt: doe alsof je een koekje uit een hoge kast pakt
Voordelen: duurzame, robuste vaardigheden
Nadelen: kan langer duren om te leren
Wat is het verschil tussen interne en externe focus?
Interne focus:
- aandacht is gericht op het lichaam
- aandacht is gericht op het uitvoeren van de beweging
Externe focus:
- aandacht is gericht op de omgeving
- aandacht is gericht op het effect van de beweging
Onderzoek toont aan dat externe focus meestal leidt tot betere motorische prestaties en leerresultaten dan interne focus.
Externe focus vermindert bewuste controle => bewegingen verlopen automatisch
Interne focus verhoogt cognitieve belasting => kan motorisch leren vertragen
Interne en externe focus bij kinderen met DCD
Probleem: zij hebben vaak moeite met motorische planning en coördinatie. Interne focus kan dit verergeren, omdat het extra cognitieve belasting geeft.
Aanpak:
Externe focus is effectiever, omdat het leren minder afhankelijk maakt van bewuste controle en meer gebruikmaatk van impliciete processen.
vb ipv houd je arm recht => raak de bal tegen de muur