abbauen
verminderen
bald… bald… (bald dit lulverhaal bald dat lulverhaal)
nu eens… dan weer…
(von) daher
daarom/vandaar
eben (ist das eben oder nicht?), (das ist eben so)
juist; nu eenmaal
fachliche kompetenz
deskundigheid ter zake
gängig (das ist gängig in dieser schule)
gangbaar, gebruikelijk
immerhin (du machst immerhin mbo)
altijd nog, in ieder geval
jäh (du springst komplett jäh)
plotseling, onverwacht
kampfsituatien, die
gevecht
laden, der
winkel
mahnmal, das
gedenkteken
öde
saai, verlaten
prägen
kenmerken
rahmen, in
in het kader
saatgat, das
zaad
Tagen (Tagung)
vergaderen
übelnehmen
(iemand iets) kwalijk nemen
veranschlagen
begroten
wachsen (wachstum)
groeien
zaudern (zaudernd)
aarzelen