frans Flashcards

(168 cards)

1
Q

Hebben

A

avoir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

zijn

A

étre

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

gaan

A

aller

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

komen

A

venir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

worden

A

devenir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

behouden

A

retenir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

praten

A

parler

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

beëindigen

A

finir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

groeien

A

grandir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

verdikkeren

A

grossir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

afvallen

A

maigir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

nadenken

A

réfléchir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

slagen

A

réussir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

blozen

A

rougir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

verouderen

A

viellir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

bleek worden

A

pâlir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

klappen, applauderen

A

applaudir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

waarschuwen

A

avertir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

vertrekken

A

partir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

slapen

A

dormir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

liegen

A

mentir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

serveren

A

servir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

ruiken

A

sentir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

verkopen

A

vendre

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
verdedigen
défendre
26
descendre
afdalen/naar beneden gaan
27
afhankelijk zijn van
dépendre de
28
verliezen
perdre
29
horen
entendre
30
teruggeven
rendre
31
antwoorden
répondre
32
verkopen
vendre
33
poetsen
nettoyer
34
proberen
essayer
35
gebruiken
employer
36
zich vervelen
s'ennuyer
37
afvegen
essuyer
38
steunen
appuyer
39
eten
manger
40
zich omkleden
se changer
41
eisen
exiger
42
corrigeren
corriger
43
verhuizen
déménager
44
zwemmen
nager
45
sneeuwen
neiger
46
opruimen
ranger
47
delen
partager
48
beschermen
protéger
49
beginnen
commencer
50
vooruitgaan
avancer
51
aankondigen
annoncer
52
wissen
effacer
53
oefenen
s'exercer
54
lanceren
lancer
55
plaatsen
placer
56
uitspreken
prononcer
57
studeren
étudier
58
waarderen
appreciér
59
schreeuwen
crier
60
vergeten
oublier
61
publiceren
publier
62
bedanken
remercier
63
controleren
vérifier
64
herhalen
répéter
65
aanvullen
compléter
66
hopen
espérer
67
zich zorgen maken
s'inquieter
68
drogen
sécher
69
verkiezen
préférer
70
beschermen
protéger
71
roepen bellen
appeler
72
heten
s'appeler
73
herinneren
se rappeler
74
vernieuwen
renouveler
75
weggooien
jeter
76
opstaan
se lever
77
kopen
acheter
78
brengen
amener
79
meenemen
emmener
80
optillen opheffen opstaan
lever
81
bevriezen
geler
82
wegen
peser
83
wandelen
se promener
84
willen
vouloir
85
kunnen, mogen
pouvoir
86
moeten
devoir
87
weten kunnen
savoir
88
zien
voir
89
herzien
revoir
90
doen maken
faire
91
opnieuw doen, herstellen
refaire
92
tevredenstellen
satisfaire
93
plaatsen zetten aantrekken
mettre
94
toegeven
admettre
95
toestaan
permettre
96
beloven
promettre
97
doorgeven
transmettre
98
nemen
prendre
99
leren
apprendre
100
begrijpen
comprendre
101
ondernemen
entrependre
102
opnieuw beginnen
reprendre
103
verassen
surprendre
104
drinken
boire
105
denken geloven
croire
106
zeggen
dire
107
krijgen
recevoir
108
ontvangen
aprecevoir
109
teleurstellen
décevoir
110
kennen
connaître
111
verschijnen
apparaître
112
verdwijnen
disparaître
113
herkennen
reconnaître
114
lopen
courir
115
toelopen
accourir
116
gebruik maken van
recourir à
117
redden/helpen
recourir
118
nodig zijn
falloir
119
regenen
pleuvoir
120
lezen
lire
121
herlezen
relire
122
openen
ouvrir
123
aanbieden
offrir
124
ontdekken
découvrir
125
lijden
souffrir
126
schrijven
écrire
127
beschrijven
décrire
128
inschrijven
s'incrire
129
voorschrijven
prescrire
130
verzenden, sturen
envoyer
131
terugsturen
renvoyer
132
volgen
suivre
133
voortzetten
poursuivre
134
besturen rijden
conduire
135
vertalen
traduire
136
bouwen
construire
137
bakken (koken)
cuire
138
vernietigen
détruire
139
introduceren
introduire
140
produceren
produire
141
verleiden
séduire
142
leven
vivre
143
overleven
survivre
144
herleven
revivre
145
geboren worden
naître
146
doven uitdoen
éteindre
147
bereiken
atteindre
148
schilderen
peindre
149
vrezen
craindre
150
bijvoegen
joindre
151
klagen
se plaindre
152
zich aansluiten
rejoindre
153
gaan zitten
s'asseoir
154
behagen bevallen
plaire
155
mislukken
déplaire
156
vinden
se plaire
157
lachen
rire
158
glimlachen
sourire
159
(ver)slaan
battre
160
vechten
se battre
161
bestrijden
combattre
162
debatteren
débattre
163
besluiten
conclure
164
uitsluiten
exclure
165
opnemen
inclure
166
plukken
cueillier
167
verwelkomen
accueillier
168
verzamelen
recueillier