frans h2 Flashcards

(150 cards)

1
Q

le caméscope

A

de videocamera

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

les infos (f pl)

A

het nieuws

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

déguster

A

met smaak proeven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

tracasser

A

dwarszitten / kwellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

trop bien

A

super

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

se tenir droit

A

rechtop staan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

s’imaginer

A

zich indenken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

sage

A

braaf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

la gueule (fam.)

A

de bek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

causer (fam.)

A

praten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

aborder quelqu’un

A

iemand aanspreken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

les impôts (m pl)

A

de belasting

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

l’appli / l’application (f)

A

de app

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

s’entraîner

A

trainen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

joyeux anniversaire

A

fijne verjaardag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

une connerie (pop.)

A

een stommiteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

insulter

A

beledigen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

avoir honte

A

zich schamen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

laisser allumé

A

aan laten staan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

quelqu’un d’autre

A

iemand anders

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

utiliser

A

gebruiken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

comme si de rien n’était

A

alsof er niets is gebeurd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

le surnom

A

de bijnaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

énerver

A

boos worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
le pire
het ergste
26
mamie
oma
27
je regrette
het spijt m
28
mon meilleur ami
mijn beste vriend
29
ça marche
het werkt, hij doet het
30
c'est n'importe quoi
het is totale onzin
31
contredire
tegenspreken
32
consécutif
achtereenvolgend
33
réussir
slagen
34
la paresse
de luiheid
35
fournir
leveren
36
la conviction
de overtuiging
37
accessible
toegankelijk
38
désigner
aanwijzen
39
l'avenir (m)
de toekomst
40
estimer
menen
41
la perception
de waarneming
42
inférieur à
lager dan
43
mentionner
noemen
44
vain
vergeefs
45
l'étude (f)
het onderzoek / de studie
46
juger
beoordelen
47
d'après
volgens
48
le regard
de blik
49
la confiance
het vertrouwen
50
à propos de
met betrekking tot
51
traiter
behandelen
52
le domaine
het gebied
53
vaste
uitgebreid
54
la moyenne
het gemiddelde
55
se sentir bien dans sa peau
goed in je vel zitten
56
fixer des objectifs
doelen stellen
57
la confiance en soi
het zelfvertrouwen
58
le courage
de moed
59
le bonheur
het geluk
60
la réussite
het succes
61
de mobiel
le portable
62
uit / uitgezet
éteint
63
de diefstal
le vol
64
verdenken
soupçonner
65
beschuldigen
accuser
66
het geld
le fric (fam.)
67
wantrouwen
se méfier de
68
ontbreken / missen
manquer
69
ik kan (infinitief) wat ik wil
j'ai beau (+ infinitief)
70
zich zorgen maken
s'inquiéter
71
de kassa
la caisse
72
bovendien
en plus
73
vertrouwen hebben in
avoir confiance en
74
waarschuwen
prévenir
75
wanhopig
désespéré
76
ontslaan
licencier
77
woedend
furieux
78
gehaast
pressé
79
het is beter
il vaut mieux
80
werken
bosser (fam.)
81
gebeuren
se passer
82
tegelijkertijd
en même temps
83
kleingeld hebben
avoir de la monnaie
84
geld pinnen
retirer de l'argent
85
lenen (van iemand)
emprunter
86
de pincode
le code personnel
87
de geldautomaat
le distributeur automatique
88
pinnen / met pin betalen
payer par carte
89
de schuld
la dette
90
betalen
régler
91
la tension
de spanning
92
dépendre de
afhangen van
93
aboutir à
uitlopen op
94
la thèse
de stelling
95
se presser
zich haasten
96
la pub / publicité
de reclame
97
par rapport à
in vergelijking met
98
souffrir
lijden
99
hostile
vijandig
100
valoir la peine
de moeite waard zijn
101
exclu
uitgesloten
102
embêter
lastigvallen
103
cesser
ophouden
104
apaisé
rustig / bedaard
105
se ruer sur
zich storten op
106
d'une part … d'autre part
aan de ene kant ... aan de andere kant
107
fréquenter
omgaan met
108
se distinguer
zich onderscheiden
109
s'entendre avec
kunnen opschieten met
110
la béquille
de kruk
111
l'attitude (f)
de houding
112
se vanter de
opscheppen over
113
moche (fam.)
lelijk
114
l'enjeu (m)
de inzet
115
le réseau
het netwerk
116
être renfermé
gesloten zijn
117
nouer un contact
contact maken
118
être peu communicatif
niet zo communicatief zijn
119
s'intégrer
zich aanpassen
120
être sociable
sociaal zijn
121
afgesproken
entendu
122
omringd door
entouré de
123
storen
déranger
124
overdrijven
exagérer
125
het recht hebben
avoir le droit
126
de stilte
le silence
127
verdragen
supporter
128
de kleuterschool
l'école maternelle (f)
129
achtervolgen
poursuivre
130
terugbrengen
ramener
131
het conflict
le conflit
132
zich redden
se débrouiller
133
het gesprek
la conversation
134
nadenken
réfléchir
135
verlaten
quitter
136
ruzie maken
se disputer
137
gelijk hebben
avoir raison
138
de pauze
la récré / récréation
139
weigeren
refuser
140
verzinnen
inventer
141
heel blij
ravi
142
pijn doen
faire mal
143
toegeven
avouer
144
eigenlijk
à vrai dire
145
de hele tijd
tout le temps
146
vertrouwen hebben
faire confiance
147
boos
fâché
148
het goedmaken
faire la paix
149
de woede
la colère
150
irritant
énervant