GS 2 Flashcards

(10 cards)

1
Q

Vraag: Wanneer trokken de Germaanse volken het Romeinse Rijk binnen?

A

In de 4e en 5e eeuw tijdens de volksverhuizingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welk rijk bleef bestaan na de val van het West-Romeinse Rijk?

A

Het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waar leefden de Franken?

A

n het midden van Duitsland, het noorden van Frankrijk, België en het zuiden van Nederland.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wie werd koning van alle Franken rond 500

A

Antwoord: Clovis, die de andere Frankische leiders uitschakelde.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welke gebieden veroverden de Franken in de vroege 8e eeuw?

A

Ze onderwierpen onder andere de Friezen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Onder wie bereikte het Frankische Rijk zijn grootste omvang?

A

Antwoord: Onder Karel de Grote (768–814).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke volken versloeg Karel de Grote?

A

De Saksen en de Arabieren in Noord-Spanje.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat moesten andere volken jaarlijks betalen aan Karel de Grote?

A

Een grote hoeveelheid zilver.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke stad veroverde Karel om paus Leo te helpen

A

Rome

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q
A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly