H4 Vermogen Flashcards

(15 cards)

1
Q

aandeel

A

Verhandelbaar bewijs van mede-eigendom van een onderneming. Als het bedrijf winst maakt, ontvangt de aandeelhouder dividend.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

beleggen

A

Vermogen vastleggen met als doel in de toekomst financieel voordeel te behalen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

box 2

A

Belastingbox waarin inkomen uit aanmerkelijk belang wordt belast.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

box 3

A

Belastingbox waarin inkomen uit sparen en beleggen wordt belast.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

consumentenprijsindex (CPI)

A

Maatstaf voor inflatie. De CPI geeft het prijsverloop weer van een pakket goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door de Nederlandse huishoudens.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

deflatie

A

Een daling van het algemeen prijsniveau.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

dividend

A

Winstuitkering aan aandeelhouders van een onderneming.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

inflatie

A

Een stijging van het algemeen prijsniveau.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

nominale waarde

A

Het inkomen of vermogen uitgedrukt in geld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

obligatie

A

Verhandelbaar bewijs van deelneming in een geldlening aan bedrijven of de overheid met een vaste rente en vaste looptijd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

reële waarde

A

(= koopkracht) De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen of vermogen kunt kopen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

rendement

A

Opbrengst van het belegde vermogen in aandelen en obligaties, meestal uitgedrukt in procenten van het belegde vermogen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

sparen

A

Het niet consumeren van een deel van het inkomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

vermogen

A

De waarde van de bezittingen minus de schulden op een bepaald moment.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

vermogensrendementsheffing

A

Belasting over het rendement van het vermogen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly