h6 Flashcards

(83 cards)

1
Q

dekzand

A

afzetting van zand door de wind in de laatste ijstijd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

gletsjer

A

enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

keileem

A

grondmorene bestaande uit een mengsel van keien, grind, zand en leem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

landijs

A

laag eeuwige sneeuw op het land die tot ijs is samengeperst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

keileemkop

A

door het landijs opgeperste heuvel van keileem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

löss

A

afzetting van fijne deeltjes door de wind in de laatste ijstijd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

pleistoceen

A

geologisch tijdvak vanaf 2,5 miljoen jaar tot 12000 jaar geleden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

puinwaaier

A

waaiervormige afzetting die zich vormt als dde stroomsnelheid van een rivier sterk vermindert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

regiem

A

schommelingen in de waterafvoer van een rivier

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

stuwwal

A

door landijs opgedrukte heuvel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

tongbekken

A

door het landijs uitgediept rivierdal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

vlechtende rivier

A

snelstromende rivier met veel ondiepe waterlopen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

albedo-effect

A

het effect dat zonlicht weerkaatst op het aardoppervlak

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

diepte-erosie

A

uitschurende werking van een rivier, waardoor zich een v-dal vormt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

geologische tijdschaal

A

de indeling van de geschiedenis van de aarde in geologische perioden en tijdvakken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

glaciale landschapsvorm

A

vorm in het landschap die is ontstaan door landijs

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

grondmorene

A

sediment dat onder het ijs ligt en dat achterblijft als de gletsjer smelt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

ijstijd

A

koude periode waarin de gemiddelde temperatuur op aarde een paar graden daalt en waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

interglaciaal

A

warmere periode tussen twee ijstijden in

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

natuurlijk broeikaseffect

A

het vasthouden van zonnewarmte door de dampkring

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

puinwaaier

A

waaiervormige afzetting die zich vormt als de stroomsnelheid van een rivier sterk vermindert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

verhang

A

het verval per kilometer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

versterkt broeikaseffect

A

de versterking van het natuurlijke broeikaseffect door de toename van Co2 in de lucht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

basisveen

A

veen dat aan de basis ligt van de holocene afzettingen in nederland

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
grondwaterpijl
bovenkant van het grondwater
25
hollandveen
veen dat is ontstaan door verlanding van open water en moerassen. het ligt in delen van west-nederland aan de oppervlakte
26
holoceen
geologisch tijdvak vanaf 12000 jaar geleden tot nu
27
hoogveen
veen dat tijdens het ontstaan helemaal afhankelijk is van regenwater
28
jonge duinen
duinen die vanaf ongeveer het jaar 800 n.Chr zijn gevormd
29
jonge zeeklei
zeeklei die is afgezet in gebieden die sinds ongeveer het jaar 500 v.chr door de zee zijn overstroomd
30
laagveen
veen dat onder water is gevormd, onafhankelijk van regenwater
31
oude duinen
duinen die vanaf ongeveer 6000 jaar geleden tot ongeveer het jaar 800 zijn gevormd.
32
relatieve zeespiegelstijging
de combinatie van de absolute zeespiegelstijging en het effect van de bodemdaling
32
strandwal
zandbank die door de branding is opgeworpen en boven zeeniveau ligt
33
zeegat
toegang tot de open zee vanuit een rivier, zeearm of binnenzee
33
verlanding
het dichtgroeien van open water door veenontwikkeling in ondiep water
34
aanslibbingskust
kust waarbij de afzetting van materiaal overheerst
35
duin
een door de wind opgeworpen heuvel van zand
36
grondwaterpijl
bovenkant van het grondwater
37
strandwal
zandbank die door de branding is opgeworpen en boven zeeniveau ligt
38
waterkringloop (kort en lang)
de voortdurende verplaatsing van water terug naar zee. kort= van zee naar zee lang= van zee naar land naar zee
39
droogmakerij
meren, plassen en delen van de zee die zijn drooggelegd
40
getij
de dagelijkse beweging van opkomend (vloed)water en afgaand water (eb)
41
inklinking
het inzakken van een klei- of veenbodem door ontwatering
42
jonge zeeklei
zeeklei die is afgezet in gebieden die sinds ongeveer het jaar 500 v.Chr door de zee zijn overstroomt
43
kwelder
een begroeid stuk land dat direct aan de zee grenst en alleen bij hoge vloed overstroomt
44
kwelderwerken
menselijke ingrepen in kwelders om landaangroei te stimuleren
45
oude zeeklei
afzettingen van klei in het waddengebied achter de oude duinen
46
polder
gebied waar de waterstand kunstmatig wordt beheerd
47
regressie
periode waarin de invloed van de zee afneemt
48
transgressie
periode waarin de invloed van de zee toeneemt
48
veenontginning
ontgonnen veenlandschap met een strokenverkaveling
48
sedimentatie
afzetting van materiaal dat is meegenomen door water, wind of ijs
49
veen
grondsoort die bestaat uit vergane plantenresten
50
slib
afzetting op de bodem van in water aanwezige vaste deeltjes
51
terp
kunstmatige heuvel die door de bewoners zelf is opgeworpen met grond en afval
52
veenoxidatie
het verteren van plantenresten door de aanwezigheid van zuurstof in ontwaterd veen
53
verkaveling
de manier waarop land in stukken is verdeeld
53
zeekleipolder
polder die is ontstaan door het bedijken van een kwelder
54
esdorp
dorp met bij elkaar liggende akkers op de grens van hoog en laag
54
biodiversiteit
variatie aan levensvormen in de natuur
55
bio-industrie
andere naam voor intensieve veeteelt.
56
gemengd bedrijf
landbouwbedrijf met akkerbouw en veeteelt
57
graft
evenwijdig aan de hoogtelijnen gelegen steile rand of 'knik' begroeid met bomen en struiken om bodemerosie tegen te gaan.
58
hoogtelijn
lijn op een kaart die punten met dezelfde hoogteligging met elkaar verbindt
58
grondsoort
het losse materiaal aan de oppervlakte van de aardkorst
59
heuvelland
gebied met een hoogteligging tussen 200 en 500 meter
60
insnijding
het dieper worden van een dal door de uitschurende werking van een beek of rivier
61
intensieve veeteelt
veeteelt met inzet van veel kapitaal en kennis per dier om een hoge opbrengst te halen
62
landschap
alles wat je ziet als je vanuit een bepaald punt naar een gebied kijkt
63
middelgebergte
gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1500 meter hoog zijn
64
opheffing
het langzaam omhoogkomen van gebieden door endogene krachten
65
vermesting
het verrijken van de bodem met voedingsstoffen
66
zand
grondsoort met een grove korrelgrootte
67
bodem
de voor de plantengroei belangrijkste bovenste laag van de aardkorst
68
bodemerosie
het verdwijnen van de bovenste vruchtbare bodemlaag door water of wind
69
bodemprofiel
verticale doorsnede van de bodem die de horizonten laat zien
70
grondsoort
het losse materiaal aan de oppervlakte van de aardkorst
71
hoogtelijn
lijn op een kaart die punten met dezelfde hoogteligging met elkaar verbindt.
71
schaalvergroting
Productie in steeds grotere eenheden om op die manier de productiekosten te verlagen en de opbrengsten te verhogen.
72
intensivering
de productie per hectare of per dier vergroten met machines, kunstmest, bestrijdingsmiddelen en beter zaaigoed.
73
klei
grondsoort met een fijne korrelgrootte
74
specialiseren
de keuze voor het verbouwen van één gewas of het behouden van één diersoort