HC week 2 Flashcards

(47 cards)

1
Q

Wat is de definitie van een epileptische aanval?

A

Een klinische manifestatie van een plotselinge, kortdurende functiestoornis van de hersenen ten gevolge van excessieve of synchroon optredende activiteit van neuronen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is de prikkelbaarheid van een neuron?

A

De maat voor de neiging van zenuwcellen om tot een actiepotentiaal te komen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is er mis met de prikkelbaarheid bij iemand met epilepsie?

A

De prikkelbaarheid in sommige zenuwcellen is extreem hoog

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe wordt het genoemd wanneer de elektrochemische krachten in evenwicht zijn?

A

Evenwichtspotentiaal of Nernstpotentiaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe bereken je de Nernstpotentiaal?

A

Ex = (58 mV / z) * log ( [X]o / [x] i )

z = De lading van het ion
[X]o = De concentratie van ion X buiten
[X]i = De concentratie van ion X intracellulair

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Door welke transporter wordt het gradiënt van natrium en kalium bepaald?

A

Door de Na/K-pomp

Deze pomp zorgt ervoor dat drie Na de cel uit gaan en twee K de cel ingaan. Dit kost één ATP

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waarom ligt de rustpotentiaal dichterbij de Ek dan de ENa?

A

In rust staan er meer K-kanalen open dan Na-kanalen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hoeveel genen zijn betrokken bij hij Na- en K-kanaal?

A

Het Na-kanaal bestaat uit subunit gecodeerd door één gen

Het K-kanaal bestaat uit subunits gecodeerd door meerdere genen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Waarvoor is de P-loop van ionkanalen belangrijk voor?

A

De selectiviteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waarvoor is de S1tmS4 loops van ionkanalen belangrijk voor?

A

Spanningsafhankelijkheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Waarvoor zijn de S5- en S6-loop van ionkanelen belangrijk voor?

A

Het open- en dichtgaan van het kanaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Waarvoor kan je de Goldman vergelijking voor gebruiken?

A

Het berekenen van de membraanpotentiaal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn de oorzaken van de refractaire periode?

A
  1. Kaliumkanalen staan nog open
  2. Natriumkanalen zijn nog geïnactiveerd
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat laat een activatiecurve zien?

A

De kans dat een kanaal open staat als functie van de membraanpotentiaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat wordt er bij de spanningscurve van kalium bij iemand die epilepsie heeft gezien?

A

Een rechtsverschuiving, er moet een hogere membraanpotentiaal zijn om de kaliumkanalen te openen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat wordt er bij de spanningscurve van natrium bij iemand die epilepsie heeft gezien?

A

Een linksverschuiving, er moet een lagere membraanpotentiaal zijn om de natriumkanalen te openen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Welke soorten synapsen bestaan er?

A
  1. Axosomatische synapsen: Synaps op soma, zijn meestel inhiberend
  2. Axodendritische synapsen: Synaps op dendriet, zijn meestal exciterend
  3. Axo-axonale synapsen: Synaps op presynaptische zenuwuiteinde, veranderen de neurotransmitterafgifte
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat gebeurt er wanneer een actiopotentiaal een chemische synaps bereikt?

A

Spanningafhankelijke calciumkanalen worden geopend wat voor depolarisatie zorgt > calcium bindt op synaptotogmine > er ontstaat fusie van vesicles met de plasmamembraan (docking)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is de functie van SNARE-eiwitten?

A

Deze zitten zowel op de vesicles als op de membranen en brengen deze dichter bij elkaar

20
Q

Hoe worden neurotransmitters heropgenomen en waar worden deze heropgenomen?

A

Dit gebeurt door carriers, deze bevinden zich in de gliacellen of in de presynaptische cel

21
Q

Welke kenmerken heeft een neurotransmitter?

A
  • De stof moet aanwezig zijn in het presynaptische neuron
  • De stof moet afgegeven worden na presynaptische depolarisatie
  • Er moeten postsynaptische receptoren voor de cel zijn
22
Q

Op welke receptoren werkt acetylcholine en welk effect heeft dit?

A

Op de nicotinereceptoren (ook wel kationkanalen genoemd) in de neuromusculaire overgang, deze zorgen er met name voor dat er Na-influx, maar ook voor K-influx

23
Q

Wat gebeurt er na release van ACh in de synaptische spleet?

A

ACh wordt door acetylcholinesterase gesplitst in acetaat en choline, choline wordt vervolgens door de Na/Choline-transporter weer opgenomen waardoor er presynaptisch weer ACh van gemaakt kan worden

24
Q

Welke behandeling voor welke ziekte speelt in op het acetylcholinesterase?

A

Dit kan gebruikt worden bij myasthenia gravis, waarbij dit enzym geremd wordt

25
Waar is glutamaat verantwoordelijk voor?
Belangrijkste excitatoire neurotransmitter
26
Wat is het nadeel van glutamaat?
Te veel glutamaat is toxisch, dit is ook de orozaak van schade naar een CVA
27
Wat gebeurt er na release van glutamaat in de synaptische spleet?
Glutamaat wordt door gliacellen opgenomen en omgezet in glutamine, hierna wordt het weer presynaptisch opgenomen, opnieuw omgezet in glutamaat en opgenomen in de vesicles
28
Wat is de functie van de GABA-neurotransmitter?
Een remmende neurotransmitter
29
Hoe wordt GABA gemaakt?
Dit wordt door een enzym gemaakt uit glutamaat
30
Waar heeft GABA vaak een functie?
In interneuronen (behalve in het ruggenmerg)
31
Wat voor soort receptor is het GABAa kanaal en wat zijn targets hiervoor?
Een chloride-kanaal, targets zijn alcohol, benzodiazepines, barbiburaten en anaesthetica
32
Wat is de functie van glycine?
Remmende neurotransmitter, vooral in het ruggenmerg
33
Waaruit wordt glycine gemaakt?
Serine
34
Wat voor kanalen zijn glycine-receptoren?
Chloride kanalen
35
Op welke processen werken antiepileptica die de spanningsafhankelijkheid moduleren?
- Remmen van activatie - Versnelde inactivatie - Vertraagd herstel van inactivatie Middelen die op deze processen werken hebben vaak effect op alle drie de processen
36
Hoe werkt lamatrigine?
Deze binden aan de geïnactiveerde toestand van het Na-kanaal. Hierdoor verlengen ze de inactivatie, dit proces wordt use-dependent block genoemd. Hoe vaker een kanaal dus open gaat staan, hoe meer lamatrigine gaat werken. De eerste actiepotenentiaal zal dus niet geblokkeerd zijn
37
Hoe werken benzodiazepinen?
Deze verhogen de affiniteit van de receptor voor GABA, waardoor het inhiberende GABA beter wordt gestimuleerd
38
Hoe werkt vigabatrine?
Deze leidt tot een verhoging van de GABA-concentratie doordat het mitochondriale GABA transamine wordt geremd
39
Hoe werkt tiagabine?
Deze remt de Na-cotransporter die GABA de cel in transporteerd
40
Na hoe lang moet noodmedicatie gegeven worden in de acute fase van een epileptische aanval?
Na 3 minuten
41
Welke vormen van noodmedicatie zijn er?
Rectale diazepam en nasale midazolam
42
Wat doe je op de SEH van een epileptische aanval?
ABC-stabilisatie > midazolam 5 mg IV of 10 mg nasaal > 5 minuten de tijd voor anamnese lab ect > 5 mg midazolam IV
43
Hoe groot is de kans dat er een afwijking op het EEG gevonden wordt bij kinderen zonder dat het kind ooit last gaat krijgen van epilepsie?
Ongeveer 1%, je moet dus alleen een EEG maken wanneer je een duidelijk vermoeden hebt op een epileptisch syndroom
44
Wanneer is het niet nodig te starten met onderhoudsmedicatie?
- Koortsstuipen - Acuut symtomatische aanvallen (er is op dit moment een afwijking dat epilepsie veroorzaakt, maar wanneer dit behandelt is zal er geen verhoogd risico meer zijn) - Insulten door risicofactoren - BCECTS (syndroom dat epilepsie kan veroorzaken)
45
Wat is belangrijke voorlichting bij het voorschrijven van anti-epileptica?
Het is sowieso belangrijk dat je alleen anti-epileptica voorschrijft wanneer je zeker weet wat de aandoening is. Daarnaast dien je de volgende informatie mee te geven: - 50% aanvalsvrijheid met eerte middel, tweede en derde geven 70% kans - 15% van de mensen ervaart bijwerkingen - Er is een risico van 1:2000 bij volwassenen en 1:5000 bij kinderen dat iemand overlijdt aan een epileptische aanval (SUDEP)
46
Wanneer kan je overwegen te stoppen met anti-epileptica?
Wanneer iemand twee jaar aanvalsvrij is
47
Welke alternatieve behandelingen bestaan er voor epilepsie naast anti-epileptica?
- Chirurgie - Ketogeen dieet - Neuromodulatie (óf n. vagus stimulatie, óf deep brain stimulation)