Hangen—to hang
Hing-gehangen
Hebben—to have
Had-gehad
Heffen—to lift
Hief/hieven-geheven
Helpen—to help
Hielp-geholpen
Heten—to be named
Heette-geheten
Houden—to hold
Hield-gehouden
Jagen—to hunt
Joeg/jaagde-gejaagd
Kiezen—to choose
Koos/kozen-gekozen
Kijken—to look
Keek-gekeken
Klimmen—to climb
Klom-geklommen
Klinken—to listen
Klonk-geklonken
Kluiven—to mess around
Kloof/kloven-gekloven
Knijpen-to squeeze
Kneep-geknepen
Komen—to come
Kwam-gekomen (zijn)
Kopen—to buy
Kocht-gekocht
Krijgen—to get
Kreeg-gekregen
Krimpen—to shrink
Kromp-gekrompen (zijn)
Kruipen—to crawl
Kroop-gekropen (zijn-hebben)
Kunnen—be able to
Kon/konden-gekund