Imperfectum Flashcards

(90 cards)

1
Q

aandoen

A

deed aan
deden aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

aankomen

A

kwam aan
kwamen aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

afwassen

A

waste af
wasten af

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

bakken

A

bakte
bakten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

beginnen

A

begon
begonnen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

begrijpen

A

begreep
begrepen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

behangen

A

behing
behingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

bewegen

A

bewoog
bewogen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

bezoeken

A

bezocht
bezochten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

blijven

A

bleef
bleven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

breken

A

brak
braken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

brengen

A

bracht
brachten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

denken

A

dacht
dachten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

doen

A

deed
deden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

dragen

A

droeg
droegen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

drinken

A

dronk
dronken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

eten

A

at
aten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

gaan

A

ging
gingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

genezen

A

genas
genazen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

genieten

A

genoot
genoten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

geven

A

gaf
gaven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

hangen

A

hing
hingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

hebben

A

had
hadden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

helpen

A

hielp
hielpen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
houden (van)
hield hielden
26
kiezen
koos kozen
27
kijken
keek keken
28
komen
kwam kwamen
29
kopen
kocht kochten
30
krijgen
kreeg kregen
31
kunnen
kon konden
32
lachen
lachte lachten
33
laten
liet lieten
34
lezen
las lazen
35
liggen
lag lagen
36
lopen
liep liepen
37
meegaan
ging mee gingen mee
38
meenemen
nam mee namen mee
39
moeten
moest moesten
40
mogen
mocht mochten
41
nemen
nam namen
42
onderzoeken
onderzocht onderzochten
43
onbijten
ontbeet ontbeten
44
opstaan
stond op stonden op
45
oversteken
stak over staken over
46
rijden
reed reden
47
roepen
riep riepen
48
scheiden
scheidde scheidden
49
schijnen
de zon scheen
50
schrijven
schreef schreven
51
slapen
sliep sliepen
52
sluiten
sloot sloten
53
snijden
sneed sneden
54
spreken
sprak spraken
55
springen
sprong sprongen
56
staan
stond stonden
57
steken
stak staken
58
sterven
stief stierven
59
stijgen
steeg stegen
60
strijken
streek streken
61
trekken
trok trokken
62
uitdoen
deed uit deden uit
63
uitgaan
ging uit gingen uit
64
vallen
viel vielen
65
verbieden
verbood verboden
66
vergeten
vergat vergaten
67
verkopen
verkocht verkochten
68
verliezen
verloor verloren
69
verstaan
verstond verstonden
70
vertrekken
vertrok vertrokken
71
vervangen
verving vervingen
72
vinden
vond vonden
73
vliegen
vloog vlogen
74
vragen
vroeg vroegen
75
vriezen
het vroor
76
wassen
waste wasten
77
wegen
woog wogen
78
weten
wist wisten
79
wijzen
wees wezen
80
willen
wou - wilde wouden - wilden
81
winnen
won wonnen
82
worden
werd werden
83
zeggen
zei zeiden
84
zien
zag zagen
85
zijn
was waren
86
zingen
zong zongen
87
zitten
zat zaten
88
zoeken
zocht zochten
89
zullen
zou zouden
90
Zwemmen
Zwom Zwommen