Imperfectum Flashcards

(95 cards)

1
Q

aandoen

A

deed aan / deden aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

aankomen

A

kwam aan / kwamen aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

afwassen

A

waste af / waste af

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

bakken

A

bakte / bakten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

beginnen

A

begon / begonnen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

begrijpen

A

begreep / begrepen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

behangen

A

behing / behingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

bewegen

A

bewoog / bewogen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

bezoeken

A

bezocht / bezochten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

bijten

A

beet / beten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

blazen

A

blies / bliezen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

blijven

A

bleef / bleven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

breken

A

brak / braken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

brengen

A

bracht / brachten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

denken

A

dacht / dachten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

doen

A

deed / deden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

dragen

A

droeg / droegen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

drinken

A

dronk / dronken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

eten

A

at / aten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

gaan

A

ging / gingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

genezen

A

genas / genazen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

geven

A

gaf / gaven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

gieten

A

goot / goten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

hangen

A

hing / hingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
hebben
had / hadden
26
helpen
hielp / hielpen
27
houden
hield / hielden
28
innemen
nam in / namen in
29
kiezen
koos / kozen
30
kijken
keek / keken
31
komen
kwam / kwamen
32
kopen
kocht / kochten
33
krijgen
kreeg / kregen
34
kunnen
kon / konden
35
laten
liet / lieten
36
lezen
las / lazen
37
liggen
lag / lagen
38
lopen
liep / liepen
39
meenemen
nam mee / namen mee
40
moeten
moest / moesten
41
mogen
mocht / mochten
42
nakijken
keek na / keken na
43
nemen
nam / namen
44
onderzoeken
onderzocht / onderzochten
45
ontbijten
ontbeet / ontbeten
46
opstaan
stond op / stonden op
47
oversteken
stak over / staken over
48
rijden
reed / reden
49
roepen
riep / riepen
50
scheiden
scheidde / scheidden
51
schijnen
de zon scheen
52
schrijven
schreef / schreven
53
slapen
sliep / sliepen
54
sluiten
sloot / sloten
55
snijden
sneed / sneden
56
spreken
sprak / spraken
57
springen
sprong / sprongen
58
staan
stond / stonden
59
steken
stak / staken
60
sterven
stierf / stierven
61
strijken
streek / streken
62
treffen
trof / troffen
63
treken
trok / trokken
64
uitdoen
deed uit / deden uit
65
uitgaan
ging uit / gingen uit
66
uittrekken
trok uit / trokken uit
67
vallen
viel / vielen
68
varen
voer / voeren
69
verbieden
verbood / verboden
70
vergeten
vergat / vergaten
71
verkopen
verkocht / verkochten
72
verliezen
verloor / verloren
73
verstaan
verstond /verstonden
74
vertrekken
vertrok / vertrokken
75
vervangen
verving / vervingen
76
vinden
vond / vonden
77
vliegen
vloog / vlogen
78
voorkomen
voorkwam / voorkwamen
79
vragen
vroeg / vroegen
80
vriezen
het vroor
81
wassen
waste / wasten
82
wegen
woog / wogen
83
weten
wist / wisten
84
wijzen
wees / wezen
85
willen
wou/wilde / wilden
86
winnen
won / wonnen
87
worden
werd / werden
88
zeggen
zei / zeiden
89
zien
zag / zagen
90
zijn
was / waren
91
zingen
zong / zongen
92
zitten
zat / zaten
93
zoeken
zocht / zochten
94
zullen
zou / zouden
95
zwemmen
zwom / zwommen