brengen
bracht, brachten. gebracht
denken
dacht, dachten, gedacht
doen
deed, deden, gedaan
gaan
ging, gingen, is gegaan
hebben
had, hadden, gehad
helpen
hielp, hielpen, geholpen
houden
hield, hielden, gehouden
komen
kwam, kwamen. is gekomen
kopen
kocht, kochten, gekocht
slaan
sloeg, sloegen, geslagen
staan
stond, stonden, gestaan
vragen
vroeg, vroegen, gevraagd
werpen
wierp, wierpen, geworpen
weten
wist, wisten, geweten
worden
werd, werden, is geworden
zeggen
zei, zeiden, gezegd
zien
zag, zagen, gezien
zijn
was, waren, ist geweest
zoeken
zocht, zochten, gezocht