Hebben - To have
Ik heb Jij/U hebt Hij/Zij/Het heeft Wij hebben Jullie hebben Zij hebben
Zijn - To be
Ik ben Jij/U bent Hij/Zij/Het is Wij zijn Jullie zijn Zij zijn
Gaan - To go
Ik ga Jij/U gaat Hij/Zij/Het gaat Wij gaan Jullie gaan Zij gaan
Kunnen - To be able to
Ik kan Jij/U kunt Hij/Zij/Het kan Wij kunnen Jullie kunnen Zij kunnen
Maken - To make/do
Ik maak Jij/U maakt Hij/Zij/Het maakt Wij maken Jullie maken Zij maken