Heel (+ subst.)
Tout/toute
Alle (+ subst.)
Tous/Toutes
Alles
Tout
Allemaal
Tous/Toutes
Iemand
Quelqu’un
Iets
Quelque chose
Ergens
Quelque part
Iedereen
Tout le monde
Elkeen
Chacun(e)
Enkele
De meeste
Meerdere
Plusieurs
Sommige, bepaalde
Certain(e)s
Geen enkele
Aucun(e)
De andere
L’autre
De anderen
Les autres
Dezelfde
Le/la/les même(s)
Verschillende
Différent(e)s
Elk(e)
Chaque
Een andere
Un(e) autre
Andere
D’autres