Longen Flashcards

(170 cards)

1
Q

5 functies van het respiratoir systeem

A
  1. Lichaam voorzien van zuurstof & ontdoen van koolstofdioxide
  2. Ingeademde lucht filteren
  3. Geluid produceren
  4. Overschot van warmte en water verwijderen
  5. pH van bloed controleren (verzuring –> sneller ademen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

3 functies van de bovenstes lunchtwegen

A
  1. Filteren bij inademen (neusharen maken stofvrij, slijm in neus/bronchiën/luchtpijp zorgen ervoor dat bacteriën blijven kleven
  2. Lucht vochtig en warm maken
  3. Reuk
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Lagere luchtwegen van groot naar klein

A

Trachea –> bronchi –> bronchioli –> (terminale bronchioli) respiratoire broncioli –> alveolaire buisjes –> alveoli

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe zit het met luchtwegweerstand in de lagere luchtwegen?

A

Hoe verder in de aftakking, hoe minder de weerstand omdat de cross-sectionele diameter toeneemt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Trachea

A

De luchtpijp, verbindt het strottenhoofd met de bronchiën
Drie kwart omringd met kraakbeen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Bronchus

A

Een grote luchtweg met kraakbeen eromheen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is het verschil tussen de linker en de rechter hoofdbronchus?

A

De rechter loopt steiler naar beneden dan de linker, omdat hij onder de aortaboog door moet
Hier is dus minder weerstand

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Trilhaarcellen

A

Zorgen ervoor dat troep uit de luchtwegen geruimd kan worden, door op een gelijkmatige frequentie dezelfde kant op te ‘slaan’

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Primaire ciliaire dyskinesie

A

Disfunctie van de trilhaarcellen in de luchtwegen, waardoor slijm zich ophoopt en er makkelijker bacteriën ophopen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke cellen en klieren werken niet goed bij COPD?

A

Slijmbekercellen en slijmklieren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Alveoli

A

Longblaasjes, waar het grootste deel van de gaswisseling plaatsvindt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke 2 soorten cellen bevat een longblaasje?

A

Type 1 pneumocyt: begrenst de alveoli, bedenkt het oppervlak
Type 2 pneumocyt: produceert surfactant wat de oppervlaktespanning verlaagt, waardoor het blaasje open gaat bij inademen en niet te vroeg dicht gaat bij uitademen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Pulmonale circulatie

A

Longslagader die zuurstofrijk bloed voor gasuitwisseling naar de longen brengt en zuurstofarm bloed afvoert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Bronciale circulatie

A

Zorgt voor de zuurstofvoorziening van de longen. Vanuit de systeemcirculatie vanuit de aorta

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hoeveel longkwabben hebben we?

A

Rechterlong 3
Linkerlong 2

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Longvlies

A

Pleura visceralis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Borstvlies

A

Pleura parietalis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Klaplong

A

Wanneer er een gat zit in de longvlies of borstvlies (of allebei) en hierdoor de long instort

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Hoe werkt ademhaling qua luchtdruk?

A

Gas gaat altijd van hoge naar lage druk.
Inademen: druk in borsthole is lager dan buiten
Uitademen: druk in borstholte is hoger dan buiten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Ademminuutvolume

A

Hoeveel mL je inademt per minuut

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Alveolaire ventilatie in rust

A

De hoeveelheid lucht die in de longblaasjes terecht komt (want een deel blijft zitten in de dode ruimte, en kun je geen gasuitwisseling mee krijgen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Zones van West

A

Geeft goed aan waar de druk in de longen zit
Bovenaan in zone 1 is er hoge druk maar geen bloed. Dit is per definitie pathologisch.
Zone 2 is ideaal, hier vindt gaswisseling plaats
Zone 3: druk in het vat is groter dan in de alveoli, er stroomt meer bloed dan dat er zuurstof opgenomen kan worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

EAA/HP

A

Hypersensitieve of allergische schade aan longen, een immuunreactie/ontsteking door partikels die je inademt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Emfyseem

A

Inhalatie-geassocieerde schade aan longblaasjes waardoor de gaswisseling slechter is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Restvolume
Wat er overblijft in de longen nadat je uitademt
26
Vitale longcapaciteit
Wat je maximaal in en uit kunt ademen, wat je werkelijk gebruikt
27
Totale longcapaciteit
Je vitale longcapaciteit + restvolume (alles wat je in en uit ademt + wat er over blijft)
28
FEV1
Volume wat je in 1 seconde geforceerde uitademing kunt uitblazen
29
FVC
Grootste volume lucht wat iemand kan uitblazen vanaf maximale inhalatie
30
FEV1/FEV
% verhouding tussen FEV1 en FEV, kan de aanwezigheid en ernst van longaandoeningen indiceren (zoals bijv. obstructieve stoornissen)
31
COPD
Obstructie in de luchtwegen door hypertrofie van slijmvellen, waardoor er meer slijm en minder volumecapaciteit in de longen is Er kan ook een verdikking/fibrose van de spierlagen zijn
32
Statische hyperinflatie
Longen lubberen uit en zijn minder elastisch --> meer restvolume
33
Dynamische hyperinflatie
Bij vernauwde luchtwegen + inspanning ga je sneller ademen en blijft er trapsgewijs meer restvolume in de longen tot je benauwd bent
34
Hoe ziet een grafiek eruit bij mensen met een luchtwegobstructie vergeleken met een normale?
De onderste lijn is hetzelfde, maar je ziet de bovenste lijn meer als een heftige 1e piek en snelle daling ipv een geleidelijke afname van flow
35
Saturatie
Zuurstofverzadiging, de verhouding aan zuurstof gebonden hemoglobine & voor zuurstoftransport beschikbare hemoglobine
36
O2-dissociatiecurve
Fase 1: lage PO2 en lage saturatie. Het is dan lastiger voor HB om zich te binen aan zuurstof Fase 2: als er eenmaal meer HB is gebonden aan zuurstof dan gaat de rest van het HB ook sneller binden Fase 3: HB is bijna helemaal gesatureerd, resterende zuurstof gaat weer moeizamer binden
37
Zuurstoftekort
Hypoxemie
38
Wat zijn 4 mogelijke oorzaken van hypoxemie?
1. Hypoventilatie: minder lucht opgenomen door longblaasjes, zorgt voor lagere PO2 2. Diffusie limitatie: verminderde opnamecapaciteit van zuurstof in het bloed 3. Shunt: er komt wel bloed maar geen lucht 4. Dode ruimte: er komt wel lucht maar geen bloed
39
Obstructief slaap apneu syndroom
Wanneer iemand stopt met ademen tijdens de slaap omdat de spieren ontspannen en de tong de weke delen blokkeert. Het zuurstofgehalte in het bloed daalt hierdoor, waardoor iemand telkens wakker blijft worden
40
8 symptomen van obstructief slaap apneu
1. Snurken 2. Onrustige slaap/wakker schrikken 3. Vermoeidheid 4. Ochtendhoofdpijn 5. Verhoogde bloeddruk en ontregelde suiker 6. Prikkelbaarheid, depressiviteit 7. Gewichtstoename 8. Libidoverlies
41
Hoe stel je de ernst van slaapapneu vast?
A.d.h.v. het aantal ademstops per uur. Meer dan 5 is apneu.
42
Wat is het verschil tussen slaap apneu en slaap apneu syndroom?
Slaap apneu is minimaal 5 adempauzes per uur. Slaap apneu syndroom is slaap apneu + andere klachten
43
Hoe diagnostiseer je slaap apneu?
Een poly(somno)grafie, die ademstops, buikbewegingen, been bewegingen, etc. meet. Een watchpad, een horloge die saturatie enzo meet
44
Hoe kun je obstructief slaapapneu syndroom behandelen?
Leefstijlverandering: niet roken, geen alcohol, geen slaapmedicatie, afvallen Als dat niet werkt: mandibulair repositie apparaat die de kaak omlaag trekt, slaappositie therapie of een CPAP
45
Centraal slaap apneu syndroom
Wanneer de aansturing vanuit de hersenen om te ademhalen verstoord is, en iemand daardoor in hun slaap niet ademt
46
Hoe behandel je centraal slaap apneu syndroom?
CPAP of zuurstof toedienen in de nacht
47
Wat zijn de 3 kenmerken van astma? (niet klachten maar van het ziektebeeld)
1. Chronische inflammatie van luchtwegen 2. Bronchiale hyperreactiviteit 3. Wisselende klachten en symptomen, verminderde KvL & psychisch en sociaal disfunctioneren
48
Zorgprevalentie
Aantal mensen wat minstens 1x in het jaar contact opneemt met de huisarts voor een chronische aandoening
49
Zorgkosten en astma
De meeste zorgkosten zijn voor medicatie en ziekenhuiszorg. Hiervan gaat de helft naar mensen met zeer ernstige astma
50
Wat gebeurt er fysiologisch gezien wanneer iemand met astma een allergische prikkel inademt?
Productie van IgE en mestcel activatie --> ontstekingsreactie in luchtwegen --> dikker slijmvlies en spieren trekken samen
51
Remodelling
Structurele en chronische afwijkingen van de gladde spiercellen en het basaalmembraan --> altijd vernauwde luchtwegen Ontstaat bij onbehandelde astma
52
6 risicofactoren voor astma
1. Allergeen aanleg & allergeen contact 2. Geslacht (vrouwen+) 3. Hyperreactiviteit in de familie 4. Genetische factoren 5. Roken 6. Luchtverontreiniging
53
3 risicofactoren voor chronische schade in astma patiënten
1. Roken 2. Chronische slijmuitscheiding 3. Astma aanvallen hebben maar geen ontstekingsremmers nemen
54
ACOS
Kenmerken hebben van astma en COPD
55
Welke medicatie wordt gebruikt bij een astma aanval die niet opgelost wordt met verhoging van normale medicatie?
Prednison, zo kort mogelijk Als niks werkt, dan biologicals die gericht op celniveau een ontstekingsreactie onderdrukken
56
Wanneer is er sprake van goed gecontroleerde astma?
- Minder dan 2x per week klachten - Geen klachten snachts - Geen beperkingen ervaren - Minder dan 2x per week noodmedicatie gebruiken - Normale spirometrie
57
Waarom zijn combinatiepreparaten beter voor astma?
Therapietrouw is beperkt, vooral bij losse componenten. Vooral ontstekingsremmers, want die geven geen direct waarneembaar effect
58
Wat zijn 3 redenen voor lage therapietrouw bij astma?
1. 70% gebruikt inhalator incorrect 2. Mensen passen zelf doseringen aan 3. Mensen proberen medicatie te vermijden, of gebruiken het alleen wanneer zij het nodig vinden
59
5 mogelijke niet-medicamenteuze behandelingen voor astma
1. Fysiotherapie, bijv. ademhalingstechnieken en doseren van inspanning 2. Diëtiste, voor afvallen 3. Psychologie, voor acceptatie, therapietrouw, etc 4. Logopedia, voor hulp bij hoesten en ademhalingsoefeningen 5. Ergotherapie, bij erge astma advies over inspanningsdosering
60
Bronchiale thermoplastiek
Luchtwegen worden met hoge temperatuur behandeld --> gladde spiertjes verdwijnen/worden kleiner --> minder klachten, minder aanvallen, betere KvL
61
Aspecifieke en specifieke prikkels
Specifiek: inhalatie-allergenen zoals pollen, huisdieren, huisstofmijt Aspecifiek: hangen niet samen met een allergie maar zorgen toch voor prikkeling, bijvoorbeeld parfum, inspanning, luchtvochtigheid
62
Op welke 3 manieren kan er bij astma luchtwegobstructie ontstaan?
1. Spasmes van gladde spiervezels 2. Slijmvlieszwelling 3. Slijmvorming
63
Hygiënehypothese
Astma komt vaker voor dan vroeger, en meer in welvarende landen dan in arme landen. Kan misschien komen omdat we hygiënischer zijn geworden en minder worden blootgesteld aan bacteriën en virussen -> later gevoeliger hiervoor
64
Eosinofiel astma
Wordt veroorzaakt door te veel witte bloedcellen
65
T2 inflammatie hoog of laag astma
Of de astma gepaard gaat met een specifieke immuunreactie, heeft invloed op behandelmogelijkheden
66
Naar welke 7 dingen moet een arts vragen als hij astma vermoed?
1. Kortademigheid 2. Piepende ademhaling 3. Hoeste met taaie slijmpropjes 4. Neus- en oorklachten 5. Roken en rookgeschiedenis 6. Voorgeschiedenis (familie, allergieën, medicaties) 7. Invloed van klachten op dagelijks functioneren
67
Longfunctieonderzoek/spirometrie met reversibiliteit
Diagnostiek voor astma Eerst longfunctie test zonder een luchtverwijder afnemen, en daarna met. Als de FEV met meer dan 12% of 200mL verbetert is er sprake van astma
68
Histaminetest
Diagnostiek voor astma Longfunctie testen, en daarna nog een keer met een dosering histamine (want dat kan luchtwegen vernauwen)
69
Variabiliteitstesten
Diagnostiek voor astma Kijken of longfunctie over tijd verandert, als dit meer dan 12% is dan wijst dit op astma
70
IgE
Allergie eiwit wat je kunt testen bij astma
71
Ontstekingsremmers bij astma
Remt het chronische ontstekingsproces en de bronchiale hyperreactiviteit Basis van de behandeling
72
Wat zijn bijwerkingen van ontstekingsremmers?
Candida in mond/keel/slokdarm Hese stem Dunne huid Snel blauwe plekken krijgen
73
Waar zitten de receptoren voor ontstekingsremmers vooral?
In de perifere/kleine luchtwegen
74
Luchtwegverwijders bij astma
Zorgen voor ontspanning van gladde spieren rondom de luchtwegen, waardoor tijdelijk benauwdheid en andere klachten verlicht worden Beta 2 antagonischen of anticholinergica
75
Bijwerkingen van luchtwegverwijders
's Nachts kramp in benen Slapeloosheid Hartkloppingen Trillen Gejaagd gevoel
76
Waaraan kun je een astma aanval herkennen?
1. Kortademigheid 2. Onvermogen om plat te liggen 3. Hevig zweten 4. Onvermogen om hele zinnen te spreken
77
Waarom kun je tijdens een astma aanval niet plat liggen?
Dan beweegt het diafragma moeilijker omdat er minder zwaartekracht meehelpt
78
Verschil tussen moeilijk behandelbare astma en ernstige astma
Moeilijk behandelbaar: veel klachten maar er zijn componenten die je nog kunt behandelen, zoals nog roken, een hond hebben of inadequate zelfmanagement Ernstig: alles is optimaal behandeld, maar nog steeds ernstige klachten
79
Hoe zorgt roken voor systemische inflammatie?
Omdat er dan interleukines vrijkomen
80
Belangrijkste risicofactor COPD
Roken
81
Waarom zorgt roken voor een verhoogde kans op hart- en vaatziekten?
Het breekt elastine af, waardoor de bloedvaten minder flexibel zijn Dat plus de inflammatie
82
Relatie tussen roken en longkanker
80% van longkanker is gerelateerd aan roken 15% van rokers krijgt longkanker
83
Packyear
Wanneer je 1 pakje per dag, 1 jaar lang doet (Dus ook als je 2 jaar lang een half pakje per dag doet = 1 packyear)
84
Relatie tussen roken en andere soorten kanker
16% van alle kanker is toe te schrijven aan roken
85
Risico van roken op een zwangerschap
Verminderde kans op zwangerschap, zaadkwaliteit Hoger risico op miskraam, ectopische zwangerschap en vroeggeboorte Vaker hartafwijkingen, hazenlip en klompvoet in het kindje
86
Complicaties die bij actief rokende zwangere vrouwen sneller optreden
1. Voorliggende placenta 2. Loslating van placenta 3. Wiegendood, doodgeboorte
87
Verschil tussen lichamelijke en geestelijke verslaving
Lichamelijk: als je stopt krijg je ontwenningsverschijnselen Geestelijk: als je stopt krijg je sterke verlangens om te roken, gekoppeld aan specifieke situaties die je doen herinneren aan het roken
88
Effecten van nicotine
1. Verhoogd genot door stimulatie van dopamine 2. Verbeterde stemming door stimulatie serotonine 3, Verhoofde waakzaamheid door stimulatie van sympatisch zenuwstelsel 4. Verminderde eetlust, door inhibitie van insuline 5. Verbeterd leerproces en geheugen 6. Verlaagt angst en spanning
89
Hoe zorgt roken voor een hogere bloeddruk?
Roken --> adrenaline kick --> bloedvaten trekken samen --> hogere bloeddruk
90
Hoe kun je de ernst van een rookverslaving goed inschatten?
Door te kijken naar de tijd tussen het wakker worden en de eerste sigaret
91
6 ontwenningsverschijnselen bij stoppen met roken
1. Slapeloosheid 2. Sterke drang tot roken 3. Prikkelbaar, boos en onrustig zijn 4. Concentratieproblemen 5. Angst, somberheid en depressieve stemming 6. Obstipatie en verhoogde eetlust
92
5 R'en van motiverende gespreksvoering (bij stoppen met roken)
Relevantie: waarom wil je stoppen? Risks: hoe schat je de risico's in van roken? Reward: wat zijn de voordelen als je stopt? Road blocks: welke obstakels verwacht je bij het stoppen? Repetition: zo lang mogelijk herhalen tot iemand gemotiveerd is
93
Hoe hoog is de kans op terugval na het stoppen met roken?
90% begint weer binnen 1 jaar
94
Voordeel van nicotinevervangers
Vermindert ontwenningsverschijnselen en vergroot de kans op slagen met 50-70%
95
Medicatie voor stoppen met roken
Bootst de effecten van nicotine na, 2-3x hogere kans op succes Kunt ook bupropoin (antidepressiva) of tricyclusche antidepressive gebruiken
96
Hoe snel werkt stoppen met roken voor de gezondheid?
Binnen 20 minuten: daling bloeddruk en hartslag Na 3 maanden: verbeterde longfunctie en bloedsomloop Na 1 jaar halvering risico coronaire hartziekten Na 5-15 jaar normaal risico op beroerte Na 10 jaar halvering risico longkanker
97
Derdehands roken
Schadelijke stoffen van roken binnenkrijgen via bijvoorbeeld gordijnen of vloerbedekking
98
COPD
Chronische, progressieve, niet-reversibele luchtwegobstructie veroorzaakt door een abnormale ontstekingsreactie
99
6 klachten bij COPD
1. Chronisch hoesten met slijm 2. Piepende ademhaling 3. Kortademigheid 4. Pijn op de borst 5. Ongewenst gewichtsverlies 6. Toenemende inspanningsbeperking en vermoeidheid
100
Chronische bronchitis
Langdurige overproductie van slijm in de bronchieën
101
Homogene en heterogene emfyseem
Homogeen: gelijkwaardige en verspreide schade aan longblaasjes Heterogeen: longblaasjes in delen van de longen zijn erg beschadigd, maar in andere plekken niet (dit kun je afsluiten om symptomen te bestrijden)
102
4 COPD fenotypen
1. Astma-COPD overlap 2. Non-exacerbator 3. Exacerbator met emfyseem 4. Exacerbator met chronische bronchitis
103
Normale ontwikkeling van de longen
Ontwikkelingsfase: al voor de geboorte Groeifase: van geboorte tot 20-25 jaar, maximale longfunctie bereikt Plateaufase: longfunctie blijft ong 10 jaar stabiel Afnamefase: door veroudering neemt longfunctie weer af
104
Waarom is vroege diagnose van COPD cruciaal?
In de eerste stadia is de achteruitgang van longfunctie het sterkst
105
Diagnostiek voor COPD
Spirometrie (dat grafiekje van airflow over tijd) CT van longen en dan de vorm van de longen en het diafragma bekijken Lichamelijke observatie; gebogen houding, rimpels
106
Vragenlijst voor inschatten van het effect van behandeling op symptomen en de gezondheidstoestand
Clinical COPD Questionnaire
107
MRC score
Kijkt naar kortademigheid, kan ziektelast en ook mortaliteit inschatten
108
Gold 1, 2, 3 en 4
1: FEV1 is meer dan 80% 2: FEV is 50-79% 3: FEV is 30-49% 4: FEV is minder dan 30%
109
GOLD ABE assessment van COPD
Gold score 1/2/3/4 + exacerbatie in het afgelopen jaar en symptomen 2+ exacerbaties is altijd E 0-1 exacerbatie en weinig symptomen is A, meer symptomen is B Plus ook nog een letter voor oorzaak, zoals C voor roken
110
Mogelijke behandeling voor COPD
Is niet te genezen, adaptatie van patiënt bevorderen kan met 1. Voorlichting en educatie 2. Leefstijlverandering 3. Stoppen met roken 4. Voeding 5. Beweging 6. Beweegadvies/programma 7. Longrevalidatie 8. Medicatie 9. Management van hoesten en kortademigheid
111
Aandachtspunten voor behandeling! (COPD) 6
1. Medicatie optimalisatie en checken van inhalatietechniek 2. Fysieke activiteit 3. Cognitie (want vaak oudere mensen) 4. Emotioneel; coping en angst 5. Spiritualiteit; wensen in terminale fase of na overlijden 6. Sociaal
112
Wanneer kan iemand met COPD zuurstof krijgen?
Als ze niet roken Als ze het meer dan 16 uur nodig hebben Als saturatie binnen 1 minuut na inspanning niet is hersteld Ook als iemand opgenomen moet worden door exacerbatie, en je doet het sneller bij pulmonaire hypertensie
113
Welke medicatie kan helpen tegen het gevoel van kortademigheid?
Morfine
114
Hoe kan een fysiotherapeut helpen bij COPD?
1. Ademtechnieken leren 2. Ademregulatie leren (houding, pursed lips, educatie) 3. Inspanningstraining 4. Inschatten of patiënt geschikt is voor longrevalidatie
115
Welke COPD patiënten zijn geschikt voor longrevalidatie?
1. Duidelijke symptomen 2. Verminderde functionele status 3. Motivatie 4. Niet roken of sterk gemotiveerd zijn om ermee te stoppen 5. Geen ernstige comorbiditeit
116
Longvolumereductie
Deel van longen weghalen of delen afsluiten, zodat de rest van de longen beter kunnen functioneren
117
Longtransplantatie bij COPD
Alleen wanneer je alles hebt gedaan wat mogelijk is en je nog steeds achteruit gaat. Lung Allocation Score is de kans op overlijden zonder transplantatie -- bepaalt plek op wachtlijst. COPD is benadeeld omdat sommige kenmerken die de score opmaken niet voorkomen bij COPD en ze automatisch een lagere score hebben
118
Hoe kun je een longaanval bij COPD behandelen?
1. Hoge dosering corticosteroïden 2. Antibiotica 3. Verneveling met luchtwegverwijders 4. Zuurstoftoediening 5. Ziekenhuisopname
119
Niet-invasieve beademing
Pakt lucht uit de omgeving, voegt eventueel zuurtstof toe en zorgt voor een goede druk
120
Longaanval/exacerbatie
Plotseling verrergering (sneller dan 2 weken) van kortademigheid en/of hoesten en/of slijmproductie. Vaak veroorzaakt door ontsteking van de lucthweg
121
Wat doen beta agonisten (COPD)?
Zorgen ervoor dat de luchtweg open gaat staan door te werken op glad spierweefsel overal in het luchtwegsysteem behalve in de longblaasjes zelf
122
Hoe heten lang- en kortwerkende beta agonisten?
Lang: LABA Kort: SABA
123
Wat doet anticholinerga (COPD)?
Ontspant spieren in de bronchiën, werkt vooral in de grote luchtwegen goed.
124
Hoe heten lang- en kortwerkende anticholinerga?
Lang: LAMA Kort: SAMA
125
Op welk deel van de luchtwegen hebben inhalatiecorticosteroïden invloed?
Alveoli/longblaasjes
126
Welke medicatie krijgt iemand met GOLD classificatie A, B, E?
A: Luchtwegverwijders B: LABA + LAMA E: LABA + LAMA
127
Orale corticosteroïden (COPD)
Remt het ontstekingsproces in de luchtwegen --> vermindering hyperreactiviteit Gebruik als stootkuur voor exacerbaties
128
Waarom worden orale corticosteroïden niet gebruikt voor onderhoud?
Hoge kans op botontkalking Wordt alleen voor onderhoud gebruikt in de palliatieve fase omdat het effect kan hebben op de eetlust
129
Antibiotica bij COPD
Als er een infectie is of longaanvallen worden uitgelokt door infecties
130
PDE-4 remmers
Remt ontstekingen en exacerbaties (bij COPD) maar wordt door weinig mensen verdragen en helpt ook niet tegen benauwdheid
131
Azitromycine (COPD)
Bij 3+ exacerbaties per jaar en onvoldoende effect van andere behandelingen. Is een antibiotica Bijwerkingen kunnen hartritmestoornis of gehoorverlies zijn Bij rokers is de kans kleiner dat dit werkt
132
Relatie tussen angst, depressie en COPD
Corticosteroïden kunnen psychische klachten veroorzaken Exacerbaties geassocieerd met hogere prevalentie depressie en angst Angst en depressie --> mortaliteit, hospitalisatie, lagere HRQoL Invloed op therapietrouw
133
Hoe beoordeel je of advanced care planning in gang gezet moet worden?
Zou het me verbazen als patiënt binnen 1 jaar overlijdt? Ook kijken naar iemands fysieke toestand en KvL
134
ACE en longziekten
40% hogere kans op longaandoeningen, maar niet meer als je corrigeert voor mediërende factoren zoals roken Hebben mogelijk invloed op fysiologische stressreacties --> hormonale en immunologische systemen --> kwetsbaarheid longziekten
135
Waarop baseer je advies of iemand geschikt is voor longrevalidatie?
1. Trainbaarheid 2. Leerbaarheid (cognitie, IQ, hersenfunctioneren) 3. Motivatie 4. Draagkracht op dit moment
136
NCSI
Screeningsinstrument die helpt om doelen te bepalen in interdisciplinaire behandelingen. Geeft relevante informatie voor verschillende zorgdisciplines zodat deze ook beter kunnen samenwerken.
137
ACT
Toelaten en actief uitnodigen van alle gedachten, emoties en lichamelijke sensaties. Toch leven volgens wat je waardevol vindt
138
Welke 8 psychologische dingen komen vaak voor in psychologische behandeling van mensen met longziekten?
1. Angst/paniek 2. Schaamte 3. Obsessieve handelingen 4. Trauma 5. Somberheid 6. Emotieregulatie 7. Systeemproblematiek 8. Verwerking/acceptatie
139
Wat triggert vaak paniek bij mensen met longziekten?
Benauwdheid, waardoor je ook meer benauwd wordt
140
Revalidatiezorg
Richt zicht op het verbeteren van de huidige situatie, verergering voorkomen & zo goed mogelijk terug te gaan naar 'normaal'
141
Ketenzorg
Samenwerking tussen verschillende disciplines om iemand zo goed mogelijk te behandelen
142
Contra-indicaties voor longrevalidatie
1. Lijdenslast wordt niet primair veroorzaakt door longklachten 2. Roken 3. Ernstige psychopathologie 4. Onvoldoende motivatie 5. Comorbiditeit die interfereert met revalidatie
143
Interstitium
Gebied tussen longblaasjes en het haarvat wat er langs loopt
144
Interstitiële longziekten
Ziekte waarbij de longblaasjes en het interstitium aangetast zijn, vaak door littekenvorming
145
Longfibrose oorzaak
Omgevingsfactoren + genetische vatbaarheid Mutatie in telomeer gen --> sneller ouder --> kwetsbaarder
146
Waardoor komt de slechte zuurstofuitwisseling bij longfibrose?
Door de fibrose/littekenweefsel zijn de longen stijver --> niet goed uitzetten bij ademen --> zuurstof moet langere afstand afleggen vanaf de alveoli
147
Welke 8 dingen moet je uitvragen/testen bij anamnese voor longfibrose?
1. Medicatiegebruik 2. Duur van klachten 3. Rookgeschiedenis 4. Voorgeschiedenis van andere diagnoses 5. Hobby en beroep 6. Lichamelijk onderzoek (luisteren, grijze haren?) 7. Aanvullend bloedonderzoek 8. Longfunctietest
148
Hoe ziet longfibrose eruit op beeldmateriaal?
Soms ziet het er uit als honingraat
149
Hoe ziet spirometrie van longfibrose eruit?
Onderste lijn heeft wel een normale curve maar de lijn is korter Bovenste lijn is goede piek maar snelle afname, lijn stopt dus ook eerder dan normaal
150
Bronchoscopie met broncho-alveolaire lavage
Water in de longen spuiten, water kan hierdoor de longblaasjes bereiken Dit water kun je eruit zuigen, en daarin zitten dan cellen die je kunt onderzoeken
151
Extrinsieke allergische alveolitis
Ontsteking van de longblaasjes, als allergische reactie op een prikkel
152
Vormen van extrinsieke allergische alveolitis
Acuut: omgevingstrigger weg = symptomen weg. Je ziet op radiologie grijze waas, bij uitademen worden delen van de longen donkerder Chronisch/fibrotisch: gaat niet meer weg, na maanden/jaren blootstelling
153
Criteria van Extrinsieke allergische alveolitis
1. Symptomen zijn passend 2. Bewijs van blootstelling aan een prikkel 3. Passende radiologie 4. Lympfocytose (meer lymfocyten)
154
Idiopathische pulmonale fibrose
Longfibrose zonder bekende oorzaak
155
ABCDE treatment bij longfibrose
A: Assessment B: Backing, iedereen op de hoogte stellen C: Comorbiditeit D: Disease-modifying treatment E: Early palliative care
156
5 categorieën van interstitiële longziekten
1. Gelinkt aan een duidelijke primaire ziekte 2. Gelinkt aan blootstelling in de omgeving 3. Veroorzaakt door medicatie of bestraling 4. Gelinkt aan een ziekte van het bindweefse of een autoimmuunziekte 5. Idiopathisch
157
Wat is de prognose van idiopathische pulmonale fibrose?
3-5 jaar
158
Verschil van usual interstitial pneumonia en idiopathische pulmonaire fibrose
UIP: Longziekte waarbij er progressief littekenvorming in de longen is IPF: longziekte waarbij longweefsel dikker en stijfer wordt, vaak gepaard of door UIP
159
Welke 2 groepen medicatie zijn er voor longfibrose?
1. Fibroseremmers 2. Ontstekingsremmers
160
Mortaliteit in 1 jaar van COPD
20%
161
5 types dyspneu
1. Triggered, normale kortademigheid 2. Triggered en voorspelbaar 3. Triggered en onvoorspelbaar 4. Niet-triggered, als aanval 5. Niet-triggered, or wave-like
162
Welke 5 dingen zijn belangrijk om te vertellen aan een patiënt met dyspneu?
1. Het is niet schadelijk 2. Je kunt het niet weghalen, wel de impact ervan verminderen 3. Emoties spelen een belangrijke rol 4. Je stikt niet 5. Het is binnen 20 en vaak al binnen 10 minuten voorbij
163
Wat voor soort ademhaling is goed voor dyspneu?
1. Niet gaan hijgen, maar dingen langzamer doen 2. Langer uitademen dan inademen
164
Welke 4 dingen verklaren 50% van vermoeidheid bij longpatiënten?
1. Kortademigheid 2. Slaapkwaliteit 3. Pijn 4. Fatigue-catastrophizing
165
Integrale gezondheidstoestand
Omvat de fysiologische stoornis, de klachten, de beperkingen die iemand ervaart en de kwaliteit van leven
166
Ziektelast
De integrale gezondheidstoestand, en hoe goed iemand daarmee kan omgaan
167
Welke 3 types verhalen heeft een patiënt?
1. Herstelverhaal: ik ging naar de dokter, er gebeurde X, nu is het beter 2. Chaosverhaal: dit gebeurde, dat gebeurde, ik ben ziek 3. Zoektochtverhaal: ik was ziek maar het heeft me X en Y gebracht/geleerd
168
Welke 4 groepen mensen met COPD heb je als het gaat om lichamelijk activiteit, en wat moet je daarmee doen?
1. Mensen die doen maar niet kunnen --> leren doseren 2. Mensen die doen en kunnen --> aanmoedingen 3. Mensen die niet doen en niet kunnen --> revalideren 4. Mensen die niet doen maar wel kunnen --> schop onder de kont
169
Patient activation measure
Kijkt naar wat mensen tegenhoudt om hun gedrag te veranderen
170
Model van Alwyn
Diagnostisch proces: bespreek het probleem/de ziekte Activation and option talk: patiënt gaat zelf nadenken over hun behandelbare kenmerken Choice talk: welke wil je aanpakken? Decision talk: op welke manier wil je dat doen? Supportive talk Zo krijg je bereidheid omhoog