maatschappij Flashcards

(136 cards)

1
Q

Begrip

A

Betekenis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Beleid

A

Het maken van plannen en regels (en wetten) voor de langere termijn. Beleid kan worden bepaald door wat op een bepaald moment nodig lijkt, maar is vaak ook bepaald door een visie voor de langere termijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Bestuur

A

De instantie die de dagelijkse beslissingen in een bepaalde regio regelt. Deze instantie heeft de uitvoerende macht.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Bestuurders

A

Personen die verantwoordelijk zijn voor het dagelijks bestuur.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Correctief referendum

A

Een verkiezing over een politieke kwestie waarover de bestuurders al een besluit genomen hebben. De kiezers kunnen zich achteraf over het besluit uitspreken en het goedkeuren of afkeuren. Mogelijk moet het besluit dan worden aangepast.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

De politiek

A

Met ‘de politiek’ bedoelen we alle personen en instanties die zich met het bestuur van een gebied bezighouden. Een gebied kan hier variëren van een dorp of stad via een provincie of land tot werelddelen (‘de Europese politiek’) of zelfs de hele wereld. Op een klein gebied kun je het bijvoorbeeld hebben over de schoolpolitiek of de verenigingspolitiek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Democratie

A

Regeringsvorm waarbij het volk aan de macht is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Dictatuur

A

Een regeringsvorm waarbij één persoon of een kleine groep alle macht heeft.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Directe democratie

A

Manier van regeren waarbij de burgers zelf beslissen over beleid en bestuur.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Formatie

A

Het proces waarbij partijen samen een kabinet proberen te vormen na de verkiezingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Gelijkwaardigheid

A

Het beginsel dat ieder in gelijke gevallen gelijk behandeld moet worden, ongeacht de verschillen tussen de personen. Vaak zeggen mensen ‘gelijkheid’ als zij ‘gelijkwaardigheid’ bedoelen. Het verschil tussen deze begrippen is: ‘gelijkheid’ betekent dat er geen verschillen tussen mensen zijn, ‘gelijkwaardigheid’ betekent dat er geen verschil in waarde is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Grondrechten

A

Rechten die iedere burger heeft en die in een grondwet staan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Grondwet

A

De belangrijkste wet van een land waarin staat hoe het land bestuurd wordt en wat de rechten van mensen zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Indirecte democratie

A

Manier van regeren waarbij de burgers via volksvertegenwoordigers het bestuur en het beleid mede bepalen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Massamedia

A

Communicatiemiddelen om een groot en vaak onbekend publiek te bereiken. Voorbeelden van middelen zijn boeken, televisie, radio, kranten, tijdschriften en sociale media.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Minderheid

A

Groep met gezamenlijke kenmerken, die niet de meerderheid in een land of regio vormt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Oppositiepartij

A

Politieke partij die niet vertegenwoordigd is in de regering.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Parlementaire democratie

A

Een staatsvorm waarbij de burgers hun democratische macht indirect uitoefenen via gekozen volksvertegenwoordigers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Politiek bedrijven

A

Proberen om mensen of groepen die macht hebben zover te krijgen dat ze besluiten nemen waar jouw ideaal of jouw belang mee gediend is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Scheiding van kerk en staat

A

Het principe dat de overheid en de geloofsgemeenschappen zich niet met elkaars werkterrein moeten bemoeien.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Staatshoofd

A

De persoon die in een land de laatste handtekening onder wetten zet. Een koning is een voorbeeld van een erfelijk staatshoofd. Een niet-erfelijk (meestal gekozen) staatshoofd wordt president genoemd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Trias politica

A

De theorie van Montesquieu over de scheiding van de staatsmachten in de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Volksvertegenwoordiger

A

Door de burgers gekozen persoon, die bij het bestuur en in de wetgeving de burgers vertegenwoordigt. Samen vormen volksvertegenwoordigers de volksvertegenwoordiging.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Volksvertegenwoordiging

A

De volksvertegenwoordiging zijn mensen die door het volk gekozen zijn om namens hen beslissingen te nemen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Actiegroep
Een groep mensen die opkomt voor een bepaald doel of probleem in de samenleving. Actiegroepen zijn vaak minder strak georganiseerd en houden op met bestaan als het doel bereikt is.
26
Belang
Iets wat belangrijk is voor een persoon of groep.
27
Belangengroep
Organisatie die opkomt voor een groep mensen met gelijke belangen.
28
Christendemocratie
Een ideologie die zich laat inspireren door de Bijbel. Op sociaal-economisch gebied kiezen de aanhangers van deze ideologie niet voor de overheid of voor het individu, maar voor de maatschappij.
29
Politieke (midden-)ideologie, gebaseerd op religieuze beginsels.
Belangrijk vindt men zowel vrijheid als gelijkwaardigheid, rentmeesterschap, sociaal- economische problemen toevertrouwen aan het maatschappelijk middenveld, bijbelse waarden en normen.
30
Conservatisme
Een politieke stroming die zaken het liefst zoveel mogelijk bij het oude laat.
31
Dictatuur
Een regeringsvorm waarbij één persoon of een kleine groep alle macht heeft.
32
Gelijkwaardigheid
Het beginsel dat ieder in gelijke gevallen gelijk behandeld moet worden, ongeacht de verschillen tussen de personen. Vaak zeggen mensen 'gelijkheid' als zij 'gelijkwaardigheid' bedoelen. Het verschil tussen deze begrippen is: 'gelijkheid' betekent dat er geen verschillen tussen mensen zijn, 'gelijkwaardigheid' betekent dat er geen verschil in waarde is.
33
Ideaal
Iets waarvoor iemand zich wil inzetten, maar dat niet altijd iets hoeft te zijn waar deze persoon direct voordeel bij heeft. Bij idealen gaat het meestal om maatschappelijke doelen, die het persoonlijk belang overschrijden. Denk aan vrijheid, gelijkwaardigheid, milieu.
34
Invloed
Het vermogen om mensen beslissingen te laten nemen die ze zonder jouw bemoeienis misschien niet genomen zouden hebben. Invloed is niet hetzelfde als macht. Wie macht heeft, neemt beslissingen die voor anderen bindend zijn. Wie invloed heeft, zorgt dat mensen zich in een bepaalde richting bewegen. Als je wordt beïnvloed, heb je nog altijd zelf de keuze om iets te doen of niet. legitimiteit Het gegeven dat macht door de betrokkenen als terechte macht wordt ervaren.
35
Liberalisme
Een politieke stroming die vrijheid en zo weinig mogelijk regels van de overheid belangrijk vindt.
36
Macht
Het vermogen om besluiten te nemen die voor anderen bindend zijn.
37
Overheid
De instantie die een land of gebied bestuurt. De overheid bestaat uit alle instanties die zich bezighouden met openbaar bestuur, recht, orde en algemeen belang en die uit belastinggeld betaald worden.
38
Populisme
Een manier van politiek waarbij een partij zegt dat zij de wil van 'het gewone volk' volgen en tegen de elite zijn.
39
Progressief
Een politieke stroming die veranderingen wil en vooruit wil gaan met nieuwe ideeën.
40
Rechtsstaat
Een land waar iedereen zich aan de wet moet houden, ook de overheid.
41
Het centrale bestuur van ons land.
In Nederland bestaat de regering uit alle ministers en de koning.
42
Sociaaldemocratie
Een politieke stroming die wil dat iedereen gelijke kansen krijgt en de overheid daarbij helpt. Men wil verandering in de richting van een maatschappij waarin gelijkwaardigheid hoger wordt gewaardeerd dan vrijheid.
43
Vakbond
Organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers.
44
Vrijheid
De mogelijkheid om naar eigen wil te handelen, zonder beperkingen door anderen of overheden.
45
Waarden
Zaken die mensen belangrijk vinden. Idealen en belangen zijn vaak waarden.
46
Werkgeversorganisatie
Organisatie die opkomt voor de belangen van werkgevers.
47
Wet
Geschreven regels die voor iedereen in een land gelden.
48
Willekeur
Als machthebbers kunnen doen waar ze zin in hebben, zonder zich aan de regels te houden. Bijvoorbeeld: als de overheid willekeurige burgers laat arresteren, is het voor de burgers onduidelijk wat zij zouden kunnen doen om arrestatie te voorkomen.
49
Actief kiesrecht
Het recht om bij een verkiezing te stemmen.
50
Burgemeester
De hoogste bestuurder van een gemeente. Voorzitter van het college van
51
Commissaris van de koning
De hoogste bestuurder van een provincie. Voorzitter van de Gedeputeerde Staten van de provincie.
52
Debat
Een discussie tussen mensen of partijen waarin ze hun mening geven en proberen elkaar te overtuigen. In de Tweede Kamer is elke openbare discussie een debat.
53
Districtenstelsel
Een manier van stemmen waarbij elk gebied (district) één vertegenwoordiger kiest.
54
Evenredige
vertegenwoordiging Een manier van stemmen waarbij elke stem evenveel telt en partijen het aantal zetels krijgen dat past bij het aantal stemmen dat ze kregen.
55
Gemeenteraad
De volksvertegenwoordiging op gemeenteniveau. Te vergelijken met de Tweede Kamer op staatsniveau. Het aantal leden van de Gemeenteraad is verschillend en hangt af van het inwonertal van de gemeente.
56
Gemeenteraadsverkiezingen
Verkiezingen voor de gemeenteraad, om de vier jaar. Het stemrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen wijkt af van dat van de andere verkiezingen: ook niet-Nederlanders mogen, onder bepaalde voorwaarden, stemmen.
57
Kiesdeler
Het aantal stemmen dat nodig is voor één zetel in de Tweede Kamer. Het aantal geldig uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal beschikbare zetels is de kiesdeler.
58
Kiesdistrict
Een gebied in een land waar mensen stemmen op een kandidaat of partij.
59
Kiesdrempel
In sommige landen bestaat een kiesdrempel: Het minimum aantal stemmen dat een partij moet krijgen om in de volksvertegenwoordiging te komen.
60
Kiesgerechtigde
Iemand die bij verkiezingen het recht heeft om te stemmen.
61
Lijsttrekker
De lijsttrekker staat op nummer 1 op de kandidatenlijst van zijn partij. Meestal is het de politiek leider van een partij.
62
Minister
Iemand uit de regering die verantwoordelijk is voor een bepaald onderwerp, zoals onderwijs of gezondheid.
63
Opiniepeiling
Een onderzoek waarbij mensen gevraagd wordt wat ze ergens van vinden, bijvoorbeeld op welke partij ze gaan stemmen.
64
Passief kiesrecht
Het recht om als kandidaat aan verkiezingen deel te nemen.
65
Premier
De baas van de ministers in de regering. Minister-president.
66
Provinciale Staten
De volksvertegenwoordiging op provinciaal niveau. De Provinciale Staten worden eens in de vier jaar gekozen. Ze zijn vergelijkbaar met wat de Tweede Kamer op staatsniveau is. De leden van de Provinciale Staten kiezen de leden van de Eerste
67
Provinciale Statenverkiezing
Vierjaarlijkse verkiezing waarin de volksvertegenwoordigers op provinciaal niveau worden gekozen. Indirecte verkiezingen voor de Eerste Kamer.
68
Restzetel
Een zetel die overblijft na de verkiezingen en wordt verdeeld na het tellen van de stemmen. De restzetels worden verdeeld volgens een bepaalde, vrij ingewikkelde berekening.
69
Tweede Kamer
Het deel van de Nederlandse landelijke volksvertegenwoordiging dat rechtstreeks gekozen wordt. De Tweede Kamer heeft 150 leden. Elke vier jaar zijn er verkiezingen voor de
70
Tweede Kamerverkiezing
Verkiezingen voor de Tweede Kamer, het rechtstreeks gekozen deel van de volksvertegenwoordiging op landelijk niveau. De Tweede Kamerverkiezingen zijn in principe om de vier jaar. Als het kabinet eerder valt of aftreedt, zijn er opnieuw verkiezingen.
71
Verkiezingscampagne
Periode in de aanloop naar de verkiezingen, waarin de deelnemende partijen proberen om in de belangstelling van de kiezers te komen. Dit in de hoop zo veel mogelijk mensen ervan te overtuigen dat zij hun stem aan deze partij moeten geven.
72
Verkiezingsprogramma
Een partijprogramma dat met het oog op verkiezingen wordt geschreven. Daarin staan de standpunten en plannen van de politieke partij.
73
Volksvertegenwoordiging
De volksvertegenwoordiging zijn mensen die door het volk gekozen zijn om namens hen beslissingen te nemen.
74
Volmacht
Toestemming die je aan iemand anders geeft om namens jou te stemmen.
75
Voorkeurstemmen
De stemmen die zijn uitgebracht op individuele kandidaten, zijn voorkeurstemmen voor die kandidaat. Als een kandidaat voldoende voorkeurstemmen heeft gekregen, wordt hij rechtstreeks gekozen, ook al staat hij niet op een verkiesbare plek.
76
Waterschappen
Een waterschap is een regionaal bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de waterhuishouding in een gebied.
77
Waterschapsverkiezingen
Vierjaarlijkse verkiezingen voor het bestuur van de waterschappen.
78
Zwevende kiezer
Een burger die richting een verkiezing zijn of haar keuze nog niet bepaald heeft. Hij of zij twijfelt nog en 'zweeft' tussen verschillende mogelijke partijen.
79
Bewindslieden
De bestuurders die verantwoordelijk zijn voor het dagelijks beleid.
80
Coalitie
Een samenwerking van twee of meer politieke partijen die in de regering zitten. Bij voorkeur met een meerderheid.
81
Compromis
Afspraak tussen groepen met verschillende meningen om elkaar tegemoet te komen.
82
Formateur
Iemand die wordt aangewezen om een nieuwe regering te vormen.
83
Formatie
Het proces waarbij partijen samen een kabinet proberen te vormen na de verkiezingen.
84
Fractie
Een groep Kamerleden die deel uitmaakt van dezelfde politieke partij.
85
Fractievoorzitter
Een fractievoorzitter is de leider van een groep kamerleden die deel uitmaakt van eenzelfde politieke partij.
86
Informateur
Iemand die onderzoekt welke partijen kunnen samenwerken om een regering te vormen.
87
Kabinet
Landelijk bestuur, gevormd door de ministers en staatssecretarissen.
88
Minister
Iemand uit de regering die verantwoordelijk is voor een bepaald onderwerp, zoals onderwijs of gezondheid.
89
Premier
De baas van de ministers in de regering. Minister-president.
90
Regeerakkoord
Afspraken die partijen maken over wat ze willen doen als ze samen gaan regeren.
91
Het centrale bestuur van ons land.
In Nederland bestaat de regering uit alle ministers en de koning.
92
Staatssecretaris
Hoogste bestuurder in een ministerie na de minister. Verantwoordelijk voor een deel van het ministeriele beleid en lid van het kabinet.
93
Verkenner
Iemand die na de verkiezingen onderzoekt welke partijen kunnen samenwerken in een nieuwe coalitie.
94
Volksvertegenwoordiging
De volksvertegenwoordiging zijn mensen die door het volk gekozen zijn om namens hen beslissingen te nemen.
95
Algemene beschouwingen
De vergaderingen in de Tweede Kamer die gehouden worden na de jaarlijkse presentatie van de miljoenennota en de rijksbegroting. Alle fracties geven hun mening over de verschillende onderdelen van deze stukken en proberen eventueel nog zaken in de beleidsvoornemens te wijzigen.
96
Beleidsvoornemens
De plannen van de regering voor het beleid in de nabije toekomst.
97
Budgetrecht
De Eerste en de Tweede Kamer hebben het recht om de staatsuitgaven (de rijksbegroting) en de staatsinkomsten (de belastingheffing) te beoordelen en daarna te verwerpen of goed te keuren. Zo bepalen zij samen met de regering hoeveel geld de overheid zal uitgeven en waaraan zij dit zal besteden.
98
Burgerinitiatief
Een burgerinitiatief is een verzoek aan de Tweede Kamer om een uitgewerkt voorstel te bespreken en er een standpunt over in te nemen. Het burgerinitiatief is uitdrukkelijk een nieuw voorstel, niet een reactie op de wetgeving die de Tweede Kamer al heeft behandeld of nog gaat behandelen. Om een voorstel via burgerinitiatief op de agenda van de Tweede Kamer te krijgen, zijn 40.000 handtekeningen van burgers nodig.
99
Coalitiepartij
De partijen die samenwerken in de regering vormen samen de coalitie.
100
Constitutionele monarchie
Een land met een koning of koningin, waarbij de macht is geregeld in de grondwet.
101
Controlerende taak
De taak van het parlement om het doen en laten van de regering te controleren. De regering moet hiervoor het parlement goed informeren. In de praktijk is het vooral de Tweede Kamer die deze taak uitvoert.
102
Demissionair kabinet
Een kabinet dat is gevallen en in afwachting is van de formatie van een nieuw kabinet. Een demissionair kabinet mag geen belangrijke beslissingen meer nemen.
103
Eerste Kamer
Het indirect gekozen deel van de Staten-Generaal. Heet ook wel Senaat. De Eerste Kamer heeft 75 leden, die gekozen worden door de leden van de Provinciale Staten. Wetsvoorstellen die door de Tweede Kamer zijn behandeld en goedgekeurd, komen daarna in de Eerste Kamer. Die kan wetsvoorstellen niet meer veranderen, maar wel afkeuren.
104
Formatie
Het proces waarbij partijen samen een kabinet proberen te vormen na de verkiezingen.
105
Fractie
Een groep Kamerleden die deel uitmaakt van dezelfde politieke partij.
106
Gehaktdag
Vanouds was in Nederland de woensdag een dag waarop veel mensen gehakt aten. Vandaar de uitspraak 'woensdag gehaktdag'. In politiek Den Haag wordt 'gehaktdag' gebruikt om de derde woensdag in mei aan te duiden, ofwel Verantwoordingsdag: de dag dat de ministeries hun jaarverslagen presenteren aan de Tweede Kamer.
107
Grondrechten
Rechten die iedere burger heeft en die in een grondwet staan.
108
Interpellatierecht
Het recht van de volksvertegenwoordiging om een bestuurder op te roepen voor extra uitleg over een bepaald onderwerp. Het interpellatierecht is onderdeel van de controlerende taak van de volksvertegenwoordiging.
109
Kabinet
Landelijk bestuur, gevormd door de ministers en staatssecretarissen.
110
Miljoenennota
De jaarlijkse toelichting van de Nederlandse regering op de verwachte inkomsten en de uitgaven in de Nederlandse rijksbegroting. De miljoenennota wordt samen met de rijksbegroting op de derde dinsdag in september in een koffertje aan de Tweede
111
Ministerie
Een ministerie is een overheidsafdeling die een bepaald deel van het beleid van de regering voorbereidt en uitvoert. De leiding over een ministerie ligt in handen van een minister.
112
Ministeriële
verantwoordelijkheid Het feit dat de ministers verantwoordelijk zijn voor het beleid (en voor de acties van de koning).
113
Ministerraad
De vergadering van de ministers onder leiding van de premier.
114
Motie van wantrouwen
Een voorstel van de Tweede Kamer om te zeggen dat ze een minister of het hele kabinet niet meer vertrouwen.
115
Onderzoek- en enquêterecht
Het recht van de Tweede Kamer om een groot onderzoek te doen naar fouten van de regering.
116
Onschendbaar
Iemand die niet zomaar verantwoordelijk kan worden gehouden. In Nederland is de koning onschendbaar. Ministers zijn verantwoordelijk voor wat de koning zegt en doet.
117
Oppositiepartij
Politieke partij die niet vertegenwoordigd is in de regering.
118
Parlement
De gekozen volksvertegenwoordiging van een land. De Eerste Kamer en de
119
Petitie
Een verzoek, ondertekend door een groot aantal burgers, waarmee deze burgers de politici vragen iets te doen of te laten.
120
Premier
De baas van de ministers in de regering. Minister-president.
121
Prinsjesdag
Op de derde dinsdag in september, als het parlementaire jaar geopend wordt met de troonrede, de miljoenennota en de rijksbegroting. Een dag waarop traditioneel veel ceremonieel vertoon is, maar die ook een belangrijke politieke functie heeft.
122
Recht om moties in te dienen
Kamerleden kunnen moties indienen om een oordeel te geven over het gevoerde beleid, om de regering te vragen iets te doen of juist niet te doen of om meer algemeen een uitspraak te doen over bepaalde zaken of actuele ontwikkelingen. Moties kunnen bij de bespreking van elk onderwerp ingediend worden en ieder Kamerlid kan dat doen. Uiteindelijk worden alle moties in stemming gebracht.
123
Recht van amendement
Het recht van de Tweede Kamer om een wetsvoorstel aan te passen. Een amendement mag de bedoeling van een wetsvoorstel niet veranderen, maar kan wel (grote) gevolgen hebben voor (belangrijke) onderdelen van het beleid van een minister.
124
Recht van initiatief
Tweede Kamerleden hebben het recht om zelf een wetsvoorstel in te dienen. We noemen dat een initiatiefwetsvoorstel.
125
Rechterlijke macht
De rechters die controleren of mensen en de overheid zich aan de wet houden.
126
Regeerakkoord
Afspraken die partijen maken over wat ze willen doen als ze samen gaan regeren.
127
Het centrale bestuur van ons land.
In Nederland bestaat de regering uit alle ministers en de koning.
128
Rijksbegroting
Financeel beleidsdocument waarin staat hoeveel overheidsgeld er in het aankomend jaar voor elk beleidsterrein wordt gereserveerd.
129
Scheiding van de
staatsmachten Scheiding van de staatsmachten in de wetgevende-, uitvoerende- en rechterlijke macht.
130
Trias politica
De theorie van Montesquieu over de scheiding van de staatsmachten in de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
131
Troonrede
Door de koning op de derde dinsdag in september uitgesproken tekst, geschreven door het kabinet. De troonrede bevat de beleidsvoornemens voor het aankomende jaar.
132
Uitvoerende macht
Het vermogen om een gebied te besturen en de regels uit te voeren.
133
Vragenrecht
Het recht van Kamerleden om ministers of staatssecretarissen vragen te stellen of ter verantwoording te roepen. De verantwoordelijke personen uit de regering zijn verplicht op vragen van Kamerleden in te gaan. Elke dinsdagmiddag tijdens het zogenoemde vragenuurtje stellen Kamerleden mondelinge vragen; maximaal zes per vragenuur. De personen uit de regering die een of meerdere vragen moeten beantwoorden, zijn verplicht om op het mondelinge vragenuur aanwezig te zijn.
134
Wetgevende macht
Het vermogen om regels te maken die voor alle inwoners van een land bindend zijn.
135
Wetgevende taak
De taak om (nieuwe) wetten te maken voor het land. De regering en het parlement delen deze taak. De wetgevende macht ligt dus zowel bij het parlement als bij de regering.
136
Wetsvoorstel
Een plan voor een nieuwe wet dat nog goedgekeurd moet worden. 2.6