binding
verwijst naar de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of familie, tussen leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van de staat.
vier typen bindingen
groepsvorming
Het tot stand komen van bindingen tussen meer dan twee mensen,
doordat ze elkaar beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en
normen ontwikkelen.
2 soorten groepen
op basis van regels en doelen in groep:
- formele groep: officieel vastgelegde regels, doelen, hiërarchie en rollen
- informele groep: flexibele (veranderbare), regels, doelen, hiërarchie en rollen
op basis van positie van actor in de groep:
- ingroup: geeft de actor sociale bindingen en identiteit. positief beeld
- outgroup: de actor wijst deze af of wil ervan winnen; sluit deze uit. negatief beeld
sociale cohesie
Het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, lid te zijn van een gemeenschap, de mate van verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn, en de mate waarin anderen daar ook een beroep op kunnen doen.
drie factoren die sociale cohesie bevorderen
sociale instituties
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren.
sociale instituties zijn:
politieke instituties
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefening en politieke besluitvorming reguleren.
politieke institutie zijn door:
politieke partijen functies
representatie
De vertegenwoordiging van een groep in (politieke) organisaties door één of enkele betrokkenen die namens de groep optreden.
representativiteit
De mate waarin de (politieke) besluiten, de standpunten of achtergrondkenmerken van vertegenwoordigers overeenkomen met die van de groep die vertegenwoordigd wordt.
drie soorten risico’s in de maatschappij
van een maatschappelijk vraagstuk (ongewenste situatie in de samenleving waarbij de overheid betrokken is) een politiek vraagstuk maken
twee vormen van (on)veiligheid
moderne school
De moderne school gaat uit van daderrecht. De daad is wel hetgeen waarvoor de dader terechtstaat, maar binnen de moderne school is er veel meer aandacht hoe iemand tot het vergrijp is gekomen. Bij daderrecht wordt er gekeken naar de omstandigheden waarin hij tot zijn daad is gekomen en bij het geven van straf wordt gekeken welk effect het waarschijnlijk op de dader zal hebben.
De moderne school houdt rekening met biologische en psychologische verschillen tussen mensen en stelt dan ook dat persoonlijkheidskenmerken criminaliteit kunnen veroorzaken. Dat geldt ook voor sociologische verklaringen, zoals het opgroeien in armoede of het ontbreken van bindingen.
klassieke school
Bij de klassieke school staat de daad centraal (daadrecht). Zij vinden dat alle daders van een vergelijkbaar vergrijp dezelfde straf moeten krijgen. Het gaat immers om dezelfde daad, die moet bestraft worden.
De gelegenheidstheorie past bij de klassieke school en daarin wordt verwacht dat de crimineel een afweging maakt tussen kosten (straf) en baten (daad). Hoe hoger de straf, hoe hoger de mogelijke kosten. Afschrikking is het hoofddoel van straffen volgens de klassieke school.
(moderne school)
- biologische factoren
- bindingstheorie
- etiketteringstheorie, labelingstheorie, etiketteringstheorie of stigmatiseringstheorie
- anomietheorie
ideologen over positie klassieke school of moderne school
sociaaldemocratie: moderne school, veel aandacht voor de sociale omgeving en situatie
confessionalisme: lastig, gezin situatie is belangrijker voor gedrag van potentiele criminelen
liberalisme: klassieke school, de mens als rationeel(bewuste keuzes maken) individu