ἀγωνίζεσθαι
ἀγωνίζομαι deelnemen aan een wedstrijd
αἰδεῖσθαι
αἰδέ-ομαι zich schamen; eerbiedigen
ἁρπάζειν
ἁρπάζω meesleuren; plunderen
ἐκβάλλειν
ἐκ-βάλλω wegwerpen; verliezen
ἥδεσθαι
ἥδομαι zich verheugen (over), blij zijn (met)
εὔχεσθαι
εὔχομαι (+ dat.) wensen; bidden (tot)
μεταπέμπεσθαι
μετα-πέμπομαι ontbieden, laten komen
ὀργίζεσθαι
ὀργίζομαι (+ dat.) boos worden (op)
ὑπερβαίνειν
ὑπερ-βαίνω overtreden; overtreffen
βαθύς
βαθεῖα, βαθύ diep
κοινός
κοινή,κοινόν gemeenschappelijk
πόθεν;
(bw.) waarvandaan?vanwaar?
ποῖ;
(bw.) waarheen?
τὸ δέρμα
δέρματος de huid
ὁ ὄχλος
ὄχλου de menigte,de massa
τὸ ὕδωρ
ὕδατος het water
δειπνεῖν
δειπνέ-ω maaltijd houden,dineren
ἐγείρειν
ἐγείρω wekken, wakker maken; doen opstaan, doen rechtstaan
ἐπαινεῖν
ἐπ-αινέ-ω loven,prijzen, feliciteren
ζῆν
ζή-ω leven
τολμᾶν
τολμά-ω durven
ἑκών
ἑκοῦσα,ἑκόν vrijwillig
αὐξάνειν
αὐξάνω doen groeien; vermeerderen
ἐπιθυμεῖν
ἐπι-θυμέ-ω (+ gen.) begeren, verlangen (naar)