monter
naar boven gaan- ETRE
arriver
aangekomen-ETRE
aller
gaan-ETRE
rester
gebleven-etre
tomber
gevallen-etre
entrer
binnengaan-etre
naître
geboren-etre
NÉ⚠️
descendre
naar beneden gaan-etre
partir
vertrokken-etre
venir
gekomen-etre
VENU
passer
voorbijgegaan-etre
tourner
gedraaid-etre
sortir
naar buiten gaan-etre
mourir
gestorven-etre
MORT
être
geweest-été
avoir
gehad-eu
faire
gedaan-fait
dire
gezegd-dit
voir
gezien-vu
boire
gedronken-bu
lire
gelezen-lu
recevoir
ontvangen-reçu
mettre
gezet-mis
prendre
genomen-pris