Pathologie Flashcards

(182 cards)

1
Q

Geef de definitie van pathologie

A

Ziekteleer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Geef de definitie van orthopedie

A

Het onderdeel van de heelkunde dat zich speciaal bezighoudt met voorkoming en behandeling van ziekelijke vorm- en functieveranderingen van het actieve en passieve bewegingsapparaat

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Geef de definitie van etiologie

A

De leer der ziekte oorzaken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Geef de definitie van risicofactoren

A

omstandigheden die een ongunstige invloed uitoefenen op het ontstaan van een ziekte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Geef de definitie van pathogenese

A

het totaal der verschijnselen van een bepaald ziektebeeld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Geef de definitie van symptomatologie

A

het totaal der verschijnselen van een bepaald ziektebeeld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Geef de definitie van klinisch beeld

A

subjectieve en objectieve presentatie de aandoening bij een patient

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Geef de definitie van klinische tekenen

A

Ziekteverschijnselen die vastgesteld kunnen worden door bij voorbeeld laboratoriumonderzoek of beeldvormend onderzoek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is de andere term voor klinische tekenen

A

Semeions

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Prognose

A

Voorspelling omtrent het verdere verloop van een ziekte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Beloop

A

Beloop van een ziekte over de tijd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Prognostische factoren

A

factoren die verantwoordelijk zijn voor een (positieve/negatieve) verandering in het verloop van de aandoening

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Congenitaal

A

aangeboren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

a-

A

niet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

an-

A

niet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

algie-

A

pijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

auto-

A

zelf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

brady-

A

traag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

brachy-

A

kort

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

di-

A

dubbel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

dia-

A

door, afzonderlijk, tussen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

dys-

A

moeilijk, slecht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

epi-

A

op, boven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

ery-

A

rood

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
extra-
buiten, behalve, bovendien
26
haem
bloed
27
hem-
bloed
28
hemi-
half
29
hydro
water
30
hyper-
veel, hoog
31
hypo-
weinig, laag
32
infra-
onder
33
intra-
in, binnen
34
inter-
tussen
35
leuco-
wit
36
lipo-
vet
37
mal
kwaad, ziekte
38
mono-
één
39
myo-
spier
40
neo-
nieuw
41
oligo
weinig
42
path-
ziekte
43
per-
doorheen
44
peri-
rondom
45
pluri
veel (soortig)
46
poly
veel
47
post-
na
48
pre-
voor
49
re-
opnieuw
50
sclero-
hard
51
sub-
onder
52
supra-
boven
53
tachy-
snel
54
uni-
een
55
-algie
pijn
56
-ase
enzym
57
-cide
dodend
58
cyt
cel
59
-ectasie
verwijding
60
-ectomie
uitsnijding
61
-ese
toestand of vermogen
62
-geen
achtervoegsel in woordverbinding die een herkomst aangeven
63
-grafie
afbeelden, schrijven
64
-itis
ontsteking
65
-logie
leer van een wetenschap
66
-oom
gezwelvorming
67
-oma
gezwelvorming
68
-ose
aandoening
69
-pexie
fixatie, aanhechting
70
-plegie
met betrekking tot verlamming
71
-resectie
uitsnijding (gedeeltelijk)
72
-scopie
bekijken, inspecteren
73
-sectie
openen
74
-tomie
snijden
75
os
bot
76
cranium
schedel
77
thorax
borstkas
78
abdomen
buik
79
extremiteiten
ledematen
80
Geef de indeling van orthopedische aandoeningen
congenitaal erfelijk of congenitaal regiospecifiek congenitaal niet erfelijk of congenitaal gegeneraliseerd Verworven, trauma Verworven, surmenage Verworven, idiopatisch
81
Welke onderdelen zijn van belang in de pathologie
``` epidemiologie etiologie risicofactoren pathofysiologie symptomatologie beloop prognostische factoren behandeling ```
82
Wat is het verschil tussen een primaire en een secundaire frozen shoulder?
Primair is idiopatisch, secundair is ontstaan door een trauma.
83
Op welke leeftijd komt de frozen shoulder het meest voor?
56 jaar
84
Welke schouder is het vaakst aangedaan bij een frozen shoulder
de niet dominante schouder
85
Wat is de recidieve kans bij een frozen shoulder?
Bij 6 tot 17 % van de patienten met een frozen shoulder is de andere schouder binnen vijf jaar ook aangedaan.
86
Noem de drie fasen van een frozen shoulder
Freezing, frozen en thawing.
87
Wat is de behandeling in de freezing fase van de frozen shoulder?
De behandeling is gericht op pijndemping. Het meest effectief is een corticosteroiden injectie samen met fysiotherapie.
88
Wat is de behandeling in de frozen fase van de frozen shoulder?
De onderzoeken zijn niet eenduidig wat hier de beste behandeling is. Beweging is ten alle tijde goed. De vraag is of bewegen binnen de pijngrens het beste is of juist bewegen tot maximale uitslag.
89
Wat is de behandeling in de thawing fase van de frozen shoulder?
Het is vooral van belang om spierversterkende oefeningen te doen.
90
Noem de 6 factoren die de glenohumerale stabiliteit tot stand brengen
1. De vorm van de kop en de kom. 2. Ossale structuren: het acromion en het os coracoideum 3. Het labrum glenoidale 4. Het gewrichtskapsel en ligamenten 5. de rotatorcuffmusculatuur 6. de meer oppervlakkig gelegen musculatuur
91
Waarom is de rotatorcuffmusculatuur vooral actief in de middenstanden van de arm?
Omdat de ligamenten dan op zichzelf niet op spanning staan.
92
Waardoor kan de stabiliteit van het glenohumerale gewricht verminderen? Noem drie oorzaken.
1. beschadiging van de rand van het glenoid en/of het labrum glenoidale 2. zwakte van de rotatorcuffmusculatuur 3. Rupturen van de ligamenten
93
Wanneer is er sprake van een habituele schouderluxatie?
Als iemand een zo grote aangeboren hypermobiliteit heeft, dat hij zelf de schouderkop uit de kom kan trekken en hem er weer in kan duwen.
94
Welke ligamenten liggen in het acromioclaviculaire gewricht?
Lig. acromioclaviculare en ligament coracoclaviculare. Dit laatste ligament bestaat weer uit twee delen: het ligament conoideum en het ligament trapezoideum.
95
Welke spieren zorgen voor stabiliteit in het ac gewricht?
de m. deltoideus en de m. trapezius pars descendens
96
Geef een omschrijving van Tossy I
distorsie van het gewricht, minder dan een halve cm verplaatsing van de clavicula en het acromion ten opzichte van elkaar.
97
Geef een omschrijving van Tossy II
Subluxatie, dislocatie van het gewricht met een halve tot een hele cm. Relatieve hoogstand van de clavicula met pianotoetsfenomeen.
98
Bij welke "tossy" komt het pianotoetsfenomeen voor?
Tossy II
99
Geef een omschrijving van Tossy III
luxatie, dislocatie van het gewricht met meer dan een cm. Forse relatieve hoogstand van de clavicula
100
Wat is de meest voorkomende schouderluxatie en hoe vaak komt die voor?
Anterieure schouderluxatie
101
Waar bevindt zich de humeruskop bij een anterieure schouderluxatie?
voor de kom
102
Waar bevindt zich de humeruskop bij een posterieure schouderluxatie
achter de kom.
103
Hoe ontstaat een anterieure schouderluxatie?
Door een klap tegen de achterzijde van de schouder. De humeruskop wordt met veel kracht in abductie en exorotatie uit de kom gedrukt.
104
Hoe ontstaat een posterieure schouderluxatie?
door plotselinge krachtige spiersamentrekkingen van de posterieure schouderspieren, zoals bij een epileptische aanval of een elektroshok.
105
Wat is het symptoom van een anterieure schouderluxatie?
Zeer hevige en felle pijn in de schouder. De arm kan niet meer worden bewogen.
106
Noem 11 complicaties die zich kunnen voordoen bij een schouderluxatie
1. instabiliteit 2. recidieluxatie 3. labrumletsel 4. glenoidfractuur 5. Hill-Sachs-laesie 6. HAGL-laesie 7. Tuberculum majus fractuur 8. rotatorcuffletsel 9. neurologisch letsel 10. vasculair letsel 11. frozen shoulder
107
Waar begint de behandeling van een luxatie mee?
Met repositie.
108
Hoe ziet de behandeling van een schouderluxatie eruit?
De behandeling bestaat uit conservatieve therapie. Eerst vergroting van de stabiliteit, daarna het herstellen van beweegpatronen. De patient moet pijnprovocerende activiteiten vermijden.
109
Welke spier zorgt voor de eerste 90 graden abdicatie in de schouder?
De m. Deltoideus
110
In welke richting wordt de caput humeri getrokken door de m. Deltoideus bij de eerste 90 graden abductie?
Naar craniaal
111
Wat is de rol van de rotator cuff spieren bij abductie?
De humerus kop naar caudaal te trekken.
112
Wat is volgens de bron de belangrijkste reden voor het impingementsyndroom?
Het subacromiale weefsel wordt ingeklemd tussen de schouderklopje en het schouderdak.
113
Uit welke drie onderdelen bestaat het schouderdak?
Het acromion, het processus coracoideus en het ertussen gespannen ligament coraco acromiale
114
Welke 3 belangrijke structuren liggen subacromiaal?
Bursa acromialis, craniale deel van het gewrichtskapsel en de rotatorcuff pezen
115
Welke kenmerken treft men aan bij een impingement van subacromiale structuren? Noem er 6.
- Pijn ter plaatse van de deltoideus, meestal anterolateraal - pijn ontstaat of wordt erger bij het heffen van de arm. - painfull AFC - passieve en actieve endorotatie zijn meestal pijnlijk - weerstandskast abductie en exorotatie zijn pijnlijk - impingementtests zijn positief.
116
Waarom zou zowel een actieve als passieve endorotatie pijnlijk kunnen zijn?
Voor endorotatie worden verschillende spieren gebruikt van de rotatorcuff. De pezen van deze spieren lopen onder het acromiondak door. Als de pezen zijn opgezet, of de ruimte is kleiner, dan leidt dat tot schuring, zowel bij actief als bij passieve bewegingen.
117
In de bron wordt genoemd dat de inklemming van subacromiaal weefsel niet zozeer de oorzaak, maar meer het gevolg is van een pathologische toestand. Wat wordt daarmee bedoeld?
De inklemming wordt veroorzaakt door een verkleining van de subacromiale ruimte of doordat de subacromiale structuren meer ruimte innemen dan normaal. De oorzaak hiervan, is de feitelijk oorzaak.
118
Ondanks dat de rol van het type acromion in het ontstaan van een impingement vaak wordt onderschat, worden er verschillende typen acromion onderscheiden. Maak een onderscheid tussen de verschillende typen acromion.
Acromiontype 1: acromion is recht Acromiontype 2: acromion is licht gebogen Acromiontype 3: acromion is sterk gebogen
119
Hoe ontstaat de pijn in de pees en de verdikking van de pees bij tendinose van de m. Supraspinatus?
De pijn treedt op zodra de dichtheid van de neovascularisatie in de pees een bepaalde drempelwaarde heeft overschreden: vrije zenuwuiteinden die met bloedvaten meegroeien zijn verantwoordelijk voor het optreden van de pijn.
120
Als gevolg van welke peesaandoening ontstaan spontane rupturen in de rotatorcuff pezen?
Tendinose
121
Welke 5 factoren ondermijnen de sterkte van de rotator cuff pezen?
1. Leeftijd 2. Bewegingsarmoede 3. Gebruik van bepaalde medicijnen (corticosteroïden en fluorchinolonen) 4. Frequente microtraumata 5. Reumatische aandoeningen
122
Beschrijf de zeven gemeenschappelijke kenmerken van peesdegeneratie.
1. Collageenvezels lopen niet meer parallel aan elkaar. 2. Toename van de hoeveelheid matrix tussen de vezels (de pees zwelt op) 3. Verhoogde mate van ingroei van bloedvaten in het peesweefsel 4. Ingroei van vrije zenuwuiteinden in de bloedvaten 5. Partiële (mini)rupturen in het peesweefsel 6. Meer zwakke collageen III in de pees. 7. Ontstekingsremmende ontbreken in de pees
123
Beschrijf het functieonderzoek bij de patiënt met de rotatorcuff ruptuur
Bij het functieonderzoek vindt men: 1. Pijn en zwakte bij het heffen van de arm 2. De lagtest voor de desbetreffende spier is positief 3. De drop arm test is positief. 4. Wanneer het letsel klein is en de patiënt de arm nog actief kan heffen zijn er meestal symptomen die passen bij een impingement syndroom. Het letsel kan immers door zijn lokalisering subacromiaal worden ingeklemd door zwelling van het aangedane weefsel en door een craniale migratie van de humerus kop.
124
Beschrijf de oorzaak van een positieve drop arm test bij een RC ruptuur
De patiënt kan de arm zelfstandig tot 90 graden gecontroleerd laten zakken. Dit komt omdat dit deel van de beweging door de deltoideus plaats vindt. Onder de 90 graden heeft de patiënt geen controle meer. Vanaf 90 graden wordt de beweging uitgevoerd door de supraspinatus.
125
Beschrijf wanneer men besluit tot een operatieve ingreep of een conservatieve ingreep
Conservatief: betrekkelijk oudere personen met een passief leven, die geen sport beoefenen en geen zware belasting hebben. Operatief: goed resultaat van een operatie is te verwachten bij betrekkelijk jonge personen met gezond peesweefsel die kort na het letsel worden geopereerd.
126
Beschrijf hoe de conservatie therapie er uit ziet bij RC rupturen
Conservatieve therapie bestaat uit oefentherapie. Hierbij wordt het herstel van de geruptureerde musculatuur zoveel mogelijk gestimuleerd. Verder wordt de kracht van de intacte spieren verbetert. Ook de pectoralis major en de latissimus dorsi worden getraind.
127
Wat is de oorzaak van een scapulafractuur?
Een grote kracht van achter op de scapula
128
Wat is de oorzaak van een claviculafractuur?
Meestal een directe val op de schouder
129
Wat is de oorzaak van een subcapitale humerusfractuur
een val op een gestrekte arm
130
Waar bevindt zich de breuk bij een subcapitale humerusfractuur?
ter hoogte van het collum chirurgicum. Soms is ook het tuberculum majus of minus gebroken.
131
Hoe noemt met de breuk ter hoogte van het collum chirurgicum van de humurus?
Subcapitale humerusfractuur. Soms is ook het tuberculum majus of minus gebroken.
132
Hoe ontstaat een scapoidfractuur?
Door een val op de gestrekte arm met hyperextensie in de pols
133
hoe ontstaat een olecranonfractuur
Door een val op een uitgestrekte arm of bij een directe impact op het botuitsteeksel
134
Hoe ontstaat een radiuskopfractuur?
Door een val op een uitgestrekte arm of bij een directe impact op het bot aan de buitenzijde van de elleboog.
135
Hoe ontstaat een antebrachiifractuur?
Door een direct inwerkende kracht op de onderarm door een val of stoot
136
Wat is er gebroken bij een antebrachiifractuur?
zowel ulna als radius
137
Hoe wordt de breuk genoemd waarbij zowel de ulna als de radius gebroken zijn?
antebrachiifractuur
138
Hoe ontstaat een pareerfractuur?
direct inwerkend geweld op de onderarm.
139
Wat is er gebroken bij een pareerfractuur?
alleen de ulna
140
Hoe wordt een breuk van alleen de ulna genoemd?
pareerfractuur
141
Wat is een monteggiafractuur?
Een breuk in de ulna en een ontwrichting van de radiuskop.
142
Hoe ontstaat een monteggia fractuur?
Door een val op uitgestrekte hand met onderarm in extreme pronatie
143
Hoe heet de breuk van de ulna gecombineerd met een ontwrichting van de radiuskop?
monteggiafractuur
144
Wat is een galeazzifractuur?
een breuk van de radius en een ontwrichting van de ulna.
145
Hoe ontstaat een galeazzifractuur?
door direct inwerkend geweld op de dorsolaterale zijde van de pols of door indirect axiaal inwerkend geweld met geforceerde pronatie.
146
Hoe heet de breuk van de radius gecombineerd met een ontwrichting van de ulna?
Galeazzifractuur
147
Wat is de Collesfractuur?
een breuk in het distale einde van de radius
148
Hoe ontstaat een Collesfractuur?
voorover vallen en de val proberen op te vangen met uitgestrekte handen.
149
Hoe heet de breuk in het distale einde van de radius?
Collesfractuur
150
Wat is de Smithfractuur?
Breuk in het distale deel van de radius. De radius verplaatst naar de handpalm.
151
Hoe ontstaat een Smithfractuur?
De pols klapt voorover, dit kan bijvoorbeeld door achterover vallen met gestrekte hand.
152
Hoe heet de fractuur in het distale deel van de radius, waarbij de radius verplaatst is naar de handpalm?
Smithfractuur
153
Wat is een Bartonfractuur?
Een intra articulaire botbreuk van de distale radius waarbij het radiocarpale gewricht naar palmair luxeert.
154
Hoe ontstaat een bartonfractuur?
Door een val op uitgestrekte hand.
155
Hoe heet de intra articulaire botbreuk van de distale radius waarbij het radiocarpale gewricht naar palmair luxeert?
Bartonfractuur
156
Welke zenuw is gecomprimeerd bij het carpale tunnelsyndroom?
n. medianus
157
Op welke locatie is de n. medianus gecomprimeerd bij het carpale tunnel syndroom
carpale tunnel
158
Noem 5 risicofactoren voor het ontstaan van het carpale tunnel syndroom
``` overgewicht zwangerschap reumatoide artritis diabetes familiegeschiedenis ```
159
Beschrijf de anatomie van de carpale tunnel: waardoor wordt deze gevormd.
Door de 8 carpale botjes die in een kromming liggen. De kromming wordt overspannen door het retinaculum flexorum. Het retinaculum is bevestigd aan de radiale kant aan het os scaphoideum en aan het os trapezium. Aan de ulnaire kant is het bevestigd aan het os hamatum en het os pisiforme.
160
Welke structuren lopen er door de carpale tunnel?
1. de n. medianus 2. De vier pezen van de mm. flexores digit profundus 3. de vier pezen van de mm. flexores digiti superficialis 4. De pees van de m. flexor pollicis longus 5. De pees van de m. flexor carpi radialis 6. de peesscheden die de desbetreffende pezen omhullen.
161
Noem het verschil tussen neurapraxie, axonotmesis en neurotmesis
Bij neuropraxie is er alleen sprake van schade aan de myeline schede. Dit kan goed genezen. Bij axonotmesis is er sprake van een lokale onderbreking van de zenuwuitlopers. Genezing is stukken moeilijker. Bij neurotmesis is de gehele zenuw afgekneld. Deze schade kan niet meer genoezen.
162
Welke twee factoren kunnen bij het carpale tunnel syndroom zorgen voor afknelling van de zenuw n. medianus?
vernauwing van de tunnel en verdikking van de structuren.
163
Wat zijn mogelijke oorzaken van vernauwing van de tunnel bij het carpale tunnel syndroom? Noem 5 oorzaken.
1. een van nature nauwe carpale tunnel 2. verdikking van ligamenten die de carpale botstukken bekleden 3. luxatie van carpale botstukken 4. een eindsituatie na een genezen fractuur van carpale botstukken waarbij veel callusvorming is opgetreden. 5. druk van buitenaf
164
Wat zijn mogelijk oorzaken van verdikking van structuren bij het carpale tunnelsyndroom? Noem er 6.
1. zwelling van de pezen 2. zwelling van de peesscheden 3. oedeemvorming binnen in de pols 4. tumoren 5. zwelling of littekenvorming van carpale ligamenten 6. aandoeningen die weefselzwelling kunnen veroorzaken.
165
Wat zijn de symptomen van het carpale tunnelsyndroom? Noem er 7
1. Parestesieen, vooral in de wijsvinger, middelvinger, ringvinger en pink 2. pijn in hand, pols, onderarm en soms nog verder naar proximaal tot in de schouder 3. Hypethesie 4. Krachtsverlies 5. klachten treden opvallend vaak 's nachts op. 6. Na het opstaan uit bed bemerkt de patient vaak enig controleverlies over de hand, die daarna geleidelijk verdwijnt. 7. Vaak worden ook stoornissen in de zweetsecretie, temperatuurregeling en bloedvoorziening in de handpalm gezien.
166
Waarom zou bij het functieonderzoek zwakte en evt. atrofie van de duimmuis zichtbaar kunnen zijn bij het carpale tunnelsyndroom?
Omdat de n. medianus de korte duimspieren innerveert.
167
Bespreek de conservatieve behandeling van het carpale tunnelsyndroom
Voor zwangere vrouwen geldt er een afwachtend beleid. Verder zullen er ergonomsiche aanpassingen zijn. Eventueel kan er gekozen worden voor een corticosteroiden injectie. Ook kan gedacht worden aan immobilisering van de pols door middel van een nachtspalk
168
Beschrijf de pathofysiologie van een triggerfinger
Een triggerfinger ontstaat wanneer door verdikking van de flexorpezen van de vinger of vernauwing van de peesschede ter hoogte van het metcapofalangeale gewricht de pezen niet soepel meer door de peesschede glijden.
169
Wat is het verschil tussen een primaire en een secundaire triggerfinger?
Een primaire triggerfinger is idiopatisch, een secundaire triggerfinger komt voor bij patienten met diabetes, reumatoide artritis of jicht
170
Welke vingers zijn meestal aangedaan bij triggerfinger?
De duim, de middelvinger of de ringvinger
171
Bij graad IV triggerfinger is er sprake van een flexicontractuur in het proximale interfalangeaal gewricht. Wat is dit?
flexie contractuur wil zeggen dat de vinger of duim in buigstand staat en niet meer goed kan strekken.
172
Bij triggerfinger is mogelijk sprake van een tendovaginitis. Wat is dit?
Tendovaginitis is hetzelfde als tendosynovitis. Beiden betekent in de Nederlandse taal peesschedeontsteking. In de engelse taal is er wel onderscheid: daar wil synovitis zeggen dat het synoviaalvlies ontstoken is, terwijl bij vaginitis het fibreuze deel van de peesschede ontstoken is.
173
Waarom is flexor tendon entrapment de beste term om te benomen wat er plaatsvindt bij een triggerfinger?
Omdat de pees van een flexor spier vast komt te zitten in de peesschede
174
Beschrijf de symptomen van een triggerfinger
1. extensie van de vinger verloopt niet soepel, vaak met een klik. 2. bewegingen van de vinger kunnen pijnlijk worden.
175
Bespreek de conservatieve behandeling van een triggerfinger
1. beste methode is een corticosteroiden injectie | 2. Spalken geeft minder effect, maar kan gebruikt worden bij patienten die een injectie willen vermijden.
176
Welk verschil zit er tussen triggerfinger en depuytren contractuur?
Bij de triggerfinger zit het "probleem" in de vingergewrichten bij depuytren in de handpalm.
177
Van welke pezen is een tenosynovitis of tendovaginitis aanwezig bij de ziekte van Quervain?
de pezen van de abductor pollicis longus en de extensor pollicis brevis
178
Door welke extensorenloge lopen de pezen van de abductor pollicis longus en de extensor pollicis brevis?
het eerste compartiment van de extensorenloge ter plaatse van de processus styloideus radii.
179
Beschrijf de symptomatologie bij de ziekte van de Quervain
De patient heeft pijn rond de processus styloideus van de radius. De pijn straalt vaak uit naar distaal in de richting van de duim en naar proximaal in de onderarm. De pijn ontstaat vooral tijdens abduceren en extenderen van de duim.
180
Waarom is de term tenosynovitis of tendovaginitis niet helemaal correct bij de ziekte van de Quervain?
Er is geen sprake van inflammatoire cellen in het aangedane weefsel.
181
In welk opzicht lijkt morbus de Quervain op een tenniselleboog?
Ook bij de Quervain is er sprake van neovascularisatie en de daarop volgende groei van vrije zenuwuiteinden.
182
Beschrijf de behandeling bij de ziekte van Quervain
Relatieve rust en excentrische krachttraining. Eventueel een injectie.