staan in
to be in
in
in
bij
at, by, with
tussen
between
tussen (iets) in
between (something)
aan
on
zitten
to sit
zitten aan (het ontbijt, het middageten, het avondeten)
to have (breakfast, lunch, dinner)
wonen
to live
Nederland
the Netherlands
België
Belgium
voor
for
op
up, onto, on, upon
komen
to come
uit
out
vlakbij
near
naar
to
met
with
zonder
without
van
from
toe
towards
krijgen
to get
na
after
het station
station