Scheikunde H2 Reacties Flashcards

(29 cards)

1
Q

vanderwaalskracht

A

Zwakke aantrekkingskracht tussen moleculen die ze bij elkaar houdt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

vaste stof

A

Moleculen zitten dicht op elkaar, trillen maar blijven op hun plek; vaste vorm en vast volume.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

vloeistof

A

Moleculen zitten dicht op elkaar maar kunnen langs elkaar bewegen; vast volume, geen vaste vorm.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

gas

A

Moleculen zitten ver uit elkaar en bewegen snel en vrij; geen vaste vorm of volume.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

faseovergang

A

Verandering van vast ↔ vloeibaar ↔ gas doordat moleculen anders gaan bewegen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

absolute nulpunt

A

Laagst mogelijke temperatuur (0 K) waarbij moleculen bijna niet meer bewegen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Kelvin (K)

A

Temperatuureenheid; Kelvin = Celsius + 273.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

energie-effect

A

Of een reactie energie (warmte) afgeeft of opneemt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

exotherm

A

Reactie waarbij moleculen energie afgeven (warmte komt vrij).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

endotherm

A

Reactie waarbij moleculen energie opnemen (warmte wordt opgenomen).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

chemische reactie

A

Moleculen worden opgebroken en nieuwe moleculen ontstaan; er ontstaan nieuwe stoffen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

beginstoffen (reactanten)

A

Moleculen die vóór de reactie aanwezig zijn en gaan reageren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

reactieproducten

A

Moleculen die ná de reactie zijn ontstaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

reactieschema

A

Korte schrijfwijze van een reactie: beginstoffen → producten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

fase

A

De toestand waarin de moleculen van een stof zich bevinden: vast, vloeibaar of gas.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

ontleding

A

Eén soort molecuul valt uiteen in twee of meer andere stoffen.

17
Q

thermolyse

A

Ontleding van moleculen door warmte.

18
Q

elektrolyse

A

Ontleding van moleculen door elektrische stroom.

19
Q

fotolyse

A

Ontleding van moleculen door licht.

20
Q

vormingsreactie (synthese)

A

Twee of meer stoffen vormen samen nieuwe moleculen (één nieuwe stof).

21
Q

niet-ontleedbare stoffen

A

Stoffen waarvan de moleculen uit één soort atoom bestaan; deze kun je niet verder splitsen. (Elementen)

22
Q

wet van massabehoud

A

De totale massa van alle moleculen blijft gelijk bij een reactie.

23
Q

massaverhouding

A

De vaste verhouding waarin massa’s van stoffen met elkaar reageren.

24
Q

overmaat

A

Er zijn meer moleculen van een stof aanwezig dan nodig is (voor de reactie). In

25
ondermaat
Er is te weinig van een stof → daardoor reageert de andere stof niet volledig.
26
blokschema
Eenvoudige tekening met blokken en pijlen die laat zien welke stappen een proces heeft.
27
bewerkingen
De losse stappen in een proces, zoals verwarmen, mengen, filtreren of destilleren.
28
recirculeren
Een deel van de moleculen terugsturen naar een eerdere stap om ze opnieuw te gebruiken.
29
stofstroom
Hoeveelheid moleculen (materiaal) die per seconde of minuut door een deel van het proces gaat.