schoonmaak Flashcards

(39 cards)

1
Q

groothuishouding

A

in grote instellingen of organisaties ( ziekenhuizen, hotels, scholen) Schoonmaak, onderhoud en voedselbereiding voor veel mensen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

prive huishouding

A

In een privéwoning (huis, appartement, vakantiehuis). Dagelijks huishouden voor jezelf of je gezin,

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

arbeidsgericht

A

Je leert vooral door te werken en taken uit te voeren. Het gaat om resultaat en productief zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

belevingsgericht

A

dat de focus ligt op ervaringen en gevoelens en hoe iemand iets beleeft.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

ontwikkelingsgericht

A

Je leert door te groeien en nieuwe dingen te oefenen. Het gaat om jezelf verbeteren en het leerproces.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

ruw schoon

A

Basis schoonmaak, oppervlakkig: stof verwijderen, vuil zichtbaar weg.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

smetschoon

A

Grondig schoon: alles is hygiënisch, oppervlakken glanzen, geen vuil of vlekken te zien.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

huishoudelijk schoon

A

Niveau zoals bij normaal dagelijks huishouden: schoon, maar niet perfect glanzend.
Voorbeeld: stofzuigen, dweilen, afstoffen in een huis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Autoritaire opvoedstijl

A

Streng, regels staan centraal, weinig ruimte voor overleg. Kind moet gehoorzamen; emoties en meningen van het kind krijgen weinig aandacht.
Effect: vaak gehoorzaam, maar minder zelfstandig en creatief.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Democratische opvoedstijl

A

Ouders leggen regels uit en luisteren naar het kind.
Kinderen leren meebeslissen en verantwoordelijkheid te nemen.
Effect: vaak zelfstandig, sociaal vaardig en zelfverzekerd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Laissez-faire opvoedstijl

A

Ouders laten veel vrijheid, weinig regels of sturing.
Kind kan zelf beslissingen nemen, maar mist soms grenzen en structuur.
Effect: creatief en onafhankelijk, maar soms ook onzeker of ongehoorzaam.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Profitorganisatie

A

Bedrijf dat als doel heeft winst te maken.
Voorbeeld: supermarktketens, techbedrijven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Non-profitorganisatie

A

Organisatie die geen winst als doel heeft, maar maatschappelijke doelen nastreeft.
Voorbeeld: goede doelen, sportclubs, culturele instellingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

4 schoonmaakregels

A

Altijd van schoon naar vuil
Altijd van boven naar beneden
droog naar nat
Gebruik schoonmaakmaterialen op de juiste manier
Volg de juiste schoonmaakmiddelen en dosering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

evalueren

A

terugkijken, beoordelen, leren verbeteren, vormen van evaluatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

water en zeep

A

algemene reinig van oppervlakken, afwassen, handen wassen

17
Q

wasmiddel

A

reiniging van kleding en beddengoed in de wasmachine

18
Q

glasreiniger

A

schoonmaken van ramen, spiegels en oppervlakken van glas

19
Q

Allesreiniger

A

algemene reiniging van verschillende oppervlakken zoals vloeren en meubels

20
Q

natuurlijke grondstoffen

A

katoen, linnen, bamboe, wol, zijde

21
Q

kunstmatige grondstoffen

A

nylon, polyester, acryl, lycra

22
Q

rekening houden met natuur wassen

A
  1. Kies de juiste wastemperatuur
  2. Gebruik milieuvriendelijke wasmiddelen
  3. Vul de wasmachine volledig
  4. Vermijd onnodig voorwassen of te veel wassen
  5. Kies energiezuinige apparaten
  6. Droog natuurlijk als het kan
23
Q

waterontharder

A

waterontharder in wasmiddel is om hard water zachter te maken, zodat het wasmiddel beter kan werken.

24
Q

wasactieve stoffen

A

wasactieve stoffen in een wasmiddel is het verwijderen van vuil en vlekken van kleding.

25
optische witmiddelen
optische witmiddelen in wasmiddel is kleding witter en helderder laten lijken.
26
hard water
Hard water betekent water dat veel mineralen zoals calcium (Ca²⁺) en magnesium (Mg²⁺) bevat. kalk instaat
27
KEMA- keurmerk
is een veiligheids- en kwaliteitskeurmerk dat aangeeft dat een product getest is en voldoet aan bepaalde veiligheids- en prestatiestandaarden.
28
wasverzachter
Zacht wasgoed, makkelijker strijken, Vermindert statische elektriciteit, Frisse geur nadelen Kan de absorberende werking verminderen Niet goed voor bepaalde stoffen Milieu-impact
29
voedingspatroon
De manier waarop iemand regelmatig eten en drinken combineert.
30
conserveren
Het langer houdbaar maken van voedsel door bederf tegen te gaan.
31
schurende reiniger
verwijderen van hardnekkig vuil en vlekken op keuken en badkameroppervlakken
32
ontvetter
ontvetten van keukenoppervlakken, fornuizen, ovens
33
wc- reiniger
reinigen en ontsmetten van toiletpotten en omringende oppervlakken
34
ontkalker
verwijderen van kalkaanslag aan kranen, in water kokers, en huishoudelijke apparaten
35
desinfectiemiddel
doden van ziektekiemen en bacterien op oppervlakken zoals badkameroppervlakken
36
tapijtreiniger
reinigen van tapijten en stoffering
37
Roestverwijderaar
verwijderen van roestvlekken op metalen oppervlakken
38
sanitair reiniger
Dit gebruik je om de badkamer en het toilet schoon te maken. Het verwijdert kalk, zeepresten en vuil.
39
interieurreiniger
Dit gebruik je voor meubels en oppervlakken in huis, zoals tafels en kasten. Het maakt stof en licht vuil schoon