Taak 4. Flashcards

(43 cards)

1
Q

Wat is een factoriaal onderzoeksdesign?

A

Een soort onderzoek waarbij de onderzoeker meer dan één ding (onafhankelijke variabele) tegelijk onderzoekt of verandert om te zien wat er gebeurt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het doel van een factoriaal onderzoeksdesign?

A

Om te begrijpen hoe verschillende factoren samen invloed hebben op een resultaat — niet alleen apart, maar ook in combinatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoeveel onafhankelijke variabelen heeft een factoriaal onderzoeksdesign?

A

Meer dan één onafhankelijke variabele.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe wordt een onafhankelijke variabele ook wel genoemd in een factoriaal onderzoeksdesign?

A

Een factor.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat bedoelen we met “niveaus” of “condities” bij een onafhankelijke variabele?

A

De verschillende waarden of vormen die een onafhankelijke variabele kan aannemen binnen het onderzoek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat betekent een 2x2 factoriaal design?

A

Dat er twee onafhankelijke variabelen zijn, die elk twee niveaus hebben. Samen leveren die 4 combinaties van condities op.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Kun je een voorbeeld geven van een 2x2 factoriaal design?

A

Bijvoorbeeld:

  • Onafhankelijke variabele 1 = soort muziek (rustig / geen muziek)
  • Onafhankelijke variabele 2 = lichtniveau (fel / gedimd)
    Zo kan men onderzoeken hoe muziek en licht samen invloed hebben op concentratie.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is een interactie-effect in een factoriaal design?

A

Dat het effect van de ene factor afhangt van het niveau van de andere factor.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is een hoofdeffect in een factoriaal design?

A

Het afzonderlijke effect van één onafhankelijke variabele op de afhankelijke variabele, ongeacht de andere factoren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waarom is een factoriaal design nuttig?

A

Omdat het laat zien of variabelen niet alleen afzonderlijk, maar ook samen invloed hebben — iets wat bij enkelvoudige designs vaak onopgemerkt blijft.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welke vier assumpties gelden voor een (factoriële) ANOVA?

A
  1. Normale verdeling van de fouten (residuen) 2. Gelijke varianties (homoscedasticiteit) 3. Onafhankelijke observaties 4. Geen sterke uitbijters
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat betekent “normale verdeling van de fouten (residuen)” bij ANOVA?

A

De verschillen tussen voorspelde en werkelijke waarden moeten ongeveer normaal verdeeld zijn — dus geen scheve verdeling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat betekent “gelijke varianties (homoscedasticiteit)” bij ANOVA?

A

De spreiding van de scores moet in alle groepen ongeveer gelijk zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat betekent “onafhankelijke observaties” bij ANOVA?

A

De scores van deelnemers mogen elkaar niet beïnvloeden — elke deelnemer is een apart geval.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Waarom mogen er geen sterke uitbijters zijn bij ANOVA?

A

Omdat extreme waarden de resultaten kunnen vertekenen en verkeerde conclusies kunnen veroorzaken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat gebeurt er als de assumpties van ANOVA niet kloppen?

A

Dan kan de ANOVA verkeerde of onbetrouwbare conclusies geven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is een hoofdeffect in een factoriaal design?

A

Het afzonderlijke effect van één onafhankelijke variabele (factor) op de afhankelijke variabele.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is een interactie-effect in een factoriaal design?

A

Een effect waarbij de invloed van de ene factor afhangt van het niveau van een andere factor.

19
Q

Wat is een voorbeeld van een factor in een factoriaal design?

A

Bijvoorbeeld: * Factor A = soort les (digitaal of klassikaal) * Factor B = tijdstip van de les (ochtend of middag)

20
Q

Wat is het hoofdeffect van Factor A in het voorbeeld (lesmethode)?

A

Onderzoeken of het uitmaakt welke lesmethode iemand krijgt — digitaal of klassikaal.

21
Q

Wat is het hoofdeffect van Factor B in het voorbeeld (tijdstip)?

A

Onderzoeken of het uitmaakt op welk tijdstip de les plaatsvindt — ochtend of middag.

22
Q

Wat is de interactie A × B in dit voorbeeld?

A

Onderzoeken of de effectiviteit van de digitale les afhangt van het tijdstip (bijv. beter in de ochtend dan in de middag).

23
Q

Welke twee soorten interactie-effecten bestaan er?

A
  1. Kwantitatieve interactie (versterkend of verzwakkend) 2. Kwalitatieve interactie (kruislingse interactie)
24
Q

Wat is een kwantitatieve interactie?

A

De richting van het effect blijft hetzelfde, maar de sterkte verandert.

25
Geef een voorbeeld van een kwantitatieve interactie.
Koffie is altijd slecht voor slaap, maar bij mensen met meer stress wordt dat negatieve effect **sterker**.
26
Wat is een kwalitatieve interactie?
De **richting** van het effect verandert — er is sprake van een **omkering van het effect**.
27
Geef een voorbeeld van een kwalitatieve (kruislingse) interactie.
* Bij weinig stress: meer koffie → beter slapen * Bij veel stress: meer koffie → slechter slapen
28
Hoe herken je een kwalitatieve interactie in een grafiek?
De lijnen kruisen elkaar — vandaar de naam “kruislingse interactie”.
29
Wat is een moderator?
Een variabele die bepaalt **hoe sterk of op welke manier** twee andere variabelen met elkaar samenhangen.
30
Wat doet een moderator in een model?
De moderator **verandert het verband** tussen een oorzaak (X) en een gevolg (Y).
31
Wat betekent het als een verband “alleen bij sommige groepen” zichtbaar is?
De moderator zorgt dat het effect **alleen voor bepaalde groepen** geldt (bijv. stress beïnvloedt geluk alleen bij mensen met weinig steun).
32
Hoe kan een moderator een verband versterken of verzwakken?
* Veel steun → verband zwakker * Weinig steun → verband sterker
33
Hoe kan een moderator de richting van een verband omdraaien?
* Weinig steun: stress → minder geluk * Veel steun: stress → meer geluk (bijv. als uitdaging ervaren)
34
Welke variabelen zijn er in een moderatiemodel?
* **X:** predictor (oorzaak, bv. stress) * **Y:** afhankelijke variabele (gevolg, bv. geluk) * **Z:** moderator (bv. sociale steun)
35
Wat test het statistisch model bij moderatie?
De **interactie tussen X en Z** — dus: verandert het effect van X op Y afhankelijk van Z?
36
Wat betekent een significante interactie tussen X en Z?
✅ Er is **moderatie**.
37
Wie bepaalt wat de moderator is?
Jij, op basis van de **theorie** — de computer weet dit niet zelf.
38
Wat is een factoriële ANOVA?
Een analyse met **meerdere factoren** (onafhankelijke variabelen).
39
Wat is een lineair model?
Een **wiskundige manier** om effecten uit te drukken.
40
Wat betekent een interactie (A×B)?
Het effect van **A hangt af van de waarde van B**.
41
Wat zijn simple effects?
Het effect van één variabele **binnen één niveau** van de andere.
42
Wat is het verschil tussen interactie en moderatie?
* **Interactie:** statistische term * **Moderatie:** theoretische uitleg van die interactie
43
Wat zijn assumpties bij een ANOVA?
Regels waaraan data moet voldoen voor een **betrouwbare analyse** (zoals normaliteit, homogeniteit, onafhankelijkheid).