Thema 1 Flashcards

(30 cards)

1
Q

Wat is het primaire doel van een experiment volgens de Mills-methode?

A

Het vaststellen van causaliteit door uitsluiting van verstorende factoren.

De Mills-methode richt zich op het identificeren van oorzakelijke relaties door andere invloeden te elimineren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waar staat de letter ‘R’ voor in de symbolische notatie van Campbell & Stanley?

A

Randomisatie (willekeurige toewijzing aan condities).

Randomisatie is cruciaal voor het verminderen van bias in experimentele ontwerpen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat kenmerkt een ‘one-shot case study’?

A

Een pre-experimenteel design met enkel een manipulatie (X) en een nameting (O).

Dit type studie heeft geen controle groep en beperkt de mogelijkheid om causale conclusies te trekken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is het belangrijkste manco van pre-experimentele designs?

A

Gebrek aan controle over externe invloeden voor causale uitspraken.

Dit maakt het moeilijk om definitieve conclusies te trekken over de effecten van de manipulatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welk voordeel heeft een posttest-only design t.o.v. een pretest-posttest design?

A

Het elimineren van het testeffect (beïnvloeding door de voormeting).

Dit voorkomt dat de resultaten vertekend worden door de voormeting.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Definieer een ‘plafondeffect’.

A

Meetinstrument is te makkelijk; scores zijn maximaal, waardoor verschillen ondetecteerbaar zijn.

Dit kan leiden tot een gebrek aan variatie in de resultaten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is de essentie van het Solomon vier-groependesign?

A

Combinatie van posttest-only en pretest-posttest control om testeffecten te isoleren.

Dit ontwerp helpt bij het begrijpen van de impact van de voormeting.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is het verschil tussen een zuiver experiment en een quasi-experiment?

A

Quasi-experimenten maken gebruik van bestaande groepen zonder randomisatie (NR).

Dit kan leiden tot confounding variabelen die de resultaten beïnvloeden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat onderzoekt een longitudinaal design?

A

Veranderingen binnen dezelfde proefpersonen over meerdere tijdstippen.

Dit ontwerp is nuttig voor het bestuderen van ontwikkeling en veranderingen in gedrag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is ‘voormetingsensitisatie’?

A

Deelnemers worden door de voormeting bewust van het doel, wat hun reactie op de treatment beïnvloedt.

Dit kan de interne validiteit van het onderzoek bedreigen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is de kerndefinitie van ‘Informed Consent’?

A

Vrijwillige deelname op basis van volledige informatie over procedure en risico’s.

Dit is essentieel voor ethisch onderzoek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Noem het verschil tussen ‘active’ en ‘passive’ informed consent.

A
  • Active: expliciete toestemming (handtekening)
  • Passive: wie zwijgt, stemt toe

Dit onderscheid is belangrijk voor de ethiek van deelname aan onderzoek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat houdt het principe van ‘minimized harm’ in?

A

Het onderzoek is zo opgezet dat de belasting voor de proefpersoon minimaal is.

Dit principe is cruciaal voor het ethisch uitvoeren van onderzoek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wanneer is misleiding in onderzoek toegestaan?

A

Alleen bij methodologische noodzaak en indien de belasting proportioneel is aan de inzichten.

Dit moet altijd zorgvuldig worden overwogen en goedgekeurd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is het doel van ‘debriefing’?

A

Wegnemen van misconcepties en de proefpersoon in de oorspronkelijke stemming laten vertrekken.

Dit is een belangrijk onderdeel van ethisch onderzoek, vooral na misleiding.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is ‘statistische power’?

A

De waarschijnlijkheid dat een onderzoek een daadwerkelijk aanwezig effect detecteert.

Dit is cruciaal voor de interpretatie van onderzoeksresultaten.

17
Q

Welke drie factoren bepalen de power van een toets?

A
  • Steekproefgrootte (n)
  • Effectgrootte (d/ω²)
  • Significantieniveau (alpha)

Deze factoren zijn essentieel voor het ontwerp van een onderzoek.

18
Q

Waarom vereisen gepaarde t-toetsen minder deelnemers dan onafhankelijke t-toetsen?

A

Herhaalde metingen binnen personen reduceren de variatie tussen groepen.

Dit maakt het mogelijk om met een kleinere steekproef betrouwbare resultaten te verkrijgen.

19
Q

Wat was de centrale conclusie van Loftus & Palmer (1974)?

A

Post-event informatie (woordkeuze) kan de geheugenrepresentatie van een gebeurtenis reconstrueren.

Dit onderzoek toont aan hoe suggestieve vragen het geheugen kunnen beïnvloeden.

20
Q

Welk effect had het werkwoord ‘smashed’ in het experiment van Loftus?

A

Hogere snelheidsschattingen en een verhoogde (foutieve) rapportage van gebroken glas.

Dit illustreert de impact van taal op de herinnering.

21
Q

Definieer Bodemeffect.

A

Een fenomeen waarbij testscores nagenoeg allemaal minimaal zijn, waardoor verdere daling of verschillen niet gemeten kunnen worden.

Dit kan leiden tot een gebrek aan variatie in de resultaten.

22
Q

Wat is een cETO?

A

Commissie Ethische Toetsing Onderzoek; de instantie die bij de Open Universiteit mensgebonden, niet-medisch onderzoek toetst.

Dit is belangrijk voor de ethische goedkeuring van onderzoek.

23
Q

Wat is een Datamanagementplan?

A

Een document dat beschrijft hoe data wordt opgeslagen, geanonimiseerd en gearchiveerd, inclusief metadata.

Dit is essentieel voor de integriteit en toegankelijkheid van onderzoeksdata.

24
Q

Wat is Effectgrootte (Cohen’s d)?

A

Een maatstaf voor de sterkte van een verband; in de psychologie vaak tussen 0.2 (klein) en 0.5 (middel).

Dit helpt bij het interpreteren van de praktische betekenis van onderzoeksresultaten.

25
Wat is **Full Disclosure**?
Volledige transparantie over het onderzoeksproces, bij voorkeur gedocumenteerd in de voertaal van de wetenschap (Engels). ## Footnote Dit is belangrijk voor de geloofwaardigheid van het onderzoek.
26
Definieer een **Leading Question**.
Een vraag die door vorm of inhoud de getuige naar een specifiek, gewenst antwoord stuurt. ## Footnote Dit kan de betrouwbaarheid van getuigenissen beïnvloeden.
27
Wat zijn **Metadata**?
Data over de data die nodig is om databestanden te begrijpen (bijv. gebruikte vragenlijsten en analysescripts). ## Footnote Dit is cruciaal voor het correct interpreteren van onderzoeksdata.
28
Wat is de rol van de **METC**?
Medisch-Ethische Toetsingscommissie; noodzakelijk voor goedkeuring van onderzoek dat onder de WMO valt. ## Footnote Dit is belangrijk voor de ethische beoordeling van medisch onderzoek.
29
Wat is een **Type 1-fout**?
De onterechte conclusie dat er een effect aanwezig is (fout-positief), vaak door multiple testing bij kleine steekproeven. ## Footnote Dit kan leiden tot onterecht vertrouwen in onderzoeksresultaten.
30
Wat is de **WMO**?
Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen; de Nederlandse wettelijke implementatie van de Declaratie van Helsinki. ## Footnote Dit reguleert ethische normen voor medisch onderzoek.