rationeel optimisme en ‘verlicht
denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving; godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
voortbestaan van het ancien
régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
uitbouw van de Europese overheersing, met name
in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van abolitionisme
de democratische revoluties in westerse landen
met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap