cuire
gebakken ( bakken)
commencer
begonnen ( beginnen)
offrir
genoden ( bieden)
mordre
gebeten ( bijten)
attacher lier
gebonden ( binden)
paraître
gebleken ( blijken)
casser briser
gebroken ( breken)
rester
gebleven ( blijven)
apporter
gebracht ( brengen)
penser
gedacht ( denken)
faire
gedaan ( doen)
porter
gedragen ( dragen)
boire
gedronken ( drinken)
plonger
gedroken( duiken)
manger
gegeten ( eten)
aller
gegaan ( gaan)
guérir
genezen ( genezen)
profiter
genoten ( genieten)
donner
gegeven ( geven)
creuser
gegraven ( graven)
saisir
gegrepen ( grijpen)
prendre
gehangen ( hangen)
avoir
gehad ( hebben)
aider
geholpen( helpen)