Untitled Deck Flashcards

(18 cards)

1
Q

Oorzaak en gevolg

A

Een feit of gebeurtenis leidt tot een ander feit of gebeurtenis. “Ik denk niet dat we buiten gaan gymmen, want er is regen voorspeld.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Kenmerk of eigenschap

A

Een eigenschap van iets of iemand ondersteunt het standpunt. “Marco Borsato is een goede zanger, want hij zingt altijd loepzuiver.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Voor- en nadelen

A

Er wordt een afweging gemaakt tussen positieve en negatieve gevolgen. “Vwo-leerlingen moeten in vijf jaar hun diploma halen, want dan kunnen ze eerder aan hun vervolgstudie beginnen.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Voorbeelden

A

Het standpunt wordt ondersteund met één of meer voorbeelden. “Een topfunctie is haalbaar voor vrouwen, want Neelie Kroes was Eurocommissaris.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Vergelijking

A

Twee situaties worden vergeleken en er wordt een overeenkomst vastgesteld. “Als Geert meegaat krijgen we ruzie, de vorige keer liep het ook uit de hand.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Autoriteit

A

Het standpunt wordt ondersteund met een uitspraak van een deskundige of gezaghebbende bron. “Je kunt beter elektrisch poetsen, dat zei mijn tandarts.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Onjuist beroep op oorzaak-gevolgschema (onjuiste causaliteit)

A

De genoemde oorzaak is niet voldoende, of er is helemaal geen oorzakelijk verband. “Het is een drama dat Rutte president is, want sinds die tijd gaat het slechter met de euro.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Onjuist beroep op kenmerk- of eigenschapsschema

A

Er wordt aan één kenmerk te veel betekenis toegekend, terwijl andere relevante kenmerken worden genegeerd. “Onze conciërge kan goed met pubers omgaan, hij zal dus vast een prima leraar zijn.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Onjuist beroep op voor- en nadelenschema – overdrijven

A

De voor- of nadelen worden sterk overdreven. “Als je gaat hardlopen, wordt je geheugen veel beter en word je honderd.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Onjuist beroep op voor- en nadelenschema – vals dilemma

A

Er wordt gedaan alsof er slechts twee keuzes zijn, terwijl er meer mogelijkheden zijn. “Je moet op GroenLinks stemmen, tenzij je graag een rechtse regering wilt.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Onjuist beroep op voorbeeldenschema – overhaaste generalisatie

A

Op basis van één of enkele voorbeelden wordt een conclusie getrokken voor een hele groep. “Mijn opa dronk elke dag jenever en werd 98, dus alcohol is niet ongezond.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Onjuist beroep op vergelijkingsschema – verkeerde vergelijking

A

De vergelijking klopt niet of is niet relevant. “Er hoeft geen wc in de trein, in een bus zit er ook geen.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Onjuist beroep op autoriteitsschema

A

De aangehaalde autoriteit is niet deskundig of heeft belangen bij de zaak. “De economie is alleen te redden als de staat alle banken koopt – Gordon zei dat.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Persoonlijke aanval (ad hominem)

A

De persoon wordt aangevallen in plaats van het standpunt. “Wat weet jij van gezondheid, jij eet elke dag chips.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Ontduiken van de bewijslast

A

Men laat de ander het tegendeel bewijzen of weigert zelf argumenten te geven. “Natuurlijk moeten we meer bewegen, geef me één goede reden om dat niet te doen.”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Cirkelredenering

A

Het standpunt wordt herhaald als argument. “Vrijheid van meningsuiting is belangrijk, omdat iedereen moet kunnen zeggen wat hij denkt.”

17
Q

Vertekenen van het standpunt (stromanredenering)

A

Iemands standpunt wordt verdraaid, zodat het makkelijker aan te vallen is. “Man: ‘Vrouwen zijn soms snel geïrriteerd.’ – Vrouw: ‘Dus jij vindt dat ik een kort lontje heb?!’”

18
Q

Bespelen van het publiek

A

Het standpunt wordt zo geformuleerd dat tegenspreken moeilijk wordt. “U bent natuurlijk slim genoeg om te begrijpen dat versoepeling van de exameneisen geen goed idee is.”