Oorzaak en gevolg
Een feit of gebeurtenis leidt tot een ander feit of gebeurtenis. “Ik denk niet dat we buiten gaan gymmen, want er is regen voorspeld.”
Kenmerk of eigenschap
Een eigenschap van iets of iemand ondersteunt het standpunt. “Marco Borsato is een goede zanger, want hij zingt altijd loepzuiver.”
Voor- en nadelen
Er wordt een afweging gemaakt tussen positieve en negatieve gevolgen. “Vwo-leerlingen moeten in vijf jaar hun diploma halen, want dan kunnen ze eerder aan hun vervolgstudie beginnen.”
Voorbeelden
Het standpunt wordt ondersteund met één of meer voorbeelden. “Een topfunctie is haalbaar voor vrouwen, want Neelie Kroes was Eurocommissaris.”
Vergelijking
Twee situaties worden vergeleken en er wordt een overeenkomst vastgesteld. “Als Geert meegaat krijgen we ruzie, de vorige keer liep het ook uit de hand.”
Autoriteit
Het standpunt wordt ondersteund met een uitspraak van een deskundige of gezaghebbende bron. “Je kunt beter elektrisch poetsen, dat zei mijn tandarts.”
Onjuist beroep op oorzaak-gevolgschema (onjuiste causaliteit)
De genoemde oorzaak is niet voldoende, of er is helemaal geen oorzakelijk verband. “Het is een drama dat Rutte president is, want sinds die tijd gaat het slechter met de euro.”
Onjuist beroep op kenmerk- of eigenschapsschema
Er wordt aan één kenmerk te veel betekenis toegekend, terwijl andere relevante kenmerken worden genegeerd. “Onze conciërge kan goed met pubers omgaan, hij zal dus vast een prima leraar zijn.”
Onjuist beroep op voor- en nadelenschema – overdrijven
De voor- of nadelen worden sterk overdreven. “Als je gaat hardlopen, wordt je geheugen veel beter en word je honderd.”
Onjuist beroep op voor- en nadelenschema – vals dilemma
Er wordt gedaan alsof er slechts twee keuzes zijn, terwijl er meer mogelijkheden zijn. “Je moet op GroenLinks stemmen, tenzij je graag een rechtse regering wilt.”
Onjuist beroep op voorbeeldenschema – overhaaste generalisatie
Op basis van één of enkele voorbeelden wordt een conclusie getrokken voor een hele groep. “Mijn opa dronk elke dag jenever en werd 98, dus alcohol is niet ongezond.”
Onjuist beroep op vergelijkingsschema – verkeerde vergelijking
De vergelijking klopt niet of is niet relevant. “Er hoeft geen wc in de trein, in een bus zit er ook geen.”
Onjuist beroep op autoriteitsschema
De aangehaalde autoriteit is niet deskundig of heeft belangen bij de zaak. “De economie is alleen te redden als de staat alle banken koopt – Gordon zei dat.”
Persoonlijke aanval (ad hominem)
De persoon wordt aangevallen in plaats van het standpunt. “Wat weet jij van gezondheid, jij eet elke dag chips.”
Ontduiken van de bewijslast
Men laat de ander het tegendeel bewijzen of weigert zelf argumenten te geven. “Natuurlijk moeten we meer bewegen, geef me één goede reden om dat niet te doen.”
Cirkelredenering
Het standpunt wordt herhaald als argument. “Vrijheid van meningsuiting is belangrijk, omdat iedereen moet kunnen zeggen wat hij denkt.”
Vertekenen van het standpunt (stromanredenering)
Iemands standpunt wordt verdraaid, zodat het makkelijker aan te vallen is. “Man: ‘Vrouwen zijn soms snel geïrriteerd.’ – Vrouw: ‘Dus jij vindt dat ik een kort lontje heb?!’”
Bespelen van het publiek
Het standpunt wordt zo geformuleerd dat tegenspreken moeilijk wordt. “U bent natuurlijk slim genoeg om te begrijpen dat versoepeling van de exameneisen geen goed idee is.”