Untitled Deck Flashcards

(77 cards)

1
Q

Actieve kritiek

A

Kritiek waarbij de opponent zelf een tegengesteld standpunt inneemt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Amorele uitspraak

A

Uitspraak zonder norm of waardeoordeel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Argumentatiestructuur

A

Het patroon van ondersteuningsrelaties tussen argumenten en standpunt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Authenticiteit

A

Balans tussen interne (karakter) en externe (verwachtingen) bronnen van identiteit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Autonomie

A

Vermogen om zelfstandig en kritisch eigen keuzes en oordelen te vormen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Beraadslaging

A

Discussie over hoe te handelen of welke koers te volgen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Bewijskrachtkritiek

A

Kritiek op de mate waarin argumenten het standpunt ondersteunen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Categorisch imperatief

A

Universele morele wet die voor iedereen moet gelden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Causale argumentatie

A

Argumentatie op basis van oorzaak-gevolgrelaties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Common school

A

Openbare school waar leerlingen met verschillende achtergronden samen onderwijs volgen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Community

A

Sociale context waarin mensen relaties aangaan op basis van gedeelde waarden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Confessionele school

A

School gebaseerd op religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Contraire proposities

A

Proposities die niet tegelijk waar kunnen zijn, maar wel tegelijk onwaar.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Cultuur

A

Gedeelde waarden, praktijken en inzichten binnen een gemeenschap.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Deductieve argumentatie

A

Als premissen waar zijn, moet de conclusie waar zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Deontologie

A

Ethiek die uitgaat van plichten en vaste morele principes.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Deugd

A

Moreel waardevolle karaktereigenschap.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Discussie

A

Geordende uitwisseling van standpunten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Drogreden

A

Overtreding van een discussieregel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Drogredenkritiek

A

Beschuldiging dat de ander een drogreden gebruikt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Enkelvoudig geschil

A

Geschil over één kwestie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Enkelvoudige argumentatie

A

Argumentatie met één zelfstandig argument.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Formeel onderwijs

A

Onderwijs gericht op ontwikkeling van kritische vaardigheden en autonomie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Formeel logisch geldig

A

Geldig volgens een logisch redeneerschema.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Gemengd geschil
Geschil waarbij meerdere partijen een standpunt innemen.
26
Geschil
Verschil van mening over een kwestie.
27
Geldige redenering
Onmogelijk dat premissen waar zijn en conclusie onwaar.
28
Geluk
Evenwicht tussen zaken die het leven waardevol maken.
29
Hoofdgeschil
Het centrale meningsverschil in een discussie.
30
Houdbaarheidskritiek
Kritiek op de juistheid of aanvaardbaarheid van een argument.
31
Inductieve argumentatie
Argumentatie waarbij de conclusie waarschijnlijk wordt gemaakt.
32
Informatieve discussie
Discussie waarbij kennis wordt uitgewisseld zonder geschil.
33
Intrinsieke waarde
Waarde die iets op zichzelf heeft.
34
Irrelevant argument
Argument dat geen betrekking heeft op het standpunt.
35
Kwestie
Vraag of iets wel of niet het geval is.
36
Liberale neutraliteit
Principe dat de staat neutraal moet zijn t.o.v. levensbeschouwingen.
37
Logica
Studie van geldigheid van redeneringen.
38
Logisch mogelijk
Situatie die denkbaar is zonder logische tegenspraak.
39
Meervoudig geschil
Geschil over meerdere kwesties.
40
Meervoudige argumentatie
Meerdere zelfstandige argumenten voor hetzelfde standpunt.
41
Moraal
Geheel van normen en waarden.
42
Multicultureel onderwijs
Onderwijs dat pluralisme erkent en sociale rechtvaardigheid bevordert.
43
Negatief standpunt
Standpunt dat iets niet het geval is.
44
Negatieve vrijheid
Afwezigheid van dwang.
45
Nevenschikkende argumentatie
Meerdere argumenten die samen het standpunt ondersteunen.
46
Norm
Oordeel over wat moet of mag.
47
Onderhandeling
Discussie gericht op compromis.
48
Onderliggende redenering
Structuur waarin premissen leiden tot conclusie.
49
Onderschikkende argumentatie
Argument dat wordt ondersteund door een subargument.
50
Onderzoeksdiscussie
Discussie gericht op het vinden van waarheid zonder vast standpunt.
51
Opponent
Degene die het standpunt bekritiseert.
52
Permissie
Oordeel over wat is toegestaan.
53
Pluralisme
Erkenning van het bestaan van meerdere levensbeschouwingen/culturen.
54
Positief standpunt
Standpunt dat iets wel het geval is.
55
Positieve vrijheid
Beschikking over keuzemogelijkheden.
56
Premissen
Uitspraken die een conclusie ondersteunen.
57
Primaire waarden
Universeel aanvaarde waarden (zoals autonomie).
58
Proponent
Verdediger van het standpunt.
59
Propositie
Bewering die waar of onwaar kan zijn.
60
Relevantieregel
Argumenten moeten inhoudelijk betrekking hebben op het standpunt.
61
Ruzie
Emotionele discussie zonder oplossingsdoel.
62
Secundaire waarden
Waarden die afhangen van specifieke levensbeschouwingen.
63
Standpunt
Propositie die iemand verdedigt.
64
Standpuntsregel
Val alleen het daadwerkelijke standpunt aan.
65
Stroman
Verdraaien van het standpunt van de ander om het makkelijker aan te vallen.
66
Subgeschil
Geschil over een argument binnen het hoofdgeschil.
67
Tegenargument
Argument tegen het hoofdstandpunt.
68
Tegenwerping
Nieuw gegeven dat de bewijskracht van een argument ondermijnt.
69
Tegengestelde proposities
Proposities die niet tegelijk waar én niet tegelijk onwaar kunnen zijn.
70
Utilitarisme
Ethiek die handelingen beoordeelt op basis van gevolgen (maximalisatie geluk).
71
Verdedigingsplichtregel
Wie een standpunt inneemt moet het verdedigen.
72
Vrijheidsregel
Partijen mogen elkaar niet belemmeren in het uiten van standpunten.
73
Vrijheid
Mogelijkheid om keuzes te maken.
74
Vormend onderwijs
Kennismaking met een bepaalde levensvisie.
75
Waarde
Wat als belangrijk of wenselijk wordt beschouwd.
76
Welwillendheidsbeginsel
Argumenten zo redelijk mogelijk interpreteren bij beoordeling.
77
Zijn-behoren kloof
Uit feiten kunnen niet automatisch normen worden afgeleid.