Take
Nemen
work
werken
to know
weten
to stop
stoppen
to sit
zitten (op)
To live
wonen
to come
komen
to read
lezen
to write
schrijven
to do
doen
to see
zien
to have
hebben
to go
gaan
repeat
herhaal
Introduce (yourself)
Voorstellen (jezelf),
to talk
praten
continue
doorgaan
to give
geven
feel
voelen
shout
roepen
scare
schrikken
think
denken
bend
buigen
understand
begrijpen