come
Ik kom Ik kwam Ik ben gekomen.
Hij, Zij, Het komt Hij Zij, Het kwam Hij, Zij, Het is gekomen.
Wij komen Wij kwamen Wij zijn gekomen.
to be
Ik ben Ik was Ik ben geweest.
Hij, Zij is Hij, Zij, Jij was Hi is geweest.
U, Jij bent
Wij, Jullie zijn Wij, Zij waren Wij zijn geweest.
speak
Ik spreek Ik sprak Ik heb gesproken
Hi spreekt Hi sprak Hij heeft gesproken
Wij spreken Wij spraken Wij hebben gesproken
have
Ik heb Ik had
Hij heeft Hij had
Wij hebben Wij hadden