Voorrang Flashcards

(31 cards)

1
Q

Voorrangstrap

A

Eerst bevoegde persoon als er een bevoegde persoon aanwezig is gaan zij boven alles. Anders gebruik je de verkeerslichten. Als ze ontbreken zijn het dan de verkeersborden en als laatste de verkeersregels.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Algemene regels

A

De algemene regel: je moet voorrang geven aan bestuurders van rechts.
Je moet altijd voorrang geven aan spoorvoertuigen behalve als een bevoegd persoon anders zegt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Uitzondering algemene regel

A

Wie van een aardeweg of pad komt, moet voorrang geven.
Wie uit een verbod richting komt hoef je geen voorrang te geven.(mag de fietser wel dan geef je voorrang)
De weggebruiker die zich op een doorlopend trottoir of fietspad bevindt moet je altijd voorrang geven.
Een prioritair voertuig geef je altijd voorrang.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Verkeersborden

A

Soms zijn er verkeersborden die zeggen dat je voorrang aan rechts moet geven.
Het bord in de vorm van een omgekeerde driehoek betekent dat je altijd voorrang moet geven.
Het stoppen zelf doe je aan de haaientanden of het bord als niet aanwezig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Als er een stopbord is

A

Als er een stopbord is moet je altijd stoppen en voorrang geven.
Je stopt voor de stopstreep of aan het bord.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Blauw onderbord met afstand heeft aan

A

waar er kruispunt is waarbij je voorrang aan rechts moet geven/waar je moet stoppen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Dit bordt heeft aan dat ander je voorrang moet verlenen?

A

De dikke zwarte lijn is de hoofdweg met daarnaast de zijstraten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Voorrangsweg

A

Het oranje ruitvormig bord met witte rand heeft aan dat je op een voorrangsweg rijdt ( op alle kruispunten op die weg moeten de bestuurders jouw voorrang geven).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Onderbord loop van de weg

A

Een onderbord met loop van de weg duidt de loop van de weg aan waarop bestuurders bij het volgende kruispunt voorrang hebben.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Smalle doorgang

A

Bij een smalle doorgang geven de verkeersborden voorrang. De rode pijl heeft voorgang.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Verkeerslichten Positie

A

Positie = rechts van de baan (boven of links en op ooghoogte herhaald)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Verkeerslicht kleuren

A

Rood = stoppen aan de stopstreep (of licht als afwezig)
Oranjegeel = stoppen aan de stopstreep (of licht als afwezig) tenzij niet meer veilig dan mag je oversteken als je geen andere in gevaar brengt.
Groen = Voorbijrijden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

knipperend oranjegeel?

A

Mag je alleen met dubbele voorzichtigheid voorbij rijden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Soorten knipperend oranjegeel

A

Enkel licht of twee lichten die beurtelings branden
Als het middelste licht van driekleuren licht knippert werken de lichten niet.
Het specifieke geval oranje licht knippert in de plaats van groen, de lichten werken maar wees voorzichtig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Bijkomend licht

A

Bijkomend licht = Extra Licht met fietslogo en oranje pijl
Als dit knippert mag je als (brom)fietser de pijl volgen.
Je moet wel voorrang verlenen aan andere weggebruikers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Lichten in de vorm van pijlen
gebruik
van toepassing
positie

A

kunnen de gewone lichten vervangen. (=kleur en betekenis)
Enkel van toepassing voor de aangeduide richting.
Positie = rechts of boven rijstrook (worden links herhaald)

17
Q

Bijkomende groen pijlen
komen voor + betekenis

A

Komen voor bij rood en oranje, je mag enkel doorrijden in de richting van de pijl.
Je moet wel eerst voorrang verlenen.

18
Q

Groene ontruimingspijl

A

Groene ontruimingspijl
Helpt je naar links afslaan bij een kruispunt. Als hij brand hebben je tegenliggers rood.

19
Q

voorrang voetgangerslichten

A

Bestuurders moeten voorrang geven aan voetgangers bij voetgangerslichten.

20
Q

Vierkant groen

A

Vierkant groen
De aangeduide bestuurders mogen doorrijden van alle 4 richtingen.

21
Q

Knipperlichten bij overwegen

A

Twee beurtelings knipperend rood = Moet stoppen aan stopstreep
Maanwit knipperlicht = je mag oversteken.

22
Q

Bevoegd persoon
wie

A

P olitieagenten
M ilitaire politie
D ouaneagenten
triple
B randweer en civilebescherming
B P van openbaar vervoer
B rugwachters
S poorwegpolitie

23
Q

fluitsignaal

A

= aandacht trekken

24
Q

Een arm recht =

A

Een arm recht = stoppen

25
Armen horizontaal gestrekt
= stoppen als je van een richting komt die de armen dwars.
26
Armen horizontaal gestrekt Bijkomend kan een draaiende beweging komen =
je mag doorrijden.
27
Overdwarszwaaien met rood licht
stoppen
28
Zebrapad =
Zebrapad = Je mag er niet op stoppen, moet gebruikt worden door voetgangers binnen 20m
29
Doorlopend fietspad of trottoir
Doorlopend fietspad of trottoir = altijd voorrang verlenen / je mag er niet stoppen.
30
Dambordmarkering bestaan? Nut? Wat mag? Wat mag niet? 2de Nut? 3de Nut?
Bestaat uit witte vierkanten Bakent bijzondere overrijdbare bedding af die voorbehouden is voor het openbaar vervoer. Je mag hem op kruispunt dwarsen. Je mag er niet op stilstaan. Het kan ook de verbinding aanduiden tussen een bijzonder overrijdbare bedding en een eigen bedding van bus of tram. Kan ook worden aangebracht op een spoorwegovergang.
31
Voorsorteerstroken en -pijlen. + wisselen rijstroken
Afhankelijk van je richting moet je in een rijstrook sorteren. Je mag wisselen van rijstroken zolang er onderbroken witte strepen zijn. Bestaan ook voor fietsers of bromfietsers.