voorzetsels Flashcards

(78 cards)

1
Q

… je verlies berusten.

A

In je verlies berusten.
Na de nederlaag moest hij in zijn verlies berusten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Niet in verhouding staan … de prijs.

A

Niet in verhouding staan tot de prijs.
De kwaliteit staat niet in verhouding tot de prijs.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

… de verwachtingen voldoen.

A

Aan de verwachtingen voldoen.
De film voldeed niet aan de verwachtingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Dat ligt … de hand.

A

Dat ligt voor de hand.
Het ligt voor de hand dat hij boos is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Iets … prijs stellen.

A

Iets op prijs stellen.
Ik stel het op prijs dat je me helpt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Resulteren …

A

Resulteren in.
De fout resulteerde in een groot probleem.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

… uw wensen tegemoetkomen.

A

Aan uw wensen tegemoetkomen.
We proberen aan uw wensen tegemoet te komen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

… een diep dal gaan.

A

Door een diep dal gaan.
Na zijn ontslag ging hij door een diep dal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Er belang … hebben.

A

Er belang bij hebben.
Zij heeft er belang bij om te winnen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Iets … het hoofd zien.

A

Iets over het hoofd zien.
Ik heb een detail over het hoofd gezien.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Geen geloof … iets hechten.

A

Geen geloof aan iets hechten.
Hij hecht geen geloof aan die verhalen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Dat is … strijd met de wet.

A

Dat is in strijd met de wet.
Dit gedrag is in strijd met de wet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

We doen dat … voorbehoud.

A

We doen dat onder voorbehoud.
We accepteren het voorstel onder voorbehoud.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Ergens aanspraak … maken.

A

Ergens aanspraak op maken.
Hij maakt aanspraak op een vergoeding.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Iets toetsen … de feiten.

A

Iets toetsen aan de feiten.
We moeten de theorie aan de feiten toetsen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

… iemand te rade gaan.

A

Bij iemand te rade gaan.
Ik ga bij mijn collega te rade.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Ergens voordeel … hebben.

A

Ergens voordeel van hebben.
Je hebt voordeel van deze ervaring.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

… iets te koop lopen.

A

Met iets te koop lopen.
Hij loopt te koop met zijn nieuwe auto.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Iemand … wille zijn.

A

Iemand ter wille zijn.
Ik zal je ter wille zijn en meegaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Ergens benieuwd … zijn.

A

Ergens benieuwd naar zijn.
Ik ben benieuwd naar je mening.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Een vinger … de pols houden.

A

Een vinger aan de pols houden.
De dokter houdt een vinger aan de pols.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Iets … de kaak stellen.

A

Iets aan de kaak stellen.
De journalist stelde het probleem aan de kaak.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Aansprakelijk zijn … de schade.

A

Aansprakelijk zijn voor de schade.
De bestuurder is aansprakelijk voor de schade.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

… iemand gesteld zijn.

A

Op iemand gesteld zijn.
Ik ben erg op mijn collega gesteld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Iemand ergens ... overtuigen.
Iemand ergens van overtuigen. Hij probeerde mij van zijn idee te overtuigen.
26
Iemand ... verantwoording roepen.
Iemand ter verantwoording roepen. De minister werd ter verantwoording geroepen.
27
... schot willen blijven.
Buiten schot willen blijven. Hij probeert buiten schot te blijven.
28
Iemand ergens ... in kennis stellen.
Iemand ergens van in kennis stellen. We stellen u van de veranderingen in kennis.
29
... goeder trouw zijn.
Te goeder trouw zijn. Hij handelde te goeder trouw.
30
Kritiek hebben ...
Kritiek hebben op. Zij heeft veel kritiek op het plan.
31
... de deur in huis vallen.
Met de deur in huis vallen. Hij viel meteen met de deur in huis.
32
Ergens ... gebaat zijn.
Ergens bij gebaat zijn. Je bent erbij gebaat om vroeg te beginnen.
33
Behoefte ... iets hebben.
Behoefte aan iets hebben. Ik heb behoefte aan rust.
34
Wij refereren ... uw brief.
Wij refereren aan uw brief. Wij refereren aan uw brief van gisteren.
35
Zich ... de toekomst beraden.
Zich op de toekomst beraden. Ze beraadt zich op de toekomst.
36
Veel voeten ... de aarde hebben.
Veel voeten in de aarde hebben. Het plan had veel voeten in de aarde.
37
Niet ... rede vatbaar zijn.
Niet voor rede vatbaar zijn. Hij was niet voor rede vatbaar.
38
... basis van de feiten.
Op basis van de feiten. We nemen een beslissing op basis van de feiten.
39
Iemand ... zich in het harnas jagen.
Iemand tegen zich in het harnas jagen. Hij jaagde iedereen tegen zich in het harnas.
40
Het ... een andere boeg gooien.
Het over een andere boeg gooien. We moeten het over een andere boeg gooien.
41
42
Houd je ... kaas?
Houd je van kaas?
43
De poes kijkt ... buiten.
De poes kijkt naar buiten.
44
Waar denk je ...?
Waar denk je aan?
45
De mensen praten altijd ... het weer en de politiek.
De mensen praten altijd over het weer en de politiek.
46
Zij zoekt altijd ... haar sleutels.
Zij zoekt altijd naar haar sleutels.
47
We luisteren ... de mooie muziek.
We luisteren naar de mooie muziek.
48
De mensen dromen ... een gelukkig leven.
De mensen dromen van een gelukkig leven.
49
Ik wil je even herinneren ... onze afspraak.
Ik wil je even herinneren aan onze afspraak.
50
Je moet vragen ... de directeur.
Je moet vragen aan de directeur.
51
Om negen uur beginnen we ... de les.
Om negen uur beginnen we met de les.
52
De les duurt ... twaalf uur.
De les duurt tot twaalf uur.
53
Volgende week trouwt mijn neef ... zijn tandarts.
Volgende week trouwt mijn neef met zijn tandarts.
54
We lenen een paar eieren ... de buren voor de taart.
We lenen een paar eieren van de buren voor de taart.
55
Met 65 jaar stoppen de meeste mensen ... hun werk.
Met 65 jaar stoppen de meeste mensen met hun werk.
56
Ze kunnen niet goed wennen ... het weer in Nederland.
Ze kunnen niet goed wennen aan het weer in Nederland.
57
Hij verdient veel geld ... het verkopen van drugs.
Hij verdient veel geld met het verkopen van drugs.
58
De ouders brengen hun kinderen ’s morgens ... de school.
De ouders brengen hun kinderen ’s morgens naar de school.
59
Om drie uur halen ze hun kinderen weer op ... de school.
Om drie uur halen ze hun kinderen weer op van de school.
60
We bestellen een pizza ... de Italiaan.
We bestellen een pizza bij de Italiaan.
61
De buurman klopt ... de deur.
De buurman klopt op de deur.
62
Je moet bij het zebrapad oppassen ... de scooters.
Je moet bij het zebrapad oppassen voor de scooters.
63
Die kinderen vragen ... straf door hun ongehoorzaamheid.
Die kinderen vragen om straf door hun ongehoorzaamheid.
64
Ik ben benieuwd ... de cijfers.
Ik ben benieuwd naar de cijfers.
65
Hij is verantwoordelijk ... de organisatie.
Hij is verantwoordelijk voor de organisatie.
66
Zij verwachtte veel ... het feest.
Zij verwachtte veel van het feest.
67
Ik moest hem herinneren ... de afspraak.
Ik moest hem herinneren aan de afspraak.
68
Ik kom maar niet ... toe.
Ik kom maar niet naar toe.
69
Nederland komt ... een sterk elftal.
Nederland komt met een sterk elftal.
70
Hij wilde niet ingaan ... mijn voorstel.
Hij wilde niet ingaan op mijn voorstel.
71
Als dat gebeurt, kan je aanspraak maken ... een schadeadviseur.
Als dat gebeurt, kan je aanspraak maken op een schadeadviseur.
72
Hij zit helemaal in de knoop ... zichzelf.
Hij zit helemaal in de knoop met zichzelf.
73
Hij was erg ... de indruk ... de goede sfeer in het team.
Hij was erg onder de indruk van de goede sfeer in het team.
74
... overeenstemming ... voor onze afspraak was hij er om tien uur.
In overeenstemming met voor onze afspraak was hij er om tien uur.
75
... tegenstelling ... wat hij eerder beweerde, kwam hij toch naar de voorstelling.
In tegenstelling tot wat hij eerder beweerde, kwam hij toch naar de voorstelling.
76
Veel jongeren zijn bewust of onbewust ... de ban ... de reclame.
Veel jongeren zijn bewust of onbewust in de ban van de reclame.
77
Je doet dat meestal ... combinatie ... een ander vak.
Je doet dat meestal in combinatie met een ander vak.
78
... initiatief ... een paar leerlingen werd een groot feest georganiseerd.
Op initiatief van een paar leerlingen werd een groot feest georganiseerd.