Week 2 ABCDE Flashcards

(57 cards)

1
Q

Stappen Airway

A

1 spreek aan; is er ademhaling?

2 kijk; is er verontreiniging in de mond, braaksel, bloed, losse tanden, corpus alienum? (als iemand praat vragen of diegene iets in de mond heeft)

3 luister; hoorbare ademhaling? partiële obstructie (snurken, stridor, rochelen)?

4 voel: is er een luchtstroom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

wanneer hoor je rochelen? en wat moet je dan doen?

A

verontreiniging mond (vooral vloeibaar)

vloeistof uitzuigen met yankauer, hierna opnieuw luisteren!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

wanneer hoor je een stridor?

A

zwelling t.p.v. de larynx (=lager dan de tong)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

wanneer hoor je snurken?

A

verslapte tongmusculatuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

welke luchtwegmanoeuvres zijn er (snurkende patiënt)?

A

-head-tilt/chin-lift
-jaw thrust –> bij verdenking CWK letsel

> als het snurken opgeheven wordt dan ga je een luchtwegdevice gebruiken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

welke luchtwegdevices zijn er?

A

-mayo (oropharyngeale) tube
-nasale (nasopharyngeale) tube

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

wat zijn contra-indicaties van de verschillende tubes?

A

mayo tube: iemand die niet bewusteloos is.

nasale tube: mogelijk schedelbasisfractuur (bloed hersen barrière is dan verstoord en kan een meningitis veroorzaken).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

wanneer ga je intuberen?

A

als er veel lucht in de longen staat (met positieve druk intuberen, zodat O2 er makkelijker in komt).

> voorbeelden: hitteletsel door brandend huis (trachea kan gaan zwellen).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

wat ga je doen bij een snurkende patiënt?

A

luchtwegmanoeuvre, indien effectief dan luchtwegdevice

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

wat ga je doen bij patiënt met een stridor?

A

-anafylaxie –> adrenaline.

-na halsoperatie bloeding in KNO gebied –> bloeding ontlasten.

-infecties (kroep/pseudokroep) –> steroïden.

-oedeem na radiotherapie KNO gebied –> dexamethason om vocht te beperken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

5 red flags airway

A

1 verminderd bewustzijn
2 snurkende ademhaling
3 stridor
4 zwelling tong
5 stemverandering (er is iets mis in de keel)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

welke stabiliserende acties zijn er in de A?

A

-altijd zuurstof 15 L/min via NRM
-overweeg immobilisatie CWK
-uitzuigen.
-luchtweg manoeuvres
-mayo tube/nasale tube.
-overweeg noodzaak intubatie.
-stabiele zijligging

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Stappen Breathing

A

1 kijken; inspectie thorax (kleur/huidafwijking/rash/zweten), postuur, ademhalingsfrequentie, ademinspanning (hulpademhalingsspieren), symmetrie ademexcursies (trachea midlijn).

2 luisteren; met stethoscoop naar ademgeruis, bijgeluiden?

3 voelen; trachea in midlijn/deviatie, thoraxexcursies (hand t.h.v. diafragma), percussie evt. voor pleuravocht, subcutaan emfyseem bij trauma patiënten, AF tellen.

4 monitoring en diagnostiek; spO2 (saturatie), bloedgas (pO2 bij nagellak of koude vingers), X-thorax.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

welke saturatie is voor welke patiënt voldoende?

A

normaal: 94-98%
COPD: 88-92%

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

wat doe je bij bronchospasmen?

A

bronchusverwijder

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

wat doe je bij een pneumothorax?

A

naaldthoracocentese OF thorax drain (bij meer tijd).

> bij een spanningspneumothorax moet het (naaldthoracocentese) binnen een halfuur gebeuren anders overlijd de patiënt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

welke problemen komen in A B C D E voor?

A

A; obstructie

B; astma aanval, exacerbatie COPD, longoedeem, (spannings)pneumothorax, pneumonie, pleuravocht, longembolie

C; shock

D; metabole ontregeling

E; koorts

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

oorzaken pleuravocht (=vocht tussen beide longvliezen)

A

transudaat (vocht); decompensatie Cordis, pancreatitis, levercirrose

exsudaat (eiwitten); maligniteit, pneumonie, empyeem (ophoping pus), hematothorax (ophoping bloed in pleuraholte), chylothorax (melkvloeistof in thorax), auto-immuun

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

wat is de behandeling van longembolie?

A

antistolling of trombolyse (gevaarlijk)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

welke cave moet je opletten bij astma?

A

silent chest; hoort geen piepen, bij lang genoeg bestaan –> reanimatie setting (er is geen luchtuitwisseling)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

welke 2 vormen COPD zijn er en welke behandeling?

A

1 chronische bronchitis; inflammatie en beschadiging bronchiën, toename slijmproductie en slijmvliesdikte, >3maanden/jr klachten.

2 longemfyseem; beschadiging alveoli, veranderde structuur, collaborerende longblaasjes. (airtrapping en hyperinflatie)

> behandeling: ontstekingsremmers, luchtwegverwijders, (AB).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

wat zijn oorzaken van een (spannings)pneumothorax?

A

-zonder bekende afwijkingen
-anatomie patiënt
-bij chronische longafwijkingen
-posttraumatisch/iatrogeen (door de arts veroorzaakt)

behandeling; indien nodig drainage, naalddecompressie bij spanningspneumothorax (ventielwerking; lucht gaat thorax in en kan er niet uit, lucht zit buiten de long daardoor verplaatst het hart en trachea naar de andere kant, bloed komt niet meer het hart in –> overlijden).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

waardoor kan je kortademig worden door metabole acidose?

A

metabole acidose geeft respiratoire compensatie (hyperventilatie) –> kortademigheid.

diagnose; arterieel/veneus bloedgas.

DD: keto-acidose, lactaatacidose, bij ernstige nierinsufficiëntie.

> behandeling afhankelijk van de oorzaak.

24
Q

7 red flags breathing

A

1 verminderd bewustzijn

2 cyanose

3 saturatie <90%

4 asymmetrische thoraxexcursies

5 trachea deviatie en distress

6 ademfrequentie <10 en >29

7 onvermogen om tot 5 te tellen binnen één ademhaling

25
Stappen Circulation
1 kijk; kleur, zweten (kan passen bij shock), CVD. 2 luisteren; cortonen, souffles. 3 voel: polsdruk (regulair equaal), capillary refill time, temperatuur extremiteiten 4 diagnostiek/monitoring; saturatie, pols en BD, ECG, urineproductie en bloedgas met lactaat! IV TOEGANG (2x; 1 voor vocht en 1 voor medicatie) (urine productie loopt achter op de feiten; niet nuttig in acuut moment)
26
definitie shock
=reductie in systemische weefselperfusie --> minder O2 toevoer.
27
wat zijn de effecten van shock op cellulair niveau?
-celmembraan-pomp dysfunctie -intracellulair oedeem -lekkage van celinhoud naar extracellulair -verstoring van de pH (metabole acidose)
28
wat zijn de effecten van shock op extracellulair niveau?
-verstoring van de pH (metabole acidose) -endotheel dysfunctie -stimulatie van inflammatoire en anti-inflammatoire cascades
29
4 soorten shock
1 hypovolemische shock (koud) 2 cardiogene shock (koud) 3 obstructieve shock (koud) 4 distributieve shock (warm)
30
kenmerken en oorzaken hypovolemische shock
=veroorzaakt door een tekort aan circulerend volume. 1 bloedverlies; trauma, gastro-intestinale bloeding, inwendige bloeding. 2 vocht/zouten verlies; diarree/braken, heatstroke, transpireren, brandwonden, verlies naar de ''3e ruimte''. >kliniek; hypotensie/tachycardie/tachypnoe, lage CVD, koude extremiteiten, oligurie (=verminderde urineproductie). >behandeling; ABCDE, oorzaak behandelen, resuscitatie, het expert help.
31
indeling hypovolemische shock
-bloedverlies >40%; acute levensbedreigende situatie. --> klassieke shockverschijnselen duidelijk zichtbaar. -bloedverlies 50%; bewustzijnsverlies. --> wegvallen meetbare pols en bloeddruk.
32
kenmerken en oorzaken cardiogene shock
=pompfalen van het hart, waardoor er een verlies van cardiac output (CO=SVxHF) is. 1 cardiomyopathieën (vooral als gevolg van myocardinfarct). 2 arytmieën; atriumfibrilleren, atriumflutter, ventrikeltachycardie etc. 3 mechanische afwijkingen; klepelen, geruptureerde ventrikelwand, VSD/VSR. >kliniek; hypotensie/tachycardie/tachypnoe, longoedeem, CVD verhoogd, koud en klam, oligurie. >behandeling; ABCDE, oorzaak behandelen! NIET VULLEN! geen diuretica, get expert help, inotropica (medicatie waardoor het hart harder knijpt)
33
3 soorten distributieve shock
1 sepsis 2 neurogene shock/dwarslaesie 3 anafylaxie
34
kenmerken en oorzaken distributieve shock
=veroorzaakt door vaatverwijding door afname vaatwandspanning/weerstand. 1 sepsis 2 neurogene shock/dwarslaesie 3 anafylaxie >kliniek; hypotensie/tachycardie/tachypnoe, warme extremiteiten/vasodilatatie en klam! CVD normaal, oligurie, tekenen van infectie of anaylfaxie of neurologische afwijkingen, febriel (koorts). >behandeling; ABCDE, behandel onderliggende oorzaak, bij sepsis zsm AB, bij anafylaxie zsm adrenaline, resuscitatie, get expert help.
35
kenmerken en oorzaken obstructieve shock
=veroorzaakt door obstructie in de circulatie. 1 ruiterembolie 2 spanningspneumothorax 3 harttamponade >kliniek; hypotensie/tachycardie/tachypnoe, verhoogde CVD, oligurie. >behandeling; ABCDE, onderliggende oorzaak behandelen, bij ruiterembolie; antistolling, bij spanningspneumothorax zsm venflon/drain, bij tamponade; pericardiocentesis (afvoeren vocht), get expert help.
36
7 red flags circulatie
1 verminderd bewustzijn 2 diffuse bleekheid 3 duidelijk zweten 4 systolische BD <90 mmHg 5 HF >140/min 6 gemarmerde huid/knieën 7 aritmieën gepaard met hypotensie --> naar combinatie van BD en HF kijken
37
definitie sepsis
=levensbedreigende situatie met orgaandysfunctie, ontstaan door disregulatie van de immuunrespons van de host, in reactie op infectie.
38
wat is qSOFA?
=score hoe ziek patiënt is en hoe slecht prognose van sepsis is. -hypotensie <100 systolisch -verward gedrag -tachypneu >22/min --> bij een score van 2 of meer grotere kans op slechte uitkomst van sepsis.
39
5 kenmerken ontsteking
1 dolor (pijn) 2 rubor (roodheid) 3 calor (warmte) 4 tumor (zwelling) 5 functie laesie (functieverlies)
40
wat is een infectie? en kolonisatie? bacteriëmie?
=ontstekingsreactie op MO, invasie van normaalgesproken steriel weefsel. -kolonisatie; bacteriën die geen infectie veroorzaken. -bacteriëmie; bacteriën in de bloedbaan (kan als sepsis eindigen).
41
wat gebeurt er met elk orgaan bij orgaanfalen in sepsis?
hart; hypotensie, shock lever; verhoogd bilirubine en/of gestoord lactaatmetabolisme nier; verminderde urineproductie en/of kreatinine-stijging long; ernstige oxygenatiestoornissen (ARDS) brein; verwardheid, EMV daling beenmerg; trombopenie en/of stollingsstoornissen (DIS)
42
definitie septische shock
=shock die ondanks adequate volume resuscitatie (vulling) blijft bestaan. 1 vasopressine nodig om MAP>65 mmHg te behouden. 2 lactaat >2 mmol/L.
43
behandeling sepsis opgedeeld in diagnostiek, therapie en follow-up
-diagnostiek; min. 2 bloedkweken (AB aanpassen, versmallen, stoppen), lactaat. -therapie; vocht, zuurstof, AB, source control (abces ontlasten of septische artritis spoelen bv.) -follow-up: urine productie (gaat de patiënt weer plassen) --> als uitkomstmaat dat perfusie nieren voldoende is en de nieren weer goed werken.
44
hoe AB toedienen?
-binnen 1 uur na presentatie -breedspectrum (empirisch) -bron, verwekker, lokaal resistentiepatoron. -kijk naar oude kweken, recent AB gebruik en allergie > golden hour; als mensen na 36 uur behandeld worden hebben ze een slechtere uitkomst
45
Stappen Disability
1 bewustzijn; EMV (denk aan antidota) 2 nekstijfheid 3 glucose 4 PEARRL (pupillen) 5 lateralisatie
46
Glasfgow Coma Schale (EMV)
Eyes 4= spontaan open 3= open op aanspreken 2= open op pijnprikkel 1= geen reactie Motorische respons 6= opdrachten uitvoeren 5= lokaliseren 4= terugtrekken 3= abnormaal buigen 2= strekken 1= geen beweging Verbale respons 5= georiënteerd en adequaat 4= verward 3= losse woorden 2= geluiden, kreunen 1= geen reactie
47
Hoe interpreteer je EMV score
-EMV 9-14; gedaald bewustzijn -EMV kleiner of gelijk aan 8: coma als >6 uur --> bedreigde luchtweg, overweeg intubatie.
48
Bij een bloeding of infarct kan een links rechts verschil zijn wat betreft lateralisatie, wat noteer je dan?
Je noteert de beste kans (dus bv. de arm die het beste reageert).
49
waar kijk je bij PEARRL naar (3 dingen)
grootte, isocorie, reactie op licht Pupils are equal and round and reactive to light
50
hoeveel glucose geef je bij glucose <4.0 mmol/l?
bolus glucose; 10 gram (bijvoorbeeld 50 ml 20%) (of eten) --> controleer het effect
51
bij welke ziektebeelden kan je nekstijfheid zien?
meningitis encefalitis subarachnoïdale bloeding >meningisme (prikkeling hersenvliezen) kan ook bij een pneumonie
52
Waar moet je opletten wat betreft neurologische uitval?
-herken lateralisatie -herken afasie; heel lang verhaal en zinnen vertellen of niet kunnen praten --> CVA verdenking (FAST)
53
monitoring en behandeling Disability
-vervolgen EMV score (wordt het beter na interventies) -vervolgen glucose -overweeg: antidota, AB (bij meningitis), antivirale therapie, anti-epileptica, aanvullende diagnostiek/expert help
54
Stappen Exposure
1 meten lichaamstemperatuur 2 huid bekijken (huiduitslag/Rash, wonden/trauma, littekens) 3 voorkomen afkoelen patiënt
55
bij welk ziektebeeld kan je purpura zien?
vasculitis
56
waardoor kan angio oedeem komen?
medicatie; ACE-remmers --> dit geeft asymmetrisch oedeem
57
welke bacterie is berucht voor het veroorzaken van een septische shock met een toxic shock syndroom?
Streptococcen groep A (hemolytisch=vleesetend) toxic shock syndroom= toxines geproduceerd door bacterie, geven systemische inflammatoire reactie met complexen die neerslaan, wat kan leiden tot multi orgaan falen (klontjes in bloedvaten).