G-CSF (granulocyt kolonie stimulerende factor)
ontwikkeling neutrofiele grannulocyten (witte bloedcellen)
EPO (erytropoetine)
aanmaak rode bloedcellen
TPO (thromobopoietine)
aanmaakt van megakaryocyten die vervolgens trombocyten (bloedplaatjes) vormen
3 hoofdgroepen membraan receptoren
twee categorieën enzym gebonden receptoren
tyrosine kinase receptoren
enzymactiviteit zit in receptor zelf
vb: FLT3
NON- RTK
receptor zelf heeft geen enzym activiteit maar is er wel aan gekoppeld
vb. EPO, TPO, G-CSF
fosforylering dmv kinases (noem 2)
wat gebeurd er bij fosforylering
onder invloed van ATP wordt een fosfaatgroep gekoppeld aan een aminozuur
4 kenmerken voor receptoren voor bloedcel groeifactoren
snappen plaatje 7 slim studeren deel 2
echt ff bekijken!
signaalmoleculen die aan JAK binden moeten..
een SH2 domein hebben (laatste 3 eiwitten verschillen per signaal molecuul)
dit past precies op P-Y (gefosforyleerde receptor)
defosforylerings moleculen
SHP1
kan specifiek binden aan een SH2 domein om het JAK te deactiveren dmv phosphatase
RAS mutaties
naast p53 mutaties meest voorkomend in alle soorten tumoren
Ras -eiwit functie
belangrijk voor celdeling en overleving van de cellen
aan tyrosine kinase bind:
Ras wordt geactiveerd door
via geactiveerde JAK kinase wat bind met Grb2, deze rekruteert vervolgens GEF/Sos en activeert zo RAS
GEF en GAP
GEF = activeert RAS
GAF = hydrolyseert (inactiveert) RAS
Het RAS eiwit zelf zorgt ook voor
een hele lage activiteit hydrolyse (dus afbraak)
als er een mutatie in RAS zit
kan GAP er niet meer aan binden en de cascade niet stoppen
= als GAP bind aan RAS hydrolyseerd RAS zichzelf en het proces
AML
receptor strong FLT3 receptor
CML
receptor storing Abl tyrosine-kinase (BCR-ABL)
acute lymfoblastaire leukemie (ALL)
IL-7 receptor en JAK2 receptor storing