Week 5 Flashcards

(26 cards)

1
Q

Hoe komt de buccopharyngeale membraan aan de ventrale zijde van het embryo te liggen?

A

Dit komt door de sterke groei van de hersenen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het stomodeum

A

Primitieve mond-neusholte, ligt tussen hersenen en hart van embryo

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het stomodeum

A

Primitieve mond-neusholte, ligt tussen hersenen en hart van embryo

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waarom is steunweefsel belangrijk

A

Zonder steun geen beweging en geen vorm

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Eigenschappen van steunweefsel

A
  • Continuteit (vezels lopen door in bot)
  • Veranderlijk (als je veel aan een bot trekt krijg je een uitstulpsel)
  • Bepaalt vorm (maakt onderverdelingen in lichaam)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn gewrichten

A

Verbindingen tussen twee botten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat voor botverbindingen heb je?

A
  • Van bindweefsel
  • Van kraakbeen
  • Van bot
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke botverbindingen van bindweefsel heb je?

A

Sutuur, syndesmosis, gomphosis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke botverbindingen van kraakbeen heb je?

A

sunchondrosis en symphysis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Waar vind je botverbindingen van bot?

A

sacrum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waaruit bestaan synoviale gewrichten?

A

Een kapsel, sunovia (soort smeervloeistof) en hyalien kraakbeen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Waarom is de congruentie van een gewricht belangrijk?

A

Omdat als het hoog is, dan past het goed wat de beweging beperkt. Wanneer het laag is, is er meer bewegingsvrijheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke vier accesoire structuren zijn er en wat is hun functie?

A
  • Discus articularis → twee gewrichtsvlakjes, nodig om druk te verbeteren.
  • Bursa →structuur om wrijving tegen te gaan, zit op spier en gewricht.
  • Peesschede →zakje om pees, beschermt
  • Sesambeen →geeft dat een pees zich kan bewegen ten opzichte van een gewrict.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is het verschil tussen spoelvormige en meerspierige spieren?

A

Spoelvormige zijn geschikt om een grote verkorting te geven, meerspierige vooral om veel kracht te leveren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de origo van een spier?

A

Dichtste punt bij het zwaartepunt van het lichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

wat is de insertie van een spier?

A

Het punt meer richting distaal

16
Q

wat is de insertie van een spier?

A

Het punt meer richting distaal

17
Q

Wat is het verschil tussen een spurt en een shunt?

A

Bij een spurt wordt de meeste kracht gebruikt om het distale punt omhoog te brengen. Bij een shunt gaat de meeste kracht zitten in verstevigen van een gewricht.

18
Q

Wat is de functie van een agonist?

A

De spier die de beweging inzet

19
Q

Wat is de functie van een antagonist?

A

spier die de beweging afremt

20
Q

Wat is een synergist

A

een helperspier

21
Q

Wat is het verschil tussen mono-, bi- en poly-articulair?

A

Mono gaat over een gewricht, bi- en poly- lopen over meerdere gewrichten.

22
Q

Wat is actieve insuffiecientie?

A

De volledige beweging niet mogelijk maken

23
Q

Wat is passieve inssuficientie?

A

De beweging mogelijk maar de spier komt tot maximale lengte.

24
Wat zijn concentrische contracties?
Spier spant aan en wordt korter
25
Wat zijn excentrische contracties?
spier wordt lagner, maar moet wel kracht leveren.