WFT Flashcards

(373 cards)

1
Q

Wat is de AVG

A

Algemene verordening gegevensbescherming.
De belangrijkste regels voor het omgaan met persoonsgevoelige informatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Doelen AVG

A

De AVG heeft meerdere doelen:

  1. het verbeteren van de privacyrechten van personen.
  2. meer verantwoordelijkheden voor organisaties.
  3. gelijke bevoegdheden voor alle Europese privacytoezichthouders.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Grondslagen organisaties onder AVG

A
  1. de toestemming van de klant voor een of meer specifieke doeleinden.
  2. de noodzaak voor het sluiten of uitvoeren van een overeenkomst met de klant.
  3. de noodzaak om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de organisatie rust.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Toestemming AVG

A

Ontbreekt de noodzaak om persoonsgegevens te verwerken? Dan heeft de organisatie simpelweg toestemming van de klant nodig voordat ze persoonsgegevens mag verwerken. De klant moet die toestemming in vrijheid kunnen geven. Dit houdt in dat de klant de toestemming altijd weer mag intrekken zonder dat aan die intrekking negatieve gevolgen zijn verbonden.

Een organisatie moet kunnen aantonen dát een klant toestemming heeft gegeven voor het verwerken van zijn persoonsgegevens en hoe de klant die toestemming heeft gegeven. Deze verantwoordingsplicht ligt niet bij de klant.

Ten slotte mag de organisatie de gegevens alleen gebruiken voor een specifiek doel. Als de organisatie de gegevens wil gebruiken voor meerdere doeleinden, moet ze voor ieder doel opnieuw toestemming vragen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Overeenkomst AVG

A

Een financiële instelling of adviseur hoeft aan de klant geen toestemming te vragen als sprake is van een overeenkomst die het noodzakelijk maakt om die persoonsgegevens te verwerken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een klant die een serviceabonnement afsluit bij een financieel adviseur. De adviseur kan zich beroepen op deze grondslag, omdat het verwerken van de persoonsgegevens noodzakelijk is voor het uitvoeren van de overeenkomst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wettelijke verplichting AVG

A

Sommige organisaties zijn verplicht om bepaalde persoonsgegevens te bewaren op basis van een wettelijke bewaartermijn. Omdat dit wettelijk is geregeld, kan de organisatie hiervan niet afwijken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kopie van een ID-kaart, opgevraagd door een bank. De bank heeft een wettelijke identificatieplicht (cliëntenonderzoek) en hoeft dus geen toestemming te vragen voor het verwerken van de persoonsgegevens op de ID-kaart.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Burgerservicenummer

A

Organisaties mogen alleen het Burgerservicenummer (BSN) verwerken als daar een wettelijke reden voor is. De volgende organisaties moeten hun gegevens halen uit de BRP waar het BSN is te vinden:

pensioenuitvoerders (zowel pensioenfondsen als pensioenverzekeraars), voor bijvoorbeeld de uitvoering van de Pensioenwet;
banken, voor bijvoorbeeld de gegevensuitwisseling met de Belastingdienst of voor de uitvoering van het depositogarantiestelsel;
verzekeraars, voor de uitvoering van verschillende wetten:
levensverzekeraars, voor bijvoorbeeld de uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
inkomensverzekeraars, voor bijvoorbeeld de uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA),
zorgverzekeraars voor bijvoorbeeld het uitvoeren van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
het Centraal Administratie Kantoor (CAK), voor bijvoorbeeld de uitvoering van de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw);
het kadaster, voor bijvoorbeeld de uitvoering van de Kadasterwet;
de Stichting Waarborgfonds Eigen Woning (SWEW), voor bijvoorbeeld de uitvoering van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG);
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), voor bijvoorbeeld de controle van goede patiëntenzorg;
de Autoriteit Financiële Markten (AFM), voor bijvoorbeeld de uitvoering van de Wft;
het UWV, voor bijvoorbeeld de uitvoering van de WIA; en
de Sociale verzekeringsbank (SVB), voor bijvoorbeeld de uitvoering van de Zvw.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

BRP

A

Basisregistratie Personen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Rechten consument onder AVG

A
  1. het recht op inzage.
  2. het recht op vergetelheid.
  3. het recht opdataportabiliteit.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Boete AVG

A

Voldoet een organisatie niet aan de AVG? Dan kan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de organisatie een boete opleggen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

AP

A

Autoriteit Persoonsgegevens

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

standaard proces openen betaalrekeningen

A
  1. vaststelling identiteit aan de hand van een geldig legitimatiebewijs;
  2. controle aanvrager in verschillende (fraude)systemen (voorbeelden: het Bureau Krediet Registratie (BKR), Verificatie Informatie Systeem (VIS) en Externe Verwijzings Applicatie (EVA));
  3. opname klantgegevens (naw-gegevens);
  4. toekenning rekeningnummer;
  5. opmaak overeenkomst rekening-courant en ondertekening van de Algemene Voorwaarden;
  6. opmaak handtekeningenkaart om vast te leggen wie gerechtigd is tot de rekening (toekomstige controlemogelijkheid);
  7. activering rekeningnummer en verzending bankpas; en
  8. activering bankpas en rekeningnummer.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

rekening-courant overeenkomst

A

Deze overeenkomst bepaalt wat de rechten en plichten zijn van de rekeninghouder(s) en de bank, wat de aansprakelijkheid is bij verlies of diefstal van de bankpas en de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de rekeninghouder(s) voor eventuele tekorten op de rekening (‘rood staan’).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

cj-verklaring

A

‘en/of-rekening’ (compte joint)’
Dit is de zogenaamde ‘cj-verklaring’; daarin verklaren alle rekeninghouders dat zij individueel verantwoordelijk en aansprakelijk zijn voor alle tekorten op de rekening.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

CJ bij zakelijke rekeningen

A

Het uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) geeft dan vaak aan tot welk bedrag een rekeninghouder zelfstandig bevoegd is om betalingen te doen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Overlijden rekeninghouder

A

Een en/of-rekening kan bij overlijden van een van de rekeninghouders worden geblokkeerd als de erfgenamen van de overledene hierom verzoeken. Als dat verzoek niet wordt gedaan, zal de rekening niet worden geblokkeerd. Om na overlijden van een van de partners de tenaamstelling van de en/of-rekening te wijzigen, moet het volgende worden aangeleverd:

akte van overlijden;
uittreksel centraal testamentenregister; en
verklaring van erfrecht.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

En/en-rekening

A

Een andere optie is de ‘en/en-rekening’. De en/en-rekening is een rekening waarbij voor iedere handeling de toestemming nodig is van beide rekeninghouders. Deze rekeningvorm biedt een oplossing aan mensen die zicht willen houden op andermans (grote) uitgaven of deze uitgaven uitsluitend gezamenlijk willen doen. Over het saldo van de en/en-rekening wordt vermogensrendementsheffing geheven. Iedere rekeninghouder moet ieder jaar bij de Belastingdienst aangifte doen van het bedrag dat hij op de rekening heeft gezet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Geldvormen

A

Om de verschillende betaalfuncties van geld te kunnen uitvoeren, bestaan drie geldvormen:

  • chartaal geld: contant geld in de vorm van munt- en briefgeld;
  • giraal geld: geld dat op een rekening staat; ookwel administratief geld genoemd.
  • elektronisch geld: geld dat volledig en alleen digitaal wordt uitgewisseld, zoals via cadeaukaarten.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Chartaal geld:

A

Contant geld in de vorm van munt- en briefgeld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Toonbankbetalingen

A

Koop op locatie
- Chartaal geld
- Bankpassen met pincode
- Contactloos betalen
- Creditcards

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Girale Betalingen

A
  • Acceptgiro
  • Incasso
  • Eenmalige of periodieke overboekingen
  • Internet betalingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

manieren om girale betalingen

A
  1. Schriftelijk via een optisch leesbare overschrijving (OLO): dit is een betalingsopdrachtformulier waarop de gegevens van de rekeninghouder al zijn ingevuld.
  2. Internetbetaling: hiervoor zijn een (per bank verschillend) apparaatje, een gebruikersnaam of een wachtwoord nodig. Na de invoer van een pincode wordt via de website van de bank een betaling verricht.
  3. Mobiele betaling: vergelijkbaar met een internetbetaling, maar dan via de smartphone.
  4. iDeal- of PayPal-betaling: vergelijkbaar met internetbankieren, maar dan via de website van de webwinkel.
    iDeal is feitelijk een moderne variant op de OLA, want de gegevens zijn al ingevuld.
    PayPal is gekoppeld aan de bankrekening of creditcard. Betaling vindt plaats via het PayPal-account, vervolgens wordt het geld afgeschreven van de bankrekening of van het creditcardtegoed gehaald.
  5. Betaling via incasso: de rekeninghouder geeft hierbij een ander de mogelijkheid om een geldbedrag van de rekening te incasseren, eenmalig of meerdere malen. Deze machtiging geeft de ontvanger natuurlijk veel zekerheid.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

iDIN

A

iDIN is een dienst van banken op het gebied van online inloggen en identificeren. iDIN is beschikbaar voor overheidsinstellingen, verzekeraars en andere organisaties. Klanten kunnen zich met iDIN bij andere organisaties online identificeren via de inlogmiddelen van hun eigen bank.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Payment Services Directive (PSD) II

A

De richtlijn Payment Services Directive (PSD II) heeft een drietal doelen: meer innovatie, meer veiligheid en meer concurrentie in het Europese betalingsverkeer.

Als gevolg van de PSD II kan een rekeninghouder derde partijen (dienstverleners) uit de hele EU onder bepaalde voorwaarden elektronisch toegang verlenen tot zijn betaalrekening.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Drie spaarvormen:
1. Sparen zonder voorwaarden - Meest voorkomend, vrijwel altijd variabele rente. 2. Sparen met voorwaarden - Eén of meerdere verplichtingen of beperkingen. 3. Depositosparen - Vaak vaste rente en looptijd.
26
Direct opneembaar tegoed.
Bij een (internet)spaarrekening zonder voorwaarden is het mogelijk om direct geld op te nemen.
27
Liquiditeit
Het geheel van middelen dat direct gebruikt kan worden om de lopende betalingsverplichtingen te voldoen.
28
Voordelen internetspaarrekening:
De houder kan ieder moment van de dag over het geld beschikken. Overboekingen worden snel verwerkt. Doordat de bank minder kosten maakt, ligt de rente meestal iets hoger dan bij een gewone spaarrekening. Er is geen sprake van een minimum- of maximuminleg
29
Nadelen internetspaarrekening
Hoewel dit ook voor offline sparen geldt, is internetsparen nooit volledig veilig. Banken nemen vergaande voorzorgsmaatregelen om cybercriminaliteit tegen te gaan, maar veiligheid kan nooit worden gegarandeerd. Bij sommige banken is de rekeninghouder verplicht om bij een internetspaarrekening ook een betaalrekening te openen. Aan die betaalrekening zijn vaak kosten verbonden. In vergelijking met andere spaarvormen (zoals bijvoorbeeld een spaardeposito) is de rente op internetspaarrekeningen vaak juist lager. De rente kan tussentijds wijzigen. Nadeel hiervan is dat onzekerheid ontstaat over berekeningen van vermogen in de toekomst. Als de rente daalt, betekent dat een tegenvaller voor het verwachte rendement.
30
Vormen van niet-direct opeisbare tegoeden
1. een spaarrekening met een klimrente (hoe langer het geld vast staat, hoe hoger de rentevergoeding); 2. een depositorekening (het geld wordt voor een vaste, langere periode in deposito gegeven); 3. spaarrekeningen met een beleggingselement (de geldwaarde zit dan vast in bijvoorbeeld aandelen); 4. een vreemde-valutadeposito (het geld moet dan eerst worden omgewisseld naar euro’s voordat het kan worden opgenomen).
31
Drie kenmerken van een spaarproduct
1. Liquiditeit 2. Rendement 3. Risico
32
Sparen met voorwaarden kent dus beperkingen of verplichtingen, zoals bijvoorbeeld:
1. de verplichting om maandelijks een vast bedrag te moeten sparen; 2. de verplichting om bij opening van de rekening een bepaald minimumbedrag te moeten storten of op de rekening te moeten aanhouden; 3. de verplichting om ook een betaalrekening (met bijkomende kosten) te openen bij de desbetreffende bank; 4. kosten bij het opnemen van spaargeld; 5. een beperkte beschikbaarheid van de spaarvorm voor bepaalde doelgroepen (zoals bijvoorbeeld jeugdspaarrekeningen..
33
Liquiditeit
Hoe snel en gemakkelijk is het vastgezette geld weer beschikbaar?
34
Rendement
Hoe hoog is de te behalen vergoeding op het vastgezette geld?
35
Risico
Hoe hoog is de kans dat het verwachte rendement niet gehaald wordt?
36
Solvabiliteit
De mate waarin een onderneming in staat is om aan haar financiële verplichtingen te voldoen. De solvabiliteit wordt berekend door het eigen vermogen te delen door het vreemd vermogen. Bij een solvabiliteitsonderzoek wordt gekeken of een organisatie aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen in de toekomst.
37
BKR
Bureau Krediet Registratie (BKR) is een stichting die tot doel heeft om overkreditering en problematische schuldsituaties te voorkomen. BKR beheert het Centraal Krediet Informatiesysteem
38
VIS
De Verificatie Informatie Systemen (VIS) toetsen of iemand zich met een geldig document identificeert
39
EVA
De Externe Verwijzings Applicatie (EVA) is een programma dat toetst op fraude, oplichting, witwaspraktijken en niet-integer gedrag bij de eigen bank en andere banken.
40
VOF
Een vennootschap onder firma (vof) is een eenvoudige manier waarop twee of meer personen samen een onderneming kunnen oprichten. Het betekent dat zij onder een gezamenlijke naam of firma optreden. In de regel nemen zij beslissingen voor elkaar, maar zij zijn ook aansprakelijk voor elkaars bestuur. Er is dus geen beperkte aansprakelijkheid.
41
VVE
Een verklaring van erfrecht is een notariële akte waarin een notaris feiten vermeldt naar aanleiding van het overlijden van iemand. Uit een verklaring van erfrecht kan blijken wie de erfgenamen zijn in een nalatenschap, of zij de nalatenschap aanvaard hebben en wie gerechtigd is over de goederen die tot de nalatenschap behoren te beschikken. De verklaring van erfrecht is geregeld in artikel 4:188 van het Burgerlijk Wetboek.
42
Solvabiliteit
De mate waarin een onderneming in staat is om aan haar financiële verplichtingen te voldoen. De solvabiliteit wordt berekend door het eigen vermogen te delen door het vreemd vermogen. Bij een solvabiliteitsonderzoek wordt gekeken of een organisatie aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen in de toekomst.
43
In Nederland betaal je inkomstenbelasting in 3 verschillende boxen
Box 1 - belasting over inkomen uit werk en de eigen woning. Box 2 - belasting over inkomen uit minimaal 5% van de aandelen van een onderneming. Box 3 - belasting over inkomen uit sparen en beleggen.
44
SEW
Een Spaarrekening Eigen Woning (SEW) is een spaarrekening waarmee een klant een bedrag spaart voor het aflossen van een eigenwoningschuld. Lost de klant de eigenwoningschuld af met het opgebouwde bedrag in de SEW? Dan kan de klant gebruikmaken van een belastingvrijstelling. Sinds 1 januari 2013 is het niet meer mogelijk om een SEW of BEW af te sluiten.
45
BEW
Een Beleggingsrecht Eigen Woning (BEW) is een beleggingsrekening waarmee de klant een bedrag belegt voor het aflossen van de eigenwoningschuld. Lost de klant de eigenwoningschuld af met het opgebouwde bedrag in de BEW? Dan kan de klant gebruikmaken van een belastingvrijstelling. Deze BEW had dezelfde fiscale voordelen, maar kende geen gegarandeerde waardeopbouw, doordat sprake was van beleggingen. Sinds 1 januari 2013 is het niet meer mogelijk om een SEW of BEW af te sluiten
46
De belangrijkste eisen die de Belastingdienst stelt aan de SEW/BEW
1. jaarlijkse inleg op de SEW/BEW; 2. maximale bandbreedte tussen laagste en hoogste spaarinleg is 1:10; 3. belastingvrijstelling bij uitkering; 4. aflossing van de hypotheekschuld over de eigen woning als verplichte bestemming van de spaarwaarde. 5. Tijdens de looptijd wordt geen belasting geheven over de SEW/BEW. De waarde ervan valt hiermee in box 1
47
Lijfrente
Een lijfrenteverzekering is een sommenverzekering. Een lijfrenteverzekering keert meerdere bedragen uit over een bepaalde periode, bijvoorbeeld vanaf de AOW-leeftijd
48
Revisierente
Revisierente is een percentage van 20% van de afkoopwaarde. De belastinginspecteur mag revisierente in rekening brengen als een klant een lijfrente, pensioenrecht of beroepspensioenregeling afkoopt. Dit komt omdat de klant anders te weinig belasting heeft betaald
49
IBAN
IBAN staat voor ‘international bank account number’. Dit rekeningnummer is in ieder land op soortgelijke wijze opgebouwd. Het nummer bestaat uit het voormalige rekeningnummer, voorafgegaan door de landcode (NL voor Nederland), een controlegetal (2 cijfers), een code van de bank (in Nederland 4 letters) en één of meerdere nullen. IBAN wordt gebruikt voor grensoverschrijdende en voor alle binnenlandse betalingen. In Nederland bestaat het IBAN uit 18 tekens, in andere landen varieert dit van 15 tot maximaal 34 tekens
50
SEPA
Europa heeft een gezamenlijke betaalmarkt: SEPA, Single Euro Payments Area. SEPA omvat alle landen binnen de EU, aangevuld met Noorwegen, IJsland en Liechtenstein (die lid zijn van de Europese Economische Ruimte), Groot-Brittannië, Zwitserland en Monaco. Om alle eurobetalingen in dit gebied op dezelfde manier te laten plaatsvinden, zijn standaarden voor het rekeningnummer en voor betaalmiddelen ingevoerd. Het IBAN, overschrijvingen, incasso’s en betaalpassen zijn voor zowel binnenlandse als grensoverschrijdende eurobetalingen te gebruiken
51
Levensloopregeling
De levensloopregeling was een regeling waarmee werknemers een deel van hun brutosalaris konden sparen voor onbetaald verlof of vervroegd pensioen. Deze regeling bestaat niet meer. Hierdoor kan er ook geen storting meer worden gedaan in deze regeling.
52
Drie spaarmotieven:
1. Zekerheidsmotief 2. Vermogensmotief 3. Doelmotief
53
Spaarmotief: Zekerheidsmotief
Sparen voor een buffer. Doel, benodigde bedrag en het moment van uitgeven zijn niet bekend.
54
Spaarmotief: Vermogensmotief
Sparen om inkomstenterugval op te vangen. Doel is bekend en het moment van uitgeven is vaak bekend. Benodigde bedrag is vaak niet bekend.
55
Spaarmotief: Doelmotief
Sparen met een bepaald bestedingsmotief. Doel, benodigde bedrag en het moment van uitgeven zijn bekend.
56
Spaartermijn
De spaartermijn is daarbij vaak afhankelijk van het spaarmotief en van de hoogte van het te sparen bedrag. De tijd die iemand moet sparen om zijn doel te behalen (de spaartermijn) is dus afhankelijk van de hoogte van het doel en van de hoogte van het maandelijks gespaarde bedrag.
57
Risicobereidheid.
Risicobereidheid is het risico dat de klant kan dragen en wil accepteren. Risicobereidheid bestaat uit risicotolerantie en risicoperceptie.
58
DGS
Het depositogarantiestelsel Het DGS biedt bescherming van banktegoeden van houders van betaalrekeningen en spaarrekeningen. Onder deze tegoeden vallen ook deposito’s en bankspaartegoeden. Aandelen, obligaties aan toonder en (levens)verzekeringen vallen niet onder het DGS.
59
De volgende personen met een banktegoed bij de failliete bank, kunnen gebruikmaken van DGS
- privépersonen; - (kleine) ondernemers; - grootzakelijke depositohouders; - rechtspersonen (bv en nv); - stichtingen; - verenigingen; - bestuurders en aandeelhouders van de bank die failliet is gegaan. Overheden zoals gemeenten vallen niet binnen de reikwijdte.
60
Uitvoerder DGS
De Nederlandsche Bank (DNB)
61
Financiële onderneming
Een financiële onderneming is een beheerder, een beleggingsinstelling, een beleggingsonderneming, een bewaarder, een clearinginstelling, een financiële dienstverlener, een financiële instelling, een kredietinstelling of een verzekeraar.
62
Tijdelijk hogere dekking DGS
Er is een tijdelijke hogere dekking van het depositogarantiestelsel van 6 maanden. De verhoging is een extra bedrag tot € 500.000,- bovenop de standaarddekking van € 100.000,-, als het geld bijvoorbeeld komt uit de verkoop van een woning of een erfenis. Situaties voor verhoogde dekking Deze hogere dekking geldt bij de volgende specifieke gebeurtenissen: - verkoop van de eigen woning - pensioenuitkering ineens - arbeidsongeschiktheidsuitkering - ontslagvergoeding - levensverzekering - schadevergoeding bij criminaliteit of onterechte veroordeling - scheiding - erfenis.
63
Effecten
- Aandelen - Obligaties - Opties
64
Fondsen
- Collectief beleggen - Samengestelde beleggingsfondsen
65
Object
- Tastbaar (zoals goud of panden)
66
Beleggingsfonds
Een beleggingsfonds is een fonds met gemeenschappelijk vermogen van individuele beleggers. Dit noemen we ook wel collectief beleggen. Beleggen in beleggingsfondsen houdt dus in dat meerdere beleggers gezamenlijk in een fonds beleggen. De belegger koopt dus niet zelf een aandeel, maar belegt in een fonds van verschillende aandelen..
67
Fondsbeheerder
De fondsbeheerder bepaalt de strategie van de beleggingen en bepaalt daarmee ook waarin wordt belegd.
68
Bewaarder van het fonds
Die de beleggingen van het fonds in bewaring houdt en controleert.
69
Voordelen beleggingsfonds
- Het spreiden van risico Door het grote gezamenlijke vermogen kan de effectenportefeuille makkelijker worden gespreid; daarmee worden ook de risicokansen gespreid. - Het verdelen van kosten Transactiekosten zijn vaak hoog en bepalen daardoor een groot deel van het beleggingsresultaat van een individuele belegger. Door deze kosten te delen wordt het drukkende effect ervan verlaagd. - Professioneel beleggen Beleggingsfondsen worden beheerd door professionele beleggingsinstellingen met actuele marktinformatie en expertise. De gemiddelde particulier beschikt niet over deze informatie, kennis en ervaring.
70
Open beleggingsfonds
Een open beleggingsinstelling (open fonds) staat genoteerd aan een effectenbeurs. De participaties zijn vrij verhandelbaar via de beurs en beleggers kunnen hun stukken dagelijks verkopen of kopen tegen beurskoers.
71
Besloten beleggingsfonds
Een besloten beleggingsinstelling (besloten fonds) staat niet genoteerd aan de beurs. Er is een beperkte verhandelbaarheid: verkoop alleen mogelijk aan het fonds zelf of andere aandeelhouders.
72
Open-end fonds
Een Open-end fonds is verplicht participaties op verzoek in te kopen of uit te geven, dit gebeurt tegen de intrinsieke waarde. Het aantal uitstaande participaties verandert voortdurend.
73
Closed-end fonds
Bij een Closed-end fonds staat het aantal participaties vast volgens de statuten, het fonds koopt geen participaties terug. Beleggers verhandelen de stukken onderling op de beurs (indien genoteerd) en de koers komt tot stand via vraag en aanbod
74
Statuten
Statuten zijn de basisregels van bepaalde organisaties zoals een nv, bv en vereniging.
75
De beleggingscategorieën in volgorde van oplopend risico
1. liquide middelen; 2. obligaties; 3. vastgoed; 4. beleggingsobjecten; 5. aandelen; 6. derivaten.
76
Obligatie
Een obligatie is een verhandelbaar schuldbewijs voor een lening die door een overheid, een onderneming of een instelling is aangegaan. Als een bedrijf geld nodig heeft kan het door het uitgeven van een obligatielening aan de financiering komen. De koper van de obligatie ontvangt van de uitgever rentevergoeding.
77
Onder de liquide middelen worden begrepen:
* Kasmiddelen; * Tegoeden op bank- en girorekeningen; en * Wissels en cheques.
78
Couponrente
De rentevergoeding op het uitgeleende geld (de couponrente)
79
Derivaten
Derivaten zijn beleggingsinstrumenten die hun waarde ontlenen aan de waarde van een ander goed, zoals aandelen en olie. Het andere goed wordt in het jargon de onderliggende waarde genoemd. De voornaamste soorten derivaten zijn opties, futures, swaps en forwards
80
Marktrente
Marktrente is de rente die op een bepaald moment op de kapitaalmarkt en de geldmarkt geldt
81
Duration
Het gewogen gemiddelde van de looptijden van een verzameling vastrentende waarden. In de beleggingswereld wordt de duration als een goede maatstaf gezien voor de rentegevoeligheid van een obligatie of een portefeuille obligaties. De gevoeligheid van een obligatie voor een rentebeweging.
82
Kapitaalmarkt
De kapitaalmarkt is de markt waarop vooral obligaties en aandelen met een looptijd van minimaal 2 jaar worden verhandeld
83
Geldmarkt
De geldmarkt is de markt waarop kortlopende leningen met een looptijd van maximaal 2 jaar worden verhandeld.
84
Een ander woord voor een obligatie
Schuldbewijs
85
Vastgoed
Onverplaatsbaar goed
86
De belangrijkste kenmerken van een beleggingsobject
- De belegger betaalt voor een waardebewijs; in ruil daarvoor krijgt hij het eigendomsrecht van een zaak of een recht op een zaak, zoals het vruchtgebruik. - De belegger onderhoudt en beheert het object niet zelf. - De belegging is geen ‘effect’, zoals aandelen of obligaties. - De aanbieder van het beleggingsobject benoemt voor de toekomst een rendement over de waarde van het object. - Het rendement is afhankelijk van het object. - Het risico is afhankelijk van het object en van de aanbieder van het object.
87
Vruchtgebruik.
Een vruchtgebruik is een recht waarbij iemand anders dan de eigenaar het gebruik en de opbrengsten van bijvoorbeeld een huis mag genieten. De persoon met vruchtgebruik mag het gebruiken alsof het van hem is, maar mag het bijvoorbeeld niet verkopen.
88
Eigendomsrecht
Eigendomsrecht is het recht dat iemand als eigenaar heeft om als enige te bepalen hoe een bepaald bestaansmiddel wordt gebruikt. Heeft iemand de eigendom van bepaalde spullen of rechten? Dan moeten anderen van die spullen of rechten afblijven. Doet iemand dat niet? Dan maakt hij inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar.
89
Aandelen
Aandelen vertegenwoordigen een deel van het eigendom van een onderneming. Aandelen kunnen worden verhandeld. Meestal gebeurt de verhandeling op de aandelenbeurs.
90
Dividend.
Gedeelte van de winst dat door een bedrijf wordt uitgekeerd aan haar aandeelhouders. Het dividend kan op twee manieren worden uitgekeerd: in geld (cash dividend) en in aandelen (stock dividend). Bij sommige ondernemingen mag de aandeelhouder kiezen tussen geld en aandelen. We spreken dan over keuzedividend.
91
AEX
De Amsterdam Exchange Index (AEX) is de belangrijkste Nederlandse beursindex. Deze index geeft de koersontwikkeling aan van de 25 grootste aandelen op de Amsterdamse effectenbeurs. Deze index volgt daarmee de waarde van deze aandelen.
92
Rendement op aandelen
Het rendement op aandelen bestaat uit het dividendrendement en het koersrendement bij verkoop van de aandelen.
93
Risico van aandelen
Het risico van aandelen is, dat de koers ervan afhankelijk is van zeer veel factoren. Over het algemeen is de koersontwikkeling moeilijk te voorspellen. Het risico van aandelen kan dus hoog zijn.
94
Derivaten
Een derivaat is een afgeleid product. Het is een contract tussen twee partijen met betrekking tot de onderliggende waarden van dat contract. Denk hierbij aan onderliggende waarden als goud, zilver, vreemde valuta, rentecontracten en beurskoersen.
95
Optie
Een optiecontract (optie) is een afspraak waarbij de ene partij het recht heeft om binnen een vooraf overeengekomen periode de onderliggende waarde te kopen van de andere partij of juist te vérkopen aan de andere partij. De koper van de optie koopt dus een recht, de verkoper van de optie krijgt een plicht. In ruil voor die plicht, ontvangt de verkoper (‘schrijver’) van de optie een premie: de optiepremie. Calloptie: de koper krijgt het recht om binnen een vastgestelde periode de onderliggende waarde te kopen tegen een vooraf vastgestelde prijs. Putoptie: de koper krijgt het recht om binnen een vastgestelde periode de onderliggende waarde te verkopen tegen een vooraf vastgestelde prijs. In beide situaties kan de koper van de optie het recht van zijn optie ‘uitoefenen’.
96
Crowdfunding
Crowdfunding verloopt zonder financiële intermediairs: er is direct contact tussen investeerders en ondernemers. Crowdfunding kent twee kanten, de lenerskant en de uitlenerskant.
97
Vier vormen van crowdfunding
1. Doneren: dit gaat over het schenken van geld aan een goed doel. Hierbij hebben schenkers direct zicht op de bestemming van het door hen geschonken geld. 2. Sponsoring of ‘reward-based crowdfunding’: dit gaat over het ondersteunen van een project tegen een niet-financiële tegenprestatie. Het financiële aspect is hierbij ondergeschikt, geldgevers voelen zich vooral verbonden met het doel dat de aanvrager nastreeft. 3. 'Loan-based crowdfunding’: dit gaat over het uitlenen van geld aan een bedrijf of particulier, met als compensatie de rente op de lening. Bij deze vorm van crowdfunding is het financieel rendement belangrijk. 4. ‘Equity-based crowdfunding’: dit gaat over het investeren in een bedrijf, met als tegenprestatie dividend en waardevermeerdering van het aandeel. Ook hier geldt, dat het rendement op de investering belangrijk is.
98
Vergunning AFM crowdfunding
Om de crowdfundingsector op een duurzame en verantwoorde manier te laten groeien, moet hij voldoen aan een aantal randvoorwaarden, zoals: professionele platforms, een minimumniveau aan transparantie en een bepaalde mate van bescherming van geldgever en geldvrager. Wie actief is op het gebied van doneren, sponsoring of reward-based crowdfunding, heeft geen vergunning nodig van de AFM. Bij loan- en equity-based crowdfunding kan men wel te maken krijgen met een ontheffings- of vergunningsplicht.
99
Investeerderstoets
De investeerderstoets moet worden afgenomen bij iedere consument die meer dan € 500,- investeert.
100
Voor- en nadelen van crowdfunding voor de gever of de uitlener:
Voordelen: - laagdrempelig investeren met de mogelijkheid van kleine bedragen; - vrije keuze in soorten en aantallen projecten; - relatief hoge rente in verband met het hogere risico; - vaak veel sociale controle en gebruik van het eigen netwerk, met een kleinere kans op fraude; - grotere kans dat een bank het overige deel financiert; - (via een goed uitgevoerde campagne) de mogelijkheid om de (naams)bekendheid van het bedrijf sterk te vergroten en nieuwe klanten aan te trekken. Nadelen: - het toezicht op crowdfunding is nog niet geheel gestroomlijnd; - beperkte verhandelbaarheid van de investering, door het ontbreken van een algemeen platform hiervoor - een hoog risico, omdat vaak in beginnende ondernemingen wordt geïnvesteerd.
101
Twee soorten beleggingsdoelen
- Objectieve beleggingsdoelen: deze beleggingsdoelen zijn noodzakelijk, zoals extra inkomen vanaf pensioendatum. - Subjectieve beleggingsdoelen: deze beleggingsdoelen zijn wensen, zoals eerder stoppen met werken of sparen voor een wereldreis.
102
Drie vormen van effectendienstverlening:
1. Execution only 2. Beleggingsadvisering 3. Vermogensbeheer
103
Execution only
Bij execution only wordt geen beleggingsadvies gegeven. Dit moet direct kenbaar worden gemaakt. De beleggingsadviseur voert alleen de opdrachten van de klant uit. De klant bepaalt zelf zijn beleggersprofiel en is en blijft zelf verantwoordelijk voor zijn eigen beleggingsportefeuille. Deze vorm van effectendienstverlening wordt veel aangeboden via internet.
104
Beleggingsadvisering
Hierbij ontvangt de klant advies dat moet aansluiten bij zijn profiel. Orders worden getoetst aan dit klantprofiel; de adviseur kan het advies geven om andere orders uit te voeren die beter passen bij het klantprofiel. Het advies kan ook zijn dat wijzigingen moeten worden doorgevoerd in de portefeuille. De klant blijft zelf wel verantwoordelijk voor de beleggingsbeslissingen.
105
Vermogensbeheer
Een vermogensbeheerder beheert het vermogen van de klant en voert handelingen uit binnen de overeengekomen opdracht tot dienstverlening. De vermogensbeheerder beslist, maar de klant kan eventueel wel ingrijpen in de portefeuille. Er is sprake van een klantprofiel waaraan de vermogensbeheerder zijn handelingen moet toetsen. Als een klantorder afwijkt van het profiel, mag de vermogensbeheerder een opdracht weigeren.
106
Wbfo
Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen
107
Financiële onderneming
Een financiële onderneming is een beheerder, een beleggingsinstelling, een beleggingsonderneming, een bewaarder, een clearinginstelling, een financiële dienstverlener, een financiële instelling, een kredietinstelling of een verzekeraar
108
Bonusplafond
Voor werknemers van een financiële onderneming geldt een bonusplafond. Hierdoor mag de variabele beloning maximaal 20% zijn van de vaste beloning van die werknemer per jaar. Bovendien moet minimaal 50% van de variabele beloning zijn gebaseerd op niet-financiële criteria.
109
Kredietrente
Kredietrente is het rentepercentage dat je betaalt bovenop het geleende bedrag wanneer je een lening afsluit. Kredietrente wordt gerekend over verschillende soorten leningen, zoals creditcards, persoonlijke leningen en hypothecaire leningen.
110
Interest
Rentevergoeding Er kan sprake zijn van enkelvoudige interest en van samengestelde interest. Het verschil is dat de rekeninghouder bij samengestelde rente ook rente krijgt over het rentebedrag dat hij een jaar eerder heeft ontvangen. Bij samengestelde rente wordt het rentebedrag dus jaarlijks hoger. Bij enkelvoudige rente blijft het jaarlijkse rentebedrag gelijk: de rekeninghouder krijgt hierbij geen rente over rente.
111
Uitvoeringsregeling
Artikel 4 Uitvoeringsregeling Wwft
112
Kredietwaardigheid
De geldverstrekker beoordeelt de kredietwaardigheid van de klant. De geldverstrekker moet namelijk duidelijk maken dat het krediet verantwoord is voor de klant. Dit doet de geldverstrekker door informatie op te vragen over de financiële positie van de klant, denk bijvoorbeeld aan informatie over het inkomen van de klant. Vervolgens toetst de geldverstrekker het krediet op basis van de loan-to-income (LTI) en de loan-to-value (LTV) bij een hypothecair krediet. Het woord ‘kredietwaardigheid’ bevat direct de kern: is de kredietvrager zijn krediet waardig? Met andere woorden: is hij wel goed voor het krediet? Kan hij het terugbetalen? Wat is over hem bekend.
113
Credit score
Een credit score is een veelgebruikte methode om de kredietwaardigheid van een aanvrager te bepalen. Geldverstrekkers proberen hiermee het debiteurenrisico (het risico dat de lening niet wordt terugbetaald) in te schatten.
114
NAW
Naam, adres, woonplaats
115
Waarde kredietwaardigheid
De beoordelingseisen zijn wettelijk vastgelegd en gelden voor alle kredieten boven de € 250,-. Het bedrag dat overblijft uit de beoordeling, kan worden gebruikt voor het aflossen van het krediet. Omgerekend is dit standaard 2% van de kredietsom of de kredietlimiet. Hoogte krediet: loon - vaste lasten - levensonderhoud = € ….. is gelijk aan 2% van het kredie.
116
NBI
Netto besteedbaar inkomen. Het NBI bereken je door een inkomsten-uitgavenanalyse te maken.
117
Mag je bij een kredietverstrekking jezelf identificeren met een rijbewijs?
Bij kredietverstrekking mag dat echter niet, omdat op het rijbewijs geen verblijfstatus of nationaliteit staat.
118
EVA
De Externe Verwijzings Applicatie (EVA) is een programma dat toetst op fraude, oplichting, witwaspraktijken en niet-integer gedrag bij de eigen bank en andere banken. EVA = Frauduleus verleden
119
BKR
Bureau Krediet Registratie (BKR) is een stichting die tot doel heeft om overkreditering en problematische schuldsituaties te voorkomen. BKR beheert het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) De kredietverstrekker is wettelijk verplicht deze controle uit te voeren bij een aanvraag voor een krediet hoger dan € 250,-. Alle deelnemers aan het kredietstelsel registreren kredietinformatie van alle kredieten van meer dan € 250,- en die langer dan 1 maand lopen. Deze worden getoond als de kredietverstrekker een BKR-toets uitvoert of als de consument zelf inzage vraagt. Alleen studieschulden via de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) worden niet geregistreerd bij het BKR. Deze schulden worden bij de DUO geregistreerd. De klant is wel wettelijk verplicht deze informatie te geven. BKR = Lopende leningen en eerdere betalingsproblemen.
120
CKI
Centraal Krediet Informatiesysteem
121
Hoe lang is een klant BKR geregistreerd?
Betalingsproblemen blijven na een eventueel herstel nog 5 jaar zichtbaar in het BKR.
121
VIS
De Verificatie Informatie Systemen (VIS) toetsen of iemand zich met een geldig document identificeert.
122
Handelingsbekwaam
Handelingsbekwaam wil zeggen dat de aanvrager bepaalde rechtsgeldige handelingen kan verrichten.
123
Handelingsbevoegd
Handelingsbevoegd wil zeggen dat de aanvrager deze rechtsgeldige handeling ook mag verrichten.
124
Wanneer is iemand handelingsonbekwaam?
De wet onderscheidt twee groepen van personen die handelingsonbekwaam zijn: - minderjarigen (iedereen die jonger is dan 18 jaar); en - meerderjarigen die onder curatele zijn gesteld.
125
Meerderjarig onder curatele gestelde mensen
Ook volwassen mensen die onder curatele zijn gesteld, zijn volgens de wet handelingsonbekwaam. Curatele is een maatregel die door de rechter wordt opgelegd. Het gaat meestal om mensen die niet optimaal voor zichzelf kunnen zorgen, zoals verstandelijk gehandicapten, psychiatrische patiënten, dementerende ouderen of verslaafden (denk aan gokken, alcohol, drank of drugs)
126
Minderjarigen
In Nederland zijn minderjarigen volgens de wet handelingsonbekwaam. Dit houdt in dat zij voor het verrichten van rechtshandelingen (bijvoorbeeld iets kopen of huren of juist verkopen of verhuren) toestemming nodig hebben van een wettelijk vertegenwoordiger. Zowel (een van) de ouders als een voogd kunnen het gezag hebben over de minderjarige
127
Handelingsbekwaamheid minderjarige
Als de wettelijk vertegenwoordiger bezwaar maakt tegen de handeling, is hij dus ‘tegen’ iets dat de jongere wil uitvoeren. Als een kind een dure scooter koopt en de ouders zijn daartegen, kunnen ze bezwaar maken en de koop terugdraaien. De handelingsonbekwaamheid van minderjarigen kan in de volgende gevallen worden opgeheven: De minderjarige pleegt zelfstandig een rechtshandeling die in het maatschappelijk verkeer ‘gebruikelijk’ is. Via handlichting. De minderjarige doet dan aan de rechter het verzoek bepaalde handelingen toch te mogen doen. Het komt zo vaak voor
128
Handlichting
Handlichting is mogelijk vanaf 16 jaar. De minderjarige doet dan aan de rechter het verzoek bepaalde handelingen toch te mogen doen
129
Toestemmingsvereiste partner
Afhankelijk van de leenvorm is toestemming van de partner nodig of niet. Voor het aanvragen van een doorlopend krediet of persoonlijke lening is geen toestemming van de echtgenoot nodig. De aanvrager is op dat punt zelfstandig handelingsbevoegd. Voor het aangaan van een huurkoopovereenkomst is wel toestemming van de partner nodig. Echtgenoten zijn wel altijd verplicht om elkaar te informeren over hun financiële huishouden
130
Uitzondering gemeenschap van goederen
- schulden die zijn verkregen onder een uitsluitingsclausule (bijvoorbeeld uit een nalatenschap); - schulden die zijn aangegaan vóór het huwelijk, maar alleen als dit huwelijk gesloten is vanaf 1 januari 2018 en zonder huwelijkse voorwaarden - verknochte schulden
131
Wat is een stapelaar?
‘Stapelaars’ zijn aanvragers die meerdere kredieten opstapelen en vervolgens proberen om met het ene krediet het andere krediet af te lossen
132
Betalingsmoraal
Hoe de aanvrager in het verleden met zijn schulden is omgegaan
133
Variabele rente
Een variabele rente is een rentevergoeding die niet vast staat en dus gedurende de looptijd van de lening kan wijzigen. Bij de variabele rente zijn dagelijks variabele tarieven mogelijk. Hierbij wordt de hoogte van de rente aangepast aan de marktrente. Meestal is sprake van tarieven waarbij de rente voor meerdere maanden wordt afgesproken
134
Vaste rente
Een vaste rente is een rentevergoeding die voor een vaste termijn wordt afgesproken. Bij de vaste rente zijn rentevaste perioden mogelijk van meerdere jaren. Doorgaans geldt: hoe langer de rente vast staat, hoe hoger het te betalen rentetarief is. Een langere rentevaste periode biedt de betaler van de rente zekerheid. En zekerheid kost nu eenmaal geld
135
Vormen van consumptief krediet
Aflopend krediet, doorlopend krediet, rekening-courant krediet, huurkoop
136
Consumptief krediet
Een consumptief krediet is een krediet waarmee consumptiegoederen worden aangeschaft. Een consumptief krediet is een geldsom die ter beschikking wordt gesteld na het afsluiten van een kredietovereenkomst. De kredietsom is de benaming voor de hoogte van de geleende geldsom. De regels voor de kredietsom verschillen per leningsvorm.
137
Kredietsom
De benaming voor de hoogte van de geleende geldsom.
138
Aflopend krediet
Vaste looptijd en rente Vast aflosschema volgens annuïteit Termijnbedrag bestaat uit rente en aflossing Rentebetaling neemt steeds meer af en aflossing neemt steeds meer toe Kredietbedrag wordt geheel opgenomen bij het begin van de lening Kan ook aflossingsvrij worden afgesloten, waarbij de volledige lening wordt afgelost aan het einde van de looptijd.
139
Doorlopend krediet
Variabele looptijd Variabele rente Betaling alleen over opgenomen bedrag Aflossing gebeurt via percentage (2%) van de kredietlimiet of percentage (2%) van het opgenomen krediet Tussentijdse opname van het krediet is toegestaan Alleen rente en aflossing ineens is ook mogelijk.
140
Rekening-courantkrediet
Geen looptijd Variabele rente Geen termijnbedrag (Bedrag dat je maandelijks betaalt voor het krediet) Koppeling van de bankrekening aan de lening van de kredietnemer ('roodstand' of 'kredietfaciliteit') Hoogte van het kredietlimiet wordt in overleg bepaald Krediet is vrij te gebruiken door kredietneme.
141
Huurkoop
Bij huurkoop betaalt de kredietnemer - gedurende een afgesproken periode - periodiek een bedrag aan rente en aflossing. Is de laatste termijn betaald? Dan wordt hij eigenaar van het product. Dit is een verschil met koop op afbetaling, waarbij de kredietnemer direct al eigenaar van het product is. Huurkoop is een leenvorm die we veel tegenkomen in de autobranche.
142
Annuïteit
Een reeks gelijkblijvende betalingen die bestaan uit een rente en een aflossingsdeel die dienen ter aflossing van een schuld. Omdat de som van het rente- en aflossingsdeel steeds gelijk is, neemt het aflossingsdeel in de betalingen steeds verder toe tijdens de terugbetalingsperiode.
143
Drie belangrijke risicofactoren bij het aantrekken en uitlenen van geld
1. Renterisico 2. Liquiditeitsrisico 3. Valutarisico
144
Renterisico
Het renterisico is het risico van negatieve effecten van rentebewegingen op de winst.
145
Liquiditeitsrisico
Het liquiditeitsrisico is het risico voor de bank van het op de korte termijn niet kunnen nakomen van de betalingsverplichtingen door de klant of het risico dat klanten massaal hun spaargeld opnemen en de bank onvoldoende liquiditeit bezit.
146
Valutarisico
Het valutarisico is het risico van negatieve effecten van wisselkoersbewegingen op bezittingen in vreemde valuta.
147
Welke juridische mogelijkheden heeft de kredietverstrekker?
1. Eerste aanmaning: het sturen van een eerste betalingsherinnering. 2. Tweede aanmaning: het sturen van een tweede betalingsherinnering. 3. Ingebrekestelling: het sturen van een aanmaning; de aanmaning meldt dat de kredietverstrekker een deurwaarder of een incassobureau inschakelt als de kredietnemer niet tot betaling overgaat en dus in gebreke blijft. 4. Vertragingsrente: als de kredietnemer in gebreke is gesteld en nog steeds niet handelt, is hij in verzuim. Vanaf dat moment kan de kredietgever vertragingsrente in rekening gaan brengen (een boete voor te late betaling). 5. Overdracht aan deurwaarder of incassobureau: de nog verschuldigde bedragen worden voor incasso overgedragen aan een deurwaarder of een incassobureau. 6. Vervroegd opeisen: het vervroegd opeisen van de hele openstaande schuld. Via deze stap wordt de schuld direct opeisbaar, terwijl de looptijd van de lening nog niet is afgelopen. Dit kan slechts onder bepaalde voorwaarden (zie hierna). 7. Beslaglegging: ten slotte kan een deurwaarder beslag leggen op eigendommen van de kredietnemer. Deze eigendommen worden vervolgens verkocht en uit de opbrengst kan de schuld worden afgelost.
148
Waneer mag een openstaande schuld vervroegd worden opgeëist?
Om een openstaande schuld vervroegd op te eisen, moet de situatie meestal nog aan enkele andere randvoorwaarden voldoen: - de betalingsachterstand bedraagt meer dan 2 maanden; - de kredietnemer is in verzuim na de ingebrekestelling; - de kredietnemer heeft of gaat Nederland verlaten; of - de kredietnemer heeft valse informatie verstrekt of zekerheden onttrokken
149
Welke juridische mogelijkheden heeft de kredietnemer ?
Het treffen van een minnelijke regeling Aanvraag schuldsanering Aanvraag faillissement
150
Het treffen van een minnelijke regeling
Samen met de kredietverstrekker en een bemiddelaar kan de kredietnemer komen tot een onderhands akkoord over gehele of gedeeltelijke aflossing van de schuld. De aflossing gebeurt dan op een andere manier dan overeengekomen bij het afsluiten van de lening
151
Wsnp
Wet schuldsanering natuurlijke personen. De Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) is een mogelijkheid voor schuldenaren om via de rechter een schone lei te krijgen na een bepaald aantal maanden. Dit betekent dat schuldeisers de schulden die overblijven niet meer kunnen invorderen. Het wettelijk schuldsaneringstraject staat in de Faillissementswet en duurt normaal gesproken 18 maanden. Het is bedoeld voor mensen die hun schulden niet meer kunnen betalen. Het schuldsaneringstraject is een vorm van bewindvoering. Alleen de rechter kan een persoon onder bewind stellen. De rechter wijst ook een bewindvoerder aan. Je mag dan niet meer zelf beslissen wat je met je geld en je bezittingen doet. Dat beslist de bewindvoerder. Je moet ervoor zorgen tijdens het traject zoveel mogelijk geld voor je schuldeisers binnen te halen. Heb je je 18 maanden lang aan alle regels gehouden? Dan krijg je een ‘schone lei’.
152
NVB
Nederlandse Vereniging van Banken
153
Boedelrekening
Een boedelrekening is een betaalrekening die bestemd is voor de afwikkeling van een faillissement
154
Bepaling huisbank
- Heeft de klant een hypothecaire lening bij een bank? Dan is dit de huisbank. - Heeft de klant geen hypothecaire lening bij een bank? Dan wordt gekeken naar andere leningen die de klant heeft bij een bank. Heeft de klant meerdere leningen bij verschillende banken? Dan is de huisbank de bank waar de hoogste lening uitstaat. - Heeft de klant geen lening bij een bank? Dan is de huisbank de bank waar de klant de belangrijkste producten heeft afgesloten.
155
Indirecte distributie
Als de aanbieder gebruikmaakt van tussenpersonen (financieel adviseurs), spreken we van indirecte distributie. De tussenpersoon adviseert dan over en bemiddelt bij de verkoop van het product. Bij indirecte distributie is niet de aanbieder verantwoordelijk voor het advies, maar de tussenpersoon c.q. financieel adviseur.
156
Directe distributie
Als de aanbieder zijn producten rechtstreeks aan consumenten aanbiedt, spreken we van directe distributie.
157
Direct writer
Een aanbieder die rechtstreeks, zonder tussenkomst van een tussenpersoon, zaken doet met de eindklant. De verkoop geschiedt doorgaans via telefoon, internet of post. Direct writers hebben voornamelijk particulieren als klant.
158
Distributieconsistentie
Voor de klant mag het geen verschil maken via welke van die twee wegen (directe of indirecte aanbieder) hij een product aanschaft.
159
Geldkrediet
Een geldkrediet is het ter beschikking stellen van een geldsom, ongeacht de bestemming van het geld.
160
Goederenkrediet.
Een goederenkrediet is een krediet dat rechtstreeks is gekoppeld aan een goed. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een krediet bij een autodealer voor de aanschaf van een auto.
161
Informatieplicht.
Het is belangrijk dat de consument weet wat voor kredietovereenkomst hij aangaat. De wetgever stelt daarom eisen aan de vorm en de inhoud van de informatie hierover. De financieel dienstverlener heeft hierbij dan ook een informatieplicht.
162
Dienstenwijzer
Hierin kan de consument alle relevante informatie terugvinden: kantoorgegevens, vergunningen, klachtenprocedure, wijze van beloning, eventuele banden met aanbieders etc. Voor impactvolle producten geldt een aanvullende plicht: het verstrekken van de vergelijkingskaart.
163
Impactvolle producten
Impactvolle producten vallen onder het provisieverbod. Bij advies over deze producten moet de klant een vergelijkingskaart krijgen. Impactvolle producten zijn: - complexe producten (beleggingsverzekeringen, beleggingsobjecten); - spaarrekeningen die gekoppeld zijn aan koersontwikkelingen; - financiële instrumenten (zoals opties); - hypothecaire kredieten; - inkomensverzekeringen met betrekking tot pensioen, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en overlijden.
164
Vergelijkingskaart
In de vergelijkingskaart staat meer informatie over de specifieke producten die de financieel dienstverlener aanbiedt. De vergelijkingskaart moet in tegenstelling tot de dienstenwijzer, een vast format hebben. Daarmee is het een gestandaardiseerd document geworden. De kredietverlener moet de vergelijkingskaart bijvoorbeeld bij de volgende producten verstrekken: - levensverzekeringen; - bankspaarproducten; - hypothecaire leningen; - individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen; - overlijdensrisicoverzekeringen.
165
Verschil tussen vergelijkingskaart en dienstenwijzer
In het verleden stelden financieel dienstverleners vaak één document op waarin de eisen van de dienstenwijzer en de vergelijkingskaart waren opgenomen. Nu betreft het dus twee verschillende documenten. Een dienstenwijzer geeft globale informatie over de financiële dienstverlener zelf. De dienstverlener moet een dienstenwijzer verstrekken bij het aangaan van een klantrelatie. De dienstenwijzer heeft betrekking op alle financiële producten en is vormvrij.
166
Dienstenwijzer
- de naam en het adres van de financieel dienstverlener; - de aard van de dienstverlening (advisering, bemiddeling of beide); - de interne klachtenprocedure van de financieel dienstverlener.
167
Informatie standaardformulier krediet
Dit bevat onder andere informatie over het soort krediet, de identiteit en het vestigingsadres van de kredietgever of de kredietbemiddelaar, het totale kredietbedrag, de voorwaarden voor kredietopneming en de duur van de overeenkomst.
168
De hypotheekgever kan uitsluitend een hypotheek verlenen in de volgende situaties
- De hypotheekgever is juridisch eigenaar van de woning; in dit geval is hij automatisch bevoegd om de woning met hypotheek te verzwaren; - de hypotheekgever heeft een zakelijk gebruiksrecht; de vier belangrijkste zakelijke gebruiksrechten waarop hypotheek kan worden gevestigd zijn het opstalrecht, het erfpachtrecht, het vruchtgebruik en het appartementsrecht.
169
De hypotheekgever
De hypotheekgever (de klant) geeft het huis als onderpand in ruil voor een lening van de bank. Vaak is de hypotheekgever ook de geldnemer, maar een hypotheek kan ook worden gevestigd als zekerheid voor schulden van een ander.
170
De hypotheeknemer
De bank De bank neemt een recht van hypotheek en wordt hypotheeknemer genoemd
171
Registergoederen
Registergoederen zijn goederen die volgens de wet in een bepaald register moeten worden ingeschreven. Voorbeelden hiervan zijn onroerende zaken (grond, woningen en andere panden), enkele schepen, vliegtuigen en genotsrechten op deze zaken (denk hierbij aan het recht van opstal, het recht van erfpacht en het appartementsrecht).
172
Genotsrechten
Een genotsrecht is het recht om iets van iemand anders te gebruiken of de inkomsten ervan te krijgen, zonder dat je het bezit.
173
Voorrangsrecht.
Dit betekent dat de geldverstrekker bij gedwongen verkoop van de woning als eerste recht heeft op de verkoopopbrengst.
174
Parate executie
Wanneer de schuldenaar in verzuim is met de voldoening waarvoor het pand of de hypotheek tot waarborg strekt, is de pandhouder of de hypotheekhouder bevoegd het verbonden goed te verkopen zonder gerechtelijke uitspraak en het aan hem verschuldigde op de opbrengst te verhale.
175
Bezit
De bezitter is namelijk de persoon die het goed voor zichzelf houdt. dat betekent dat hij het goed in zijn macht heeft en dit ook voor zichzelf wil hebben. Een bezitter hoeft geen eigenaar te zijn. Een dief die een goed steelt, is bezitter, maar geen eigenaar. Degene die een goed heeft geleend en dus niet voor zichzelf houdt, wordt houder genoemd
176
Eigendom
Eigendom is het meest verstrekkende recht dat een persoon kan hebben op een zaak. Wie eigenaar is, mag in principe doen met het eigendom wat hij maar wil. Eigendom is een juridische toestand, in tegenstelling tot bezit: dat een feitelijke toestand is. en eigenaar is in veel gevallen tevens bezitter: hij heeft de juridische eigendom en houdt het goed voor zichzelf.
177
Houder
Degene die een goed heeft geleend en dus niet voor zichzelf houdt, wordt houder genoemd.
178
Renteverwachtingen
Als banken verwachten dat de rente over enkele jaren hoger zal zijn dan de huidige rente, zullen ze de huidige tarieven al daarop afstemmen. Verwachten banken dat de tarieven zullen gaan dalen, dan berekenen ze ook dat door in de huidige tarieven. Rentevaste perioden worden dus ook bepaald door de renteverwachtingen voor de toekomst.
179
Drie varianten van hypotheken
De vaste hypotheek De krediethypotheek De bankhypotheek
180
De vaste hypotheek
De hoogte van de lening staat vast in de hypotheekakte De hoogte van de rente staat vast in de hypotheekakte Het aflossingsschema staat vast in de hypotheekakte Na elke aflossing daalt het recht van hypotheek daarin mee Afgeloste bedragen kunnen niet opnieuw worden opgenomen Het hypotheekrecht dient als zekerheid voor terugbetaling van de vaststaande lenin.
181
De krediethypotheek
Het kredietbedrag kan wisselen binnen dezelfde hypotheekakte De hoogte van de rente staat vast in de hypotheekakte Het aflossingsschema staat vast in de hypotheekakte Na een volledige aflossing blijft het hypotheekrecht bestaan Vrije (her)opname van bedragen tot maximum zoals vermeld in de hypotheekakte Het hypotheekrecht dient als zekerheid voor de terugbetaling van het rekening courant krediet (krediethypotheek) Na volledige aflossing is het recht van hypotheek ook gedaald naar 'nul'
182
De bankhypotheek
Het maximumbedrag dat dient tot zekerheid staat vast in de hypotheekakte De lening zelf wordt vastgelegd in een onderhandse akte Afgeloste bedragen kunnen opnieuw worden opgenomen binnen dezelfde hypotheekakte Na volledige aflossing blijft het recht van hypotheek bestaan Verhogingen kunnen onderhands worden geregeld tot het maximumbedrag Het hypotheekrecht dient als zekerheid voor terugbetaling van alle verplichtingen (rente en aflossing) Een hogere inschrijving dan het opgenomen bedrag in de hypotheekakte is mogelijk
183
Kenmerken annuïteitenhypotheek
Bij een annuïteitenhypotheek betaalt de klant iedere maand een vast bedrag. Dit bedrag bestaat uit rente en aflossing. Tijdens de gekozen rentevastperiode blijven de bruto maandlasten dan ook gelijk. In de eerste jaren zullen die lasten hoofdzakelijk bestaan uit rente. In de loop van de tijd verandert de samenstelling van het bedrag: de klant betaalt dan steeds minder rente en steeds meer aflossing. De netto maandlast stijgt daardoor.
184
Kenmerken lineaire hypotheek
Ook bij deze hypotheek bestaan de maandlasten uit rente en aflossing. Bij de lineaire hypotheek echter betaalt de klant iedere maand hetzelfde bedrag aan aflossing. Doordat de schuld afneemt, gaat de klant in de loop van de tijd steeds minder rente betalen. Hierdoor dalen de bruto maandlasten en tegelijk ook de netto maandlasten. Door de hogere aflossing vanaf de start daalt de schuld sneller dan bij andere hypotheekvormen. De lineaire hypotheek is over de gehele looptijd dan ook de goedkoopste hypotheek met aflossingsvorm.
185
LTV-ratio
Loan-to-value’ ratio (LTV-ratio): de lening in verhouding tot de woningwaarde. Loan To Value-ratio. De LTV-ratio geeft de verhouding tussen de waarde van het onderpand (vrije verkoopwaarde) en het te verstrekken krediet weer.
186
Gemaximeerd hypotheekverstrekking
De hypotheekverstrekking is dus gemaximeerd tot 100% van de woningwaarde. Dit houdt ook in dat de koper alle bijkomende kosten - zoals overdrachtsbelasting, kosten voor de notaris, taxatie en advies - uit eigen middelen moet voldoen.
187
Calcasa-waarden
Calcasa is een geautomatiseerd woningtaxatiemodel dat taxateurs verplicht moeten gebruiken. Het model analyseert de locatie en de kenmerken van de woning en brengt vergelijkbare woningverkopen in kaart. De uitkomst van het model moet een betrouwbare indicatie van de actuele woningwaarde geven.
188
LTI-ratio
Loan-to-income De belangrijkste aspecten die meespelen bij inkomen en hypotheken, zijn: - hoogte bruto-inkomen(s) aanvrager(s); - betalingsverplichtingen aanvrager(s); - aard en soort dienstverband aanvrager(s); - moraliteit aanvrager(s); - hoogte eigen vermogen aanvrager(s).
189
Woonquotes
Geldverstrekkers hanteren bij het bepalen van de maximale hypotheeksom percentages die ook weer afhankelijk zijn van het bruto-inkomen. Hiermee geven banken aan welk percentage van het bruto-inkomen een aanvrager mag besteden aan bruto hypotheeklasten. De percentages die daarvoor worden gehanteerd, noemen we de 'woonquotes'. De woonquotetabel wordt jaarlijks opgesteld door het Nibud. Voor mensen met een hoger inkomen geldt een hogere woonquote. Dit komt doordat voor uitgaven voor levensonderhoud een standaard percentage wordt gehanteerd. Het inkomen boven dit percentage mag worden uitgegeven aan hypotheeklasten. Behalve van de hoogte van het inkomen is de woonquote ook afhankelijk van de hypotheekrente. Bij een lage rentestand kan doorgaans meer worden geleend dan bij een hoge rentestand.
190
De berekening van de maximale woonlast
De berekening van de maximale woonlast ziet er als volgt uit: - bruto-inkomen aanvrager x woonquote = woonlast - woonlast -/- lopende financiële verplichtingen = maximale woonlast
191
WEW
Stichting Waarborgfonds Eigen Woning De Nationale Hypotheek Garantie (NHG) wordt verstrekt door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woning (WEW). Het WEW stelt zich richting de geldverstrekker (dus de bank) onder bepaalde voorwaarden garant voor eventuele restschulden bij gedwongen verkoop van de woning. Deze garantie kan worden verkregen door een bepaald percentage van het hypotheekbedrag als borg te betalen aan het WEW.
192
Het doel van de NHG
Het doel van de NHG is het bevorderen van woningbezit. Geldverstrekkers zullen, als gevolg van de NHG, makkelijker een hypothecaire lening verstrekken. Hun risico neemt namelijk af. NHG voorkomt geen betalingsproblemen bij de geldlener, de NHG voorkomt dat de bank in de problemen komt als zich betalingsproblemen voordoen. Ook het verlagen van de hypotheekrente is geen doel van de NHG, maar een gevolg van het afnemende risico voor de bank.
193
Rol notaris
Een notaris stelt de akte van levering op en de kopende en de verkopende partij ondertekenen deze akte bij de notaris. Dit wordt het 'passeren van de akte' genoemd. De notaris heeft een rol bij zowel de transportakte als de hypotheekakte. De transportakte wordt na het passeren ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster; na deze inschrijving is het registergoed overgedragen (geleverd).
194
Transportakte
Akte van levering Een notaris stelt de akte van levering op en de kopende en de verkopende partij ondertekenen deze akte bij de notaris.
195
Hypotheekakte
Het recht van hypotheek kan alleen worden gevestigd door een notaris. Nadat dit recht is vastgelegd in de hypotheekakte, ontvangt de hypotheeknemer hiervan een afschrift, de 'grosse'
196
Zakelijk gebruiksrecht
197
Hypothecair krediet
Een hypothecair krediet is een geldlening voor een woning of voor een ander onroerend goed waarbij de bank de woning mag verkopen bij het niet terugbetalen van de lening. Voor het financieren van een woning wordt meestal een lening afgesloten. Deze lening wordt hypothecair krediet of hypotheek genoemd. Een hypothecair krediet kan worden gebruikt voor bijvoorbeeld de aankoop, de verbetering of het onderhoud van de woning. Hypothecaire kredieten zijn dus niet alleen geschikt om een eigen woning te kopen
198
Activa en Passiva
Op de balans staan alle bezittingen, je eigen vermogen en de schulden van je onderneming op een bepaald moment. De linkerzijde heet ook wel de debet of de activa. De rechterzijde heet ook wel de credit of de passiva. Activa zijn bezittingen Passiva de manier waarop de activa zijn gefinancierd.
199
De definitie van verzekeren is
Een overeenkomst waarbij de verzekeraar zich door het ontvangen van premie aan de verzekerde verbindt om één of meerdere uitkeringen te doen. Er moet wettelijk sprake zijn van een onzeker voorval. Essentie van verzekeren is het afdekken van een risico dat iemand niet zelf kan of wil dragen
200
Schadeverzekeringen
Bij schadeverzekeringen spreken we over verzekeringen die als doel hebben om een schadeloosstelling te bieden. Met andere woorden: de geleden schade moet worden vergoed. De geleden schade moet daarom ook worden aangetoond. Als geen schade wordt aangetoond, volgt geen schadevergoeding
201
Indemniteitsbeginsel
Dit beginsel houdt in, dat een consument er door de vergoeding van de schade niet op vooruit mag gaan. Als het indemniteitsbeginsel geldt, mag de uitkering dus niet hoger zijn dan de geleden schade. De verzekerde zal krachtens de verzekering geen vergoeding ontvangen, waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. De vorige zin mist toepassing bij voorafgaande taxatie van de waarde van een zaak tot stand gekomen krachtens een aan een deskundige opgedragen beslissing of krachtens een beslissing van partijen overeenkomstig het advies van een deskundige
202
Sommenverzekering
In tegenstelling tot een schadeverzekering wordt bij een sommenverzekering juist een vooraf vastgesteld bedrag verzekerd. Dit bedrag wordt uitgekeerd ongeacht de hoogte van de schade. De uitkering kan dus hoger of lager zijn dan de geleden schade.
203
Schadeverzekeringen zijn te onderscheiden in:
1. Materiële verzekeringen vergoeden schade aan bezittingen, vaak genoemd een object of een zaak. Hierbij valt te denken aan inboedel-, woonhuis-, motorrijtuig- en pleziervaartuigenverzekeringen. Een adviseur Schadeverzekeringen particulier mag adviseren over materiële verzekeringen. 2. Vermogensbeschermende verzekeringen vergoeden financiële schade die ontstaat door aansprakelijkheden of kosten die moeten worden betaald. Voorbeelden hiervan zijn de aansprakelijkheidsverzekering particulieren (AVP), de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM), de rechtsbijstandverzekering en de annuleringsverzekering. Een adviseur Schadeverzekeringen particulier mag adviseren over vermogensbeschermende verzekeringen. 3. Persoonsverzekeringen verzekeren de risico’s van leven en gezondheid. Persoonsverzekeringen kunnen zowel schade- als sommenverzekeringen zijn. Als adviseur Schadeverzekeringen particulier mag je alleen de persoonsverzekeringen adviseren die schadeverzekeringen zijn; je mag geen sommenverzekeringen adviseren. De zorgverzekering is een persoonsverzekering die een schadeverzekering is. De zorgverzekering vergoedt namelijk alleen de financiële schade (zorgkosten). Behalve over de zorgverzekering mag je ook over de ongevallenverzekering adviseren. Ook de ongevallenverzekering is een persoonsverzekering, maar dan als combinatie van een schade- en een sommenverzekering. De ongevallenverzekering bestaat namelijk uit verschillende dekkingsonderdelen (rubrieken). De meeste rubrieken zijn gebaseerd op een sommenverzekering (een vooraf afgesproken uitkeringsbedrag), enkele andere zijn gebaseerd op een schadeverzekering (die niet meer dan de daadwerkelijke schade dekken).
204
Persoonsverzekeringen
Alleen persoonsverzekeringen kunnen sommenverzekering zijn. Persoonsverzekeringen zijn verzekeringen die betrekking hebben op het leven en gezondheid van de mens.
205
Persoonsverzekeringen onderscheiden we voornamelijk in:
1. Levensverzekeringen keren uit bij leven en/of overlijden. Hierbij valt te denken aan een overlijdensrisicoverzekering (ORV) of een lijfrenteverzekering. Een adviseur Schadeverzekeringen particulier mag niet adviseren over levensverzekeringen: dit terrein is weggelegd voor de adviseur Vermogen. 2. Inkomensverzekeringen keren uit bij een inkomensterugval bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en/of werkloosheid. Voorbeelden hiervan zijn de arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) en de woonlastenverzekering. De consument kan deze verzekeringen ook als schadeverzekering afsluiten; die dekt alleen de daadwerkelijke schade. In dat geval bedraagt de uitkering niet meer dan het daadwerkelijke inkomensverlies bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en/of werkloosheid. Ook over deze inkomensverzekeringen mag een adviseur Schadeverzekeringen particulier niet adviseren: dit is het terrein van de adviseur Inkomen.
206
Risicomanagement
Als de adviseur alle mogelijke risico’s heeft geïnventariseerd, kan hij per risico bekijken hoe groot de kans op schade is en wat de omvang van de schade kan zijn. Risico = kans x omvang
207
IPID
Insurance Product Information Document Europese verzekeraars moeten voor schadeverzekeringen een Insurance Product Information Document (IPID) aanbieden. Het IPID bevat de meest relevante dekkingsinformatie en is een hulpmiddel om verzekeringen van verschillende aanbieders met elkaar te vergelijken. Het is dus een samenvatting van de polisvoorwaarden. Het IPID noemen we ook wel een verzekeringskaart.
208
Bezitsrisico
Bezitsrisico betreft het risico op schade aan de zaken die een verzekerde in bezit heeft Als je zaken als een huis, auto, brommer of bankstel bezit, kunnen deze zaken beschadigd raken. Dergelijke zaken kunnen ook worden gestolen of verloren raken.
209
Factoren premie autoverzekering
Op de premie van een autoverzekering kunnen vier factoren van invloed zijn: 1. de leeftijd van de bestuurder; 2. de woonplaats van de regelmatige bestuurder; 3. het jaarkilometrage (het jaarlijks te rijden aantal kilometers); 4. het schadeverleden.
210
Herbouwwaarde
De herbouwwaarde is de waarde die nodig is om dezelfde woning op de dezelfde plaats met dezelfde (particuliere) bestemming te herbouwen. Bij schade is de herbouwwaarde het maximale bedrag dat wordt uitgekeerd.
211
Aansprakelijkheid
Aansprakelijkheid is de vervolgbaarheid voor veroorzaakte schade. Aansprakelijkheid kan voortkomen uit de wet en uit een overeenkomst.
212
Wettelijke aansprakelijkheid
Wettelijke aansprakelijkheid houdt in dat de persoon aansprakelijk is omdat dat in de wet staat. De persoon die een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, is wettelijk aansprakelijk. Hiermee wordt een persoon dus verantwoordelijk gehouden voor eigen daden.
213
Risicoaansprakelijkheid
We kennen ook risicoaansprakelijkheid. Volgens dit principe is een persoon aansprakelijk voor iets of iemand in zijn risicosfeer. Voorbeelden hiervan zijn kinderen en huisdieren of gebrekkige zaken als een gevaarlijke trap in huis. Kinderen van 18 jaar en ouder zijn meerderjarig; hierdoor zijn zij zelf aansprakelijk voor de schade die ze veroorzaken. Risicoaansprakelijkheid kan zowel wettelijk als buitenwettelijk bestaan.
214
.Verzekerden Via de AVP zijn de volgende personen verzekerd:
- de verzekeringnemer; - de partner; - de in gezinsverband samenwonende personen; - de inwonende ongehuwde kinderen; - de uitwonende ongehuwde kinderen die in een inrichting wonen of voor studie uitwonend zijn; - de inwonende groot- of overgrootouders; - logés (secundair, want primair zijn ze verzekerd via hun eigen AVP); - huispersoneel (secundair, want ook zij zijn primair verzekerd via hun eigen AVP).
215
AVP
Aansprakelijkheidsverzekering voor Particulieren.
216
WA
Wettelijke Aansprakelijkheid
217
WAM
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenverkeer In Nederland kennen we een verplichte WA-verzekering: de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenverkeer (WAM). Deze verzekering is verplicht als gevolg van het grote aantal ongelukken met motorrijtuigen en het hoge aantal schades in het verkeer.
218
Waarborgfonds Motorverkeer.
Het Waarborgfonds Motorverkeer is een vangnet voor die gevallen waarbij schade wordt veroorzaakt door een motorrijtuig, maar de WAM-verzekeraar geen dekking biedt voor de benadeelde Benadeelden kunnen een schadevergoeding claimen bij het Waarborgfonds in de volgende situaties: - schade door een onbekende dader die is doorgereden; - schade door een onverzekerd motorrijtuig; - schade door een gestolen motorrijtuig.
219
Rechtsbijstandverzekering
Het doel van een rechtsbijstandverzekering is het geven van een dekking voor de kosten van rechtszaken en juridisch advies. Soms geldt hierbij een maximumbedrag, soms worden alle kosten van de rechtsbijstand vergoed. Voor een rechtsbijstandverzekering geldt meestal een wachttijd. Dit is een periode waarin de verzekerde geen gebruik mag maken van de verzekering
220
Gezinsrechtsbijstandverzekering
Het doel van een gezinsrechtsbijstandverzekering is gelijk aan het doel van een reguliere rechtsbijstandverzekering. Het verschil is, dat bij de gezinsrechtsbijstandverzekering op dezelfde polis meerdere mensen zijn verzekerd. Dat betreft sowieso de verzekeringnemer zelf, maar bijvoorbeeld ook de mensen die bij de verzekeringnemer in huis wonen of eventueel uitwonende, ongehuwde en studerende kinderen.
221
Motorrijtuigenrechtsbijstandverzekering
Het doel van een motorrijtuigenrechtsbijstandverzekering is hetzelfde. Deze verzekering beperkt zich echter tot rechtshulp voor zaken in verband met verkeers- en motorrijtuigen.
222
Bedrijfsrechtsbijstandverzekering
Deze verzekering biedt bedrijven dekking voor de kosten van rechtshulp en is vergelijkbaar met de dekking voor particulieren. Vooral kleinere bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) sluiten deze verzekering af. Kleinere bedrijven beschikken namelijk doorgaans niet over een eigen juridische afdeling; ook hebben ze geen eigen advocaten in dienst die de belangen van het bedrijf kunnen behartigen.
223
Cyberverzekering
Iedereen loopt het risico om slachtoffer te worden van cybercrime. Een hack kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat het slachtoffer niet meer bij zijn belangrijke documenten kan komen. Dekking op de cyberverzekering Een cyberverzekering is een verzekering die de kosten van hulpverlening en de schade door bepaalde cyberincidenten vergoedt, die in de polisvoorwaarden staan. Onderstaande voorvallen kunnen standaard worden verzekerd: - identiteitsfraude; - verlies van geld; - e-reputatieschade; - inbreuk op privacy; - aankopen via webshop; - aansprakelijkheid; - afpersing; - psychologische hulp. De cyberverzekering is geen bezitsverzekering, zoals de woonhuis- en inboedelverzekering. Het is namelijk een vermogensbeschermende verzekering.
224
Kortlevenrisico
Het kortlevenrisico betreft het risico dat een verzekerde onverwachts vroegtijdig overlijdt. Met een overlijdensrisicoverzekering kan het verlies van vermogen of inkomen bij vroegtijdig overlijden worden verzekerd.
225
Langlevenrisico.
Ook een goede gezondheid kan een risico met zich meebrengen. Dit noemen we het langlevenrisico. Bij een lang leven zal extra vermogen beschikbaar moeten zijn om in het levensonderhoud te kunnen blijven voorzien.
226
Arbeidsongeschiktheid
Een werknemer is arbeidsongeschikt als de werknemer na 2 jaar ziekte nog steeds niet, of verminderd, kan werken. De werkgever betaalt als de werknemer ziek is maximaal 2 jaar het loon door. De hoogte van de loondoorbetaling is minimaal 70% van het laatstverdiende loon, waarbij dit loon wordt gemaximeerd tot het maximum dagloon volgens de wet. Een werkgever mag wel meer vergoeden dan wettelijk verplicht is. Verder geldt als verplichting dat de werkgever in het eerste jaar minimaal het wettelijk minimumloon moet uitbetalen. In het tweede jaar mag de loondoorbetaling (minimaal 70% van het laatstverdiende loon) onder het wettelijk minimumloon uitkomen.
227
WIA
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. oor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) krijgt een werknemer die minimaal 35% arbeidsongeschikt is na 104 weken (2 jaar) ziekte een WIA-uitkering. Voor jonge arbeidsongeschikten bestaat de Wajong. Voor de Wajong geldt dat de jonge arbeidsongeschikte volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet zijn om voor de Wajonguitkering in aanmerking te komen. Die arbeidsongeschiktheid moet een van de volgende oorzaken hebben: de betrokkene is vóór de 18e verjaardag ziek of arbeidsongeschikt geworden; of de betrokkene is tussen zijn 18e en 30e verjaardag ziek of arbeidsongeschikt geworden en de jongere heeft voorafgaand aan de ziekte of arbeidsongeschiktheid minimaal 6 maanden gestudeerd.
228
WGA
Vanuit de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) kunnen gedeeltelijk arbeidsongeschikte personen een uitkering krijgen. De WGA-loongerelateerde uitkering is minimaal 3 maanden, maar kan langer zijn door het arbeidsverleden van de werknemer. - Voor de eerste 10 jaren geldt: 1 jaar werken is 1 maand uitkering. - Voor jaren daarna geldt: 1 jaar werken is een halve maand uitkering. De uitkering is wettelijk maximaal 24 maanden. Valt de werknemer onder een cao? Dan kan afgesproken zijn dat de uitkering maximaal 38 maanden is. De wettelijke uitkering kan dus met 14 maanden aangevuld zijn vanuit een cao. Dit geldt niet alleen voor de WGA-loongerelateerde uitkering bij arbeidsongeschiktheid, maar ook voor de WW-uitkering bij ontslag.
229
woonlastenverzekering
Om het risico van onbetaalbaarheid van de vaste (woon)lasten door inkomensverlies af te dekken, bestaat de keuze voor een woonlastenverzekering. Deze verzekering heeft als doel om de vaste lasten als hypotheekkosten of huurtermijnen voor een bepaalde periode te kunnen blijven betalen.
230
AOV
Een uitgebreidere (en meestal ook duurdere) verzekering is een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV). Deze verzekering keert bij arbeidsongeschiktheid periodiek (meestal maandelijks) een bedrag uit. Het zijn vooral ondernemers die een AOV afsluiten, omdat zij geen recht hebben op een uitkering vanuit de WIA.
231
Zvw
Zorgverzekeringswet De Zvw geeft verder aan voor welke bedragen iedereen minimaal verzekerd moet zijn in de zorgverzekering. Verzekeraars hebben een acceptatieplicht voor de zorgverzekering, maar niet voor de aanvullende ziektekostenverzekering. De zorgverzekering kent een verplicht eigen risico van € 385,- per verzekeringsjaar per verzekerde vanaf 18 jaar. Zijn bepaalde zorgkosten gedekt op de zorgverzekering? Dan geldt alleen een vergoeding voor de kosten die boven dit bedrag uitkomen. Het eigen risico geldt echter niet voor de kosten die worden gemaakt bij kraamzorg, verloskundige zorg of een huisartsenbezoek. Deze kosten worden altijd vergoed door de zorgverzekering.
232
Premieopbouw Zvw
De Zvw heeft ook de premieopbouw van de zorgverzekering vastgelegd. Die premieopbouw bestaat uit twee delen: - nominale premie: de premie die wordt betaald aan de verzekeraar; premies kunnen per verzekeraar verschillen, maar de verzekerde dekking moet (minimaal) hetzelfde zijn - inkomensafhankelijke bijdrage: deze bijdrage wordt door de verzekerde zelf of door de werkgever afgedragen aan de overheid en is afhankelijk van het inkomen.
233
Naturapolis
Naturapolis: de vergoeding van de kosten vindt rechtstreeks plaats aan de zorgverstrekker waarmee de verzekeraar een zorgcontract heeft. De polis waarin de zorgverzekeraar de rekeningen rechtstreeks aan de zorgaanbieder betaalt, en de verzekerde dit niet hoeft te doen. De verzekerde kan alleen zorg afnemen van de zorgaanbieders waarmee de zorgverzekeraar een contract heeft gesloten.
234
Restitutiepolis
Restitutiepolis: de kosten worden vergoed aan de verzekerde, nadat hij de kosten eerst zelf heeft voldaan. De polis waarin de verzekerde de rekening aan de zorgaanbieder betaalt en die vervolgens declareert bij zijn zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar vergoedt naast de gecontracteerde zorgaanbieders ook de zorg van niet-gecontracteerde zorgaanbieders. De verzekerde heeft bij deze polis dus meer keuzevrijheid.
235
Dit valt onder basis zorgverzekering
- Tandarts tot 18. - Geneesmiddelen - Verloskunde en kraamzorg - Huisarts - Logopedie - Medisch specialistische zorg - Ziekenhuisopname - Ziektevervoer - Zorgkosten buitenland tegen NL kostprijs - Kustgebit (implantaten) - Hoortoestel
236
Dit valt onder aanvullende ziektenkostenverzekering
- Tandarts vanaf 18 - Alternatieve geneeswijzen - Reisvaccinaties - Cosmetische chirugie - Brillen en contactlenzen - Orthodontie - Vanaf 21 bepaalde anticonceptie - Zorgkosten buitenland tegen buitenlandse prijs
237
Wlz
Wet langdurige zorg (Wlz) De Wlz is bedoeld voor mensen die de hele dag intensieve zorg, langdurige verpleging of toezicht nodig hebben. Mensen die intensieve zorg of toezicht nodig hebben, kunnen vanaf een Wlz-indicatie van het CIZ langdurige zorg krijgen in een instelling of thuis, als de thuissituatie geschikt is. Deze zorg is bedoeld voor kwetsbare ouderen, mensen met een handicap of psychische aandoening. Met een Wlz-indicatie is verblijf in een zorginstelling of intensieve zorg thuis mogelijk. Het Zorgkantoor beoordeelt of thuiszorg verantwoord is/
238
Wmo
Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); Behalve externe zorg en verpleging is het ook mogelijk om thuiszorg te krijgen, bijvoorbeeld via mantelzorgers en vrijwilligers. De vergoeding voor deze huishoudelijke ondersteuning is geregeld in de Wmo.
239
Jeugdwet
Door de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk voor de meeste zorg en hulp voor kinderen en jeugdigen.
240
CIZ
Het Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) onderzoekt wie recht heeft op zorg door de Wet op de langdurige zorg (Wlz)
241
Werknemersverzekeringen
Werknemersverzekeringen zijn verplichte verzekeringen voor alle werknemers. Denk hierbij aan de verzekeringen volgens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW). Werkgevers betalen premies voor deze regelingen. Het UWV voert deze regelingen uit.
242
Sociale verzekeringen
Sociale verzekeringen worden door de overheid verplicht gesteld voor de hele Nederlandse bevolking of voor bepaalde groepen van de bevolking. Deze verzekeringen zijn vastgelegd in de wet. De sociale verzekeringen zijn onder te verdelen in volksverzekeringen en werknemersverzekeringen. Sociale verzekeringen dekken inkomensrisico’s af die het gevolg zijn van ziekte, ouderdom of het overlijden van een partner.
243
Volksverzekeringen
Volksverzekeringen zijn verplichte verzekeringen voor alle inwoners van Nederland. Dit betreft de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). De overheid stelt de premies voor deze verzekeringen vast. Deze premies bedragen meestal een percentage van het inkomen.
244
Anw
Vanuit de Algemene nabestaandenwet (Anw) kunnen personen een uitkering vanuit de overheid krijgen tot de AOW-leeftijd als hun partner is overleden. Hierbij mag zijn inkomen niet hoger zijn dan een door de overheid vastgesteld bedrag. En hierbij moet hij voldoen aan één van de volgende twee voorwaarden: 1. Hij verzorgt een kind onder de 18 jaar. 2. Hij is voor meer dan 45% arbeidsongeschikt
245
Werknemersverzekeringen
Werknemersverzekeringen zijn verplichte verzekeringen voor alle werknemers in loondienst en gelijkgestelden. In Nederland kennen we de volgende werknemersverzekeringen: - de Werkloosheidswet (WW); - de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO); - de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA); - de Ziektwet (ZW).
246
Ketenbepaling arbeidsovereenkomst
Een werkgever kan een werknemer maximaal 3 tijdelijke dienstverbanden aanbieden in 3 jaar tijd. Daarna moet de werkgever de werknemer een vast dienstverband geven. Zit tussen deze dienstverbanden een periode van meer dan 6 maanden? Dan start de termijn opnieuw.
247
Transitievergoeding
Wordt een werknemer ontslagen? Dan heeft de werknemer recht op een transitievergoeding van de werkgever. Vanaf de eerste werkdag heeft een werknemer hier recht op. Voor elk gewerkt jaar is de transitievergoeding een derde van het bruto maandsalaris.
248
Zwangerschapsverlof en bevallingsverlof
Een werknemer heeft recht op 6 weken doorbetaald zwangerschapsverlof en 10 weken doorbetaald bevallingsverlof vanuit de werkgever.
249
Geboorteverlof en aanvullend geboorteverlof
Een partner heeft recht op 1 week doorbetaald geboorteverlof vanuit de werkgever. Daarna heeft de partner recht op 5 weken aanvullend geboorteverlof. Hiervoor kan de partner een uitkering aanvragen bij het UWV die 70% doorbetaalt.
250
Arbeidsongeschikt
Een werknemer is arbeidsongeschikt als hij langer dan 2 jaar ziek is.
251
Sommenverzekering
De verzekering waarbij het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed. Zij is slechts toegelaten bij persoonsverzekeringen en bij verzekeringen welke daartoe bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig binnen daarbij vast te stellen grenzen, zijn aangewezen Bij de sommenverzekering is dus niet de daadwerkelijke schade het uitgangspunt, maar het op het polisblad vermelde verzekerde bedrag. Bij een sommenverzekering is het indemniteitsbeginsel dus, anders dan bij schadeverzekeringen, niet van toepassing.
252
Twee soorten levensverzekeringen
1. kapitaalverzekering 2. renteverzekering.
252
Voorbeelden persoonsverzekering
- ongevallenverzekering (meestal een sommenverzekering); - levensverzekering (altijd een sommenverzekering); - zorgverzekering (altijd een schadeverzekering); en - arbeidsongeschiktheidsverzekering (kan zowel een schade- als een sommenverzekering zijn).
253
Kapitaalverzekering
Een kapitaalverzekering is een sommenverzekering die een bedrag ineens uitkeert op een bepaald moment aan de begunstigde. Kapitaalverzekeringen kunnen standaard op twee manieren worden afgesloten: 1. een uitkering bij overlijden 2. een uitkering bij in leven zijn.
254
Aflopende verzekering.
Bij deze verzekeringen zien we vaak dat het bedrag van de dekking daalt naarmate de looptijd van de verzekering vordert. Dit noemen we een aflopende verzekering. Bij een aflopende verzekering wordt het verzekerde bedrag ieder jaar lager, omdat ook de behoefte voor de voorziening jaarlijks minder wordt.
255
Renteverzekering
Een renteverzekering keert vanaf een bepaalde datum periodiek, bijvoorbeeld maandelijks, een geldbedrag uit aan de begunstigde, gedurende een vooraf afgesproken periode. Renteverzekeringen kunnen ook standaard op twee manieren worden afgesloten: 1. Een uitkering bij overlijden; en 2. Een uitkering bij in leven zijn.
256
Lijfrenteverzekering.
Een uitkering bij in leven zijn, is een lijfrenteverzekering. Een lijfrenteverzekering keert vanaf een bepaalde datum maandelijks een geldbedrag uit aan de begunstigde (meestal de verzekeringnemer), gedurende een vooraf afgesproken periode. Deze periode van uitkeren kan levenslang zijn of voor een kortere periode een extra inkomensaanvulling geven, bijvoorbeeld een tijdelijke oudedagslijfrente.
257
Erfrenteverzekering
Een uitkering bij overlijden, is een erfrenteverzekering. Deze keert na overlijden van de verzekerde periodiek, bijvoorbeeld maandelijks, een geldbedrag uit aan de begunstigde(n) (meestal de nabestaande(n)). De uitkering vindt plaats gedurende een vooraf afgesproken periode.
258
Gemengde verzekering
Het is ook mogelijk om een kapitaalverzekering af te sluiten als verzekering bij leven en overlijden. Deze verzekeringsvorm noemen we dan ook een gemengde verzekering. Een gemengde verzekering keert het verzekerde bedrag ineens uit als de verzekerde op de einddatum nog in leven is óf eerder, bij overlijden vóór de einddatum van de verzekering.
259
Drie pensioenregelingen
- ouderdomspensioen; - nabestaandenpensioen; - arbeidsongeschiktheidspensioen.
260
Eerste pijler
De eerste pijler regelt de basispensioenvoorzieningen van de overheid, zoals de AOW in Nederland, die iedereen krijgt die in een Nederland woont of heeft gewerkt. Dit is een gegarandeerde uitkering voor ouderen, gefinancierd door belastingen, om hen een basisinkomen te geven na het bereiken van de AOW-leeftijd. AOW en Anw
261
Tweede pijler
De tweede pijler gaat over het aanvullende pensioen dat je opbouwt via je werkgever. Dit pensioen komt bovenop het basispensioen van de overheid. Ouderdomspensioen, Nabestaandenpensioen en Wezenpensioen
262
Derde pijler
In de derde pijler kan iemand zelf een pensioenproduct afsluiten. Bijvoorbeeld lijfrenten, koopsommen en levensverzekeringen. Hiermee kan bijvoorbeeld een pensioengat worden aangevuld of kan iemand eerder stoppen met werken. Ook zelfstandigen kunnen kiezen voor een individueel pensioenproduct in de derde pijler. Oudedagslijfrente, Nabestaandenlijfrente en Tijdelijke oudedagslijfrente
263
Het Nederlandse pensioenstelsel is opgebouwd uit de volgende drie pijlers (pijlersysteem):
Eerste pijler: overheid. Tweede pijler: Werkgever. Werknemerspensioen. Derde pijler: Privé Lijfrenteverzekeringen
264
Lijfrenteverzekeringen
Een lijfrenteverzekering is een sommenverzekering. Een lijfrenteverzekering keert meerdere bedragen uit over een bepaalde periode, bijvoorbeeld vanaf de AOW-leeftijd.
265
Wezenpensioen
Het wezenpensioen is het nabestaandenpensioen dat de kinderen van een deelnemer van een pensioenfonds ontvangen als de deelnemer overlijdt.
266
Vlakke premie
Een vlakke premie is een vast percentage van de pensioengrondslag dat iedereen betaalt voor een verzekering of pensioen, ongeacht leeftijd of risico.
267
verzekeringsovereenkomst
Een verzekering is een overeenkomst tussen een verzekeringnemer en verzekeraar. De verzekeringnemer betaalt premies aan de verzekeraar. De verzekeraar doet een uitkering bij schade. Een verzekeringsovereenkomst komt pas tot stand als de verzekeraar de aanvraag accepteert.
268
Wilsovereenstemming.
Bij wilsovereenstemming zijn beide partijen akkoord met de overeenkomst.
269
Het aanvraagformulier kent drie functies:
1. de handtekening op het formulier bevestigt de wilsuiting van de verzekeringnemer; 2. de handtekening bevestigt dat de verzekeringnemer de verplichtingen wil nakomen; en 3. het formulier als geheel dient als gegevensbron voor de beoordeling tot acceptatie.
270
Op het aanvraagformulier van levensverzekeringen komen de volgende begrippen voor:
Verzekeringnemer Verzekerde Premiebetaler Begunstigde
271
Verzekeringnemer
Diegene die de wilsuiting doet
272
Verzekerde
Diegene op wiens leven de verzekering wordt afgesloten
273
Premiebetaler
Diegene die de premies zal voldoen aan de verzekeraar
274
Begunstigde
Diegene die de verzekerde dekking (uitkering) zal ontvangen bij schade
275
Vijf acceptatiebeoordelingen voor acceptatie van de verzekeringsaanvraag
1. Aanvraag wordt op reguliere voorwaarden geaccepteerd 2. Aanvraag wordt geaccepteerd, maar tegen lagere dekking. 3. Aanvraag wordt geaccepteerd, maar tegen hogere premie. 4. Aanvraag wordt geaccepteerd, maar tegen aanvullende voorwaarden. 5. De aanvraag wordt afgewezen.
276
Voorlopige dekking
Tijdens de periode van het beoordelen van de aanvraag geven sommige verzekeraars een voorlopige dekking af. De voorlopige dekking regelt dat toch een bepaalde schadevergoeding wordt uitgekeerd als schade ontstaat in de periode tussen aanvraag en acceptatie.
277
Dekkingsbevestiging
Als sprake is van acceptatie, maakt de verzekeraar een polisblad op. Dit kan soms enige tijd duren. Om de verzekeringnemer toch direct een bevestiging van de acceptatie te geven, geeft de verzekeraar dan een dekkingsbevestiging af, in afwachting van het definitieve polisblad. Een dekkingsbevestiging is geen polisblad, maar geeft de klant wel de zekerheid dat hij verzekerd is. In die zin is het een belangrijk document; zodra dit document een feit is, kan de verzekeraar of de tussenpersoon de klant informeren dat de verzekeringsaanvraag rond is.
278
Stappen acceptatieproces verzekeraar
1. De klant vraagt de verzekering aan. 2. De verzekeraar geeft een voorlopige dekking af. 3. De verzekeraar accepteert de aanvraag. 4. De verzekeraar geeft een dekkingbevestiging. 5. De verzekeraar maakt de polis op. 6. De financiële afhandeling vind plaats.
279
Drie benamingen bemiddelaar
tussenpersoon intermediair adviseur
280
CIS
Stichting Centraal Informatie Systeem (Stichting CIS)
281
FISH
Verzekeringsmaatschappijen kunnen informatie over verzekerden krijgen via een databank die wordt beheerd in opdracht van de Stichting Centraal Informatie Systeem (Stichting CIS). Deze databank, FISH (Fraude en Informatie Systeem Holland), heeft als doel het leveren van een bijdrage aan het voorkomen en bestrijden van verzekeringsfraude en het beheersen van risico's; deze databank doet haar werk ten behoeve van al haar deelnemers (met name verzekeringsmaatschappijen)
282
Reciprociteitsprincipe
De gebruiker kan slechts van een informatiedienst gebruik maken indien en voor zover hij of zij zelf ook informatie aan deze dienst ter beschikking stelt.
283
Eigen gebrek
Een eigen gebrek is een gebrekkige eigenschap of tekortkoming aan een zaak zelf, waardoor het verloren gaat of beschadigd raakt. De verzekeraar vergoedt deze schade niet, behalve als deze hiervan afwijkt in de polisvoorwaarden.
284
Eigen gebrek
Uitkering van de schade is ook niet van toepassing als de schade is veroorzaakt door een eigen gebrek. Bij eigen gebrek ontstaat de schade door de zaak zelf. Een voorbeeld van een ‘eigen gebrek’ is schade die is ontstaan door slijtage. Ook schade die is ontstaan door een gebrek van de zaak zelf, wordt niet gedekt. Een voorbeeld hiervan is het afbreken van de stuurkolom in de auto. Als door het afbreken van de stuurkolom schade ontstaat aan de auto, hoeft de verzekeraar deze schade niet te vergoeden. Het afbreken van de stuurkolom is namelijk een ‘eigen gebrek’ van de zaak zelf. Het ligt dan meer voor de hand dat de schade wordt verhaald op de autofabrikant.
285
Opzet
Bij opzet is het dóel om schade te veroorzaken of toe te brengen vooraf bepaald; bovendien wordt bewust iets gedaan of juist nagelaten. Een voorbeeld van opzet is het in brand steken van de woning met als doel een verzekeringsuitkering te kunnen ontvangen. De schade wordt in dit geval uiteraard niet vergoed; uit de verzekering volgt geen uitkering.
286
Roekeloosheid
Anders dan bij opzet heeft een persoon die zich roekeloos heeft gedragen niet per definitie bewust schade veroorzaakt of toegebracht. Roekeloosheid houdt in dat iemand willens en wetens een verhoogd risico tot het toebrengen of veroorzaken van schade loopt, zonder dat hij deze schade als doel heeft. Een voorbeeld van roekeloosheid is een dronken automobilist die schade veroorzaakt aan zijn auto. Deze dronken automobilist nam willens en wetens een verhoogd risico tot het toebrengen of veroorzaken van schade. De hierdoor veroorzaakte schade wordt niet vergoed; uit de verzekering volgt geen uitkering.
287
Onopzegbare polis
Een onopzegbare polis kan in principe alleen door de verzekeringnemer worden opgezegd en dus niet door de verzekeraar. Onopzegbare polissen zijn meestal levensverzekeringen en medische variaverzekeringen (bijvoorbeeld een zorgverzekering, ongevallenverzekering of arbeidsongeschiktheidsverzekering).
288
Drie situaties waarin de verzekeraar een onopzegbare polis mag opzeggen
- als de verzekeringnemer de premie niet betaalt en geen sprake is van een afkoopwaarde; - als de verzekeringnemer niet voldoet aan de mededelingsplicht - als de verzekeringnemer zich blijvend in het buitenland vestigt (bij levensverzekeringen is dit voor de verzekeraar geen reden om te mogen opzeggen).
289
Respijttermijn
Als de polis is afgesloten, moet de klant premie gaan betalen. Als geen betaling plaatsvindt, begint na de premievervaldatum (de dag waarop de premie betaald had moeten zijn) de respijttermijn. Dit is een periode van 30 dagen waarin de klant de kans krijgt om alsnog de premie te betalen. Tijdens deze periode blijft de dekking van de verzekering nog van kracht, ook al heeft de klant de premie nog niet voldaan.
290
Verzekeringsduur
Op het aanvraagformulier voor de verzekering wordt een verzekeringsduur opgenomen. Deze periode noemen we ook wel de contractslooptijd of contractstermijn van de verzekering. De verzekeringsduur is dus de periode van ingangsdatum tot einddatum van de verzekering.
291
Prolongatiedatum
Op het polisblad wordt voor de einddatum ook het woord contractvervaldatum of prolongatiedatum gehanteerd. Een consument kan een verzekeringsovereenkomst aangaan voor een bepaalde looptijd (verzekeringsduur). De verzekering kan daarna worden verlengd (op de prolongatiedatum) of worden beëindigd (op de contractvervaldatum). Zegt de verzekeringnemer het contract niet op voor deze datum? Dan kan de verzekeraar de verzekering automatisch verlengen. Verzekeringen mogen niet meer stilzwijgend worden verlengd na de looptijd van de verzekering.
292
Opzegging
Voor beide partijen geldt dat ze een eventuele opzegging van de verzekering schriftelijk moeten doen. Hierbij moeten ze ook een opzegtermijn in acht nemen, die varieert tussen zeven dagen en enkele maanden. Tijdens de looptijd mogen zowel de verzekeraar als de verzekeringnemer de verzekering in bepaalde situaties opzeggen. Dit is van de kant van de verzekeraar ook bij bijvoorbeeld een premieachterstand mogelijk. Polis opzegbaar door de verzekeraar: - per contractvervaldatum; - in sommige gevallen ook per premievervaldatum; - na een grote schadeclaim op de polis; opzegging moet dan wel plaatsvinden binnen een bepaalde termijn na de melding van de schade.
293
Premierestitutie
Als de verzekeringnemer premies vooruit heeft betaald, heeft hij na opzegging door de verzekeraar recht op premierestitutie (terugbetaling), voor de periode dat de verzekering niet meer geldig is. Als de premie per maand wordt betaald, is premierestitutie niet mogelijk; dan is namelijk geen premie vooruitbetaald. Polis opzegbaar door de verzekeringnemer: - per contractvervaldatum; - tussentijds, bij toepassing van de en-bloc bepaling door de verzekeraar. Als in de verzekeringsvoorwaarden sprake is van ongelijke tussentijdse opzegmogelijkheden, heeft de klant desondanks dezelfde rechten als de verzekeraar.
294
En-bloc clausule
De en-bloc bepaling of en-bloc clausule wordt soms in de polisvoorwaarden opgenomen. Deze clausule geeft de verzekeraar het recht om eenzijdig wijzigingen door te voeren in de overeenkomst. Als deze wijzigingen nadelig zijn voor de verzekeringnemer, mag de verzekerde de polis tussentijds opzeggen. Zowel de markttoezichthouder AFM als het Verbond van Verzekeraars dringen er sterk op aan, dat de en-bloc clausule zeer zorgvuldig (en bij voorkeur helemaal niet) wordt toegepast. De consument wordt door deze bepaling namelijk geconfronteerd met een onzekere factor.
295
Oververzekering
Als de verzekerde som hoger ligt dan de objectwaarde, spreken we van oververzekering
296
Onderverzekering
Als de verzekerde som lager ligt dan de objectwaarde, spreken we van onderverzekering
297
Dubbele verzekering
Als de verzekerde som via meerdere polissen is verzekerd, spreken we van dubbele verzekering. Door het indemniteitsbeginsel leidt ook dubbele verzekering niet tot meerdere schade-uitkeringen voor hetzelfde object.
298
Formule schade uitkering
Verzekerde som / werkelijke waarde x schadebedrag = schade-uitkering.
299
Drie bestanddelen premie
1. Tarief 2. Poliskosten 3. Assurantiebelasting
300
Tarief
De verzekeraar stelt het tarief vast aan de hand van de door die verzekeraar gebruikte tarieven of door het gebruik van standaardtarieven in tarievenboekjes.
301
Poliskosten
Hieronder vallen de kosten voor administratie, incasso, polisopmaak en mutaties. Mutaties zijn wijzigingen tijdens de looptijd van de verzekering, bijvoorbeeld wijziging van het verzekerde bedrag of het verzekerde object.
302
Assurantiebelasting
Verzekeraars, gevolmachtigden en tussenpersonen die bemiddelen op basis van een nota zijn verplicht om assurantiebelasting in rekening te brengen bij de klant. Deze moeten zij afdragen aan de overheid. De assurantiebelasting wordt gerekend over de premie inclusief alle kosten (polis-, incasso- en administratiekosten). De assurantiebelasting is 21%.
303
Voor de volgende verzekeringen geldt een vrijstelling van assurantiebelasting
- ongevallenverzekering; - levens- en inkomensverzekeringen; - woonlastenverzekering; - zorgverzekering; - werkloosheidsverzekeringen - transportverzekeringen.
304
De plicht tot het betalen van de premie ontstaat als:
De plicht tot het betalen van de premie ontstaat pas na acceptatie door de verzekeraar en geldt vanaf de ingangsdatum van de verzekering. Soms wordt (meestal gratis) een voorlopige dekking verleend.
305
Wet van de grote getallen
Voor verzekeraars is de wet van de grote getallen belangrijk. Verzekeraars schatten de kans op schade in van hun klanten met een beperkte hoeveelheid data. Vervolgens brengen zij een groep klanten bij elkaar met ongeveer hetzelfde risicoprofiel. Als dan bijvoorbeeld een bepaalde klant meer schade leidt dan gemiddeld berekend, dan kan dat gecompenseerd worden met een andere klant die minder schade lijdt dan gemiddeld berekend. Het is voor verzekeraars daarom ook belangrijk om een groot aantal verzekerden in hun portefeuille te hebben.
306
Reserveringen verzekeraars
Zodoende zorgen ze voor voldoende premie-ontvangsten en daarmee voor voldoende beschikbaar vermogen om de te verwachten schades te kunnen uitkeren. Omdat de daadwerkelijke situatie kan afwijken van de geschatte situatie, zullen verzekeraars moeten bijreserveren en afreserveren na een schadeclaim als dat nodig is om de reserveringen juist te houden. Een verzekeraar moet dus bijvoorbeeld meer gaan reserveren als de schadeclaims toenemen.
307
Herverzekering
Bij herverzekeren verzekert de verzekeraar waar de dekking is aangevraagd, een bepaald deel van het risico zelf en wordt het resterende risico overgedragen aan een herverzekeraar. De verzekeraar verzekert dus als het ware zijn verzekeringen bij een herverzekeraar.
308
De volgende aspecten moeten verplicht op een factuur worden vermeld (fiscale verplichtingen).
- een uniek factuurnummer (meestal oplopend en opeenvolgend); - het btw-nummer (of btw-id) van de afzender van de factuur; - het KvK-nummer van de afzender van de factuur; - naam en adresgegevens van het bedrijf dat de factuur verzendt; - omschrijving van de dienstverlening en de aard van de dienst of het product; - datum van levering van de dienst (toekomstig of reeds geleverd); - datum van verwerking eventuele ontvangen vooruitbetaling; en - het bedrag exclusief en inclusief btw dat in rekening wordt gebracht. Voor sommige diensten moet een financieel dienstverlener btw in rekening brengen. Dit betreft adviesdiensten die niet leiden tot bemiddeling en die ook niet de bedoeling hebben gehad om te bemiddelen. ‘Los advies’ wordt dus belast met btw. Alleen de intentie tot bemiddelen is vereist om geen btw op de factuur te hoeven noteren.
309
Assurantiebelasting
Assurantiebelasting wordt betaald over verzekeringen en dus niet over bijvoorbeeld hypotheken, consumptieve kredieten of spaar- en beleggingsrekeningen (dit zijn immers geen verzekeringen). Over de persoonsverzekeringen is géén assurantiebelasting verschuldigd. Dit zijn de volgende verzekeringen: - zorgverzekeringen; - ongevallenverzekeringen; - levensverzekeringen; - inkomensverzekeringen.
310
Samenlevingsvormen
1. Huwelijk 2. Geregistreerd partnerschap 3. Ongehuwd samenwonen
311
Ongehuwd samenwonen
In principe hebben samenwoners vanuit de wet dus geen rechten en plichten naar elkaar toe. Inkomens en vermogens blijven voor de wet gescheiden, tenzij een samenlevingscontract wordt opgesteld.
312
De uitzonderingen op deze gemeenschap van goederen zijn:
- schenkingen en erflatingen die verkregen zijn met een zogenaamde ‘uitsluitingsclausule’; de partner heeft dan geen recht op de schenking of erfenis; - de zogeheten ‘verknochte’ goederen; dit zijn de goederen die naar hun aard niet binnen de gemeenschap zouden moeten vallen, omdat zij een sterke band hebben met slechts één van de beide partners, zoals een horloge, ring en kleding (de eventuele opbrengst van deze verknochte goederen valt overigens wél binnen de gemeenschap); - pensioenrechten die vallen onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) en rechten op nabestaandenpensioen.
313
Gemeenschap van goederen
Alle bezittingen en schulden van beide partners die vóór het huwelijk zijn ontstaan, blijven privébezit van de desbetreffende partner. De standaard is daarmee dat bij een huwelijk in beperkte gemeenschap van goederen drie vermogens ontstaan: twee privévermogens en een gezamenlijk vermogen. Voorhuwelijkse bezittingen en schulden vallen dus niet automatisch binnen de gemeenschap van goederen. Bezittingen en schulden die de partners vóór het huwelijk gezamenlijk zijn aangegaan, vallen wel in de beperkte gemeenschap. Erfenissen en schenkingen vallen niet automatisch in de gemeenschap van goederen. Wat tijdens het huwelijk dus als gevolg van een schenking of erfenis wordt verkregen, blijft privébezit van degene die verkrijgt. Zijn personen getrouwd voor 1 januari 2018? Dan zijn zij standaard getrouwd in de algehele gemeenschap van goederen. In de algehele gemeenschap van goederen vallen dan standaard alle vermogens, dus ook de privévermogens voorafgaand aan het huwelijk, schenkingen en erfenissen.
314
Huwelijkse voorwaarden
Huwelijkse voorwaarden zijn regelingen waarbij wordt afgeweken van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de beperkte gemeenschap van goederen. De huwelijkse voorwaarden kunnen verschillende vormen hebben. Om rechtsgeldig te zijn, moeten ze bij notariële akte worden opgemaakt. Huwelijkse voorwaarden mogen niet in strijd zijn met dwingend voorgeschreven rechtsregels, de openbare orde of de goede zeden. Doorgaans bevatten huwelijkse voorwaarden bepalingen over bijvoorbeeld de kosten van de huishouding, bestuur van goederen of verrekeningen.
315
Koude uitsluiting
Hierbij kan geen enkele gemeenschap van goederen ontstaan en blijft alles privévermogen van de afzonderlijke echtgenoten.
316
Wvps
Op het moment dat gehuwde en geregistreerde partners gaan scheiden, dan zijn in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) regels opgenomen wat er moet gebeuren met opgebouwde pensioenen tijdens het huwelijk. Er zijn op dat moment twee opties: 1. het ouderdomspensioen wordt verevend (ieder krijgt een deel van het ouderdomspensioen van de ander); 2. op het ouderdomspensioen wordt conversie toegepast (ieder krijgt een zelfstandig recht op een deel van het pensioen van de ander).
317
Toestemmingsvereiste.
Echtgenoten, en dus ook geregistreerde partners, hebben volgens het Burgerlijk Wetboek voor bepaalde handelingen toestemming van hun partner nodig. Dit is het toestemmingsvereiste. De vier handelingen waarvoor toestemming is vereist, zijn de volgende: - bepaalde handelingen met betrekking tot de echtelijke woning; - het aangaan van een schuld door koop op afbetaling; - het persoonlijk borgstellen voor derden; - het doen van anders dan gebruikelijke, bovenmatige giften.
318
Erflater
De overledene
319
Versterferfrecht
Het wettelijk erfrecht
320
Het wettelijk erfrecht bepaalt onder andere:
- dat alleen de echtgenoot of geregistreerd partner en de bloedverwanten erfgenaam zijn; - dat sprake is van vier groepen bloedverwanten; en - dat de zogenoemde wettelijke verdeling geldt als de erflater getrouwd of geregistreerd partner was en als de erflater één of meerdere kinderen had.
321
Verblijvingsbeding.
Een verblijvingsbeding is een afspraak tussen partners waarbij de gemeenschappelijke bezittingen naar de langstlevende partner gaan. Die langstlevende partner wordt ook aansprakelijk voor de gemeenschappelijke schulden.
322
Legataris
De erflater kan in zijn testament ook aan iemand anders dan zijn erfgenamen goederen of geld toedelen. Deze persoon noemen we de legataris; hij of zij wordt pas eigenaar van het toebedeelde goed of geld als de erfgenamen dit aan hem hebben overgedragen.
323
De vier groepen erfgenamen
1. Echtgenoot of geregistreerd partnerschap en hun afstammelingen. 2. Ouders, broers, zussen en afstammelingen. 3. Grootouders met hun afstammelingen. 4. Overgrootouders met afstammelingen tot in de zesde graad. Als er in de vier groepen geen erfgenamen zijn, dan gaat de nalatenschap naar de Staat der Nederlanden.
324
Onverwachte schuld
Een onverwachte schuld is een schuld waar de erfgenaam niet van op de hoogte is bij het zuiver aanvaarden van de erfenis. Erfgenamen hebben de mogelijkheid om binnen 3 maanden na het ontdekken van een onverwachte schuld te voorkomen dat deze schuld uit het privévermogen moet worden betaald. De erfgenaam kan hiervoor naar de kantonrechter gaan met een beroep op de uitzonderingsclausule.
325
Algemeen nut beogende instelling (ANBI)
ANBI’s zijn instellingen met speciale belastingvoordelen. Zij hebben bijvoorbeeld belastingvoordelen bij schenken, erven en de energiebelasting. De persoon die een gift doet aan een ANBI kan de gift aftrekken van de inkomstenbelasting.
326
Bereken het belastbare bedrag.
- Wat is de waarde van de erfenis? - Hoe hoog is de eventuele vrijstelling? - Breng de vrijstelling in mindering op de waarde van de erfenis.
327
Bereken hoeveel belasting is verschuldigd.
- Neem als uitgangspunt het belastbare erfbedrag. Als dit bedrag de grens van de eerste schijf niet overschrijdt, valt het hele bedrag in de eerste schijf. - Bereken de belasting in de eerste schijf door het bedrag dat in de eerste schijf valt, te vermenigvuldigen met het bijbehorende percentage.
328
SW
De Successiewet (SW) bevat de regelgeving niet alleen over de fiscale gevolgen van vererving, maar ook over fiscale zaken met betrekking tot schenkingen. Bij schenkingen gaat het om een overeenkomst zonder tegenprestatie (om niet), waarbij de schenker de bedoeling heeft om de begiftigde te bevoordelen. De schenking gaat ten koste van het vermogen van de schenker en leidt tot een verrijking van de ontvanger van de schenking (de begiftigde).
329
De vrijstellingen van de schenkbelasting
- de algemene vrijstelling; - de vrijstelling voor schenking van ouders aan hun kind; - de eenmalig verhoogde vrijstelling voor schenkingen van ouders aan hun kind; en - de eenmalig verhoogde vrijstelling voor schenkingen van ouders aan hun kind voor een dure studie.
330
Systeem van gescheiden belastingsoorten
Box 1: Inkomen uit werk en woning. Tarief oplopend. Box 2: Inkomen uit aanmerkelijk belang: Tarief oplopend. Box 3: Inkomen uit sparen en beleggen. Tarief vast over een fictief rendement.
331
In box 1 vallen de volgende inkomsten:
- Loon: Inkomen in verband met arbeid, zoals salaris en pensioenuitkeringen - Winst uit onderneming: Winst (omzet, verminderd met kosten) uit een eigen bedrijf - Resultaat uit overige werkzaamheden: Freelance inkomsten, ter beschikking stellen vermogen - Periodieke uitkeringen en verstrekkingen: Alimentatie, uitkeringen, lijfrente - Inkomsten uit eigen woning: Bijtelling eigenwoningforfait
332
EWF
Het eigenwoningbezit wordt belast met een bijtelling in box 1, het eigenwoningforfait (EWF). Dit betreft een percentage van de woningwaarde volgens de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde). Hoe hoger de WOZ-waarde, hoe hoger het percentage. De WOZ-waarde wordt jaarlijks vastgesteld door de gemeente. Bij de belastingaangifte wordt de WOZ-waarde van het voorafgaande jaar gehanteerd. Hoe hoger de WOZ-waarde, hoe hoger het EWF. Op het EWF mag de woningeigenaar de rente en kosten van de geldlening voor de eigen woning (de eigenwoningschuld (EWS)) in mindering brengen. De rente voor de eigenwoningschuld wordt in de volksmond hypotheekrenteaftrek genoemd.
333
Tarieven box 1 AOW
Voor mensen die de AOW-gerechtigde leeftijd al hebben bereikt, zijn de tarieven in de eerste twee belastingschijven lager. Dit heeft te maken met het feit dat AOW-gerechtigden geen AOW-premie meer hoeven te betalen.
334
Lening in box 1
- In box 1 van het Nederlandse belastingstelsel vallen leningen voor de eigen woning. In box 3 komen de overige leningen terecht. - Gebruikt een belastingplichtige een lening voor aankoop, verbetering of onderhoud van de eigen woning? En heeft de lening een aflossingsschema, waarin de lening binnen 30 jaar wordt afgelost (de aflossingseis)? Dan valt deze lening in box 1 en mag de betaalde rente van het belastbaar inkomen in box 1 worden gehaald.
335
Lening in box 3
- Voldoet een lening wel aan de aflossingseis, maar wordt de lening niet gebruikt voor de eigen woning? Dan valt deze lening in box 3. - Wordt een lening wel gebruikt voor de eigen woning, maar voldoet de lening niet aan de aflossingseis? Dan valt deze lening ook in box 3. - Wil de klant bijvoorbeeld een deel van een bestaand doorlopend krediet gebruiken voor een verbouwing? Dan voldoet dit krediet niet aan de aflossingseis en valt dus in box 3. Een doorlopend krediet kent namelijk geen aflossingsschema.
336
Algemene heffingskorting
Als iemand in Nederland woont en loonbelasting of inkomstenbelasting moet betalen, heeft hij of zij recht op de algemene heffingskorting.
337
Arbeidskorting
De arbeidskorting geldt alleen voor werkenden. Mensen met een uitkering en pensioengerechtigden krijgen deze korting niet.
338
Berekenen netto-inkomen in box 1
Het netto-inkomen is het inkomen dat een belastingplichtige overhoudt na betaling van de belasting. Maar voordat de belasting kan worden berekend, kan de belastingplichtige nog aftrekposten of bijtellingen hebben. Denk hierbij aan: - de aftrekbare rente eigen woning; - uitgaven voor inkomensvoorziening; - de bijtelling van het eigenwoningforfait. Ook heeft een belastingplichtige nog heffingskortingen, die de te betalen belasting weer verlagen. We laten met een voorbeeld zien hoe van een bruto-inkomen naar een netto-inkomen gaan.
339
Netto-inkomen
Het netto-inkomen is het bruto-inkomen min de te betalen belasting. Om de te betalen belasting te berekenen, hebben we het belastbaar inkomen nodig. Het belastbaar inkomen = bruto-inkomen + bijtelling eigenwoningforfait -/- aftrekbare rente -/- aftrekbare lijfrentepremies.
340
Het inkomen dat wordt uitbetaald in box 2
Het inkomen dat wordt uitbetaald in box 2, heet dividend. Dit is de winstuitkering die aan aandeelhouders wordt uitbetaald (rendement op aandelen). Het inkomen in box 2 bestaat uit dividend én een eventuele koerswinst bij verkoop van de aandelen; dit noemen we ook wel het vervreemdingsvoordeel. Het vervreemdingsvoordeel berekenen we door de verkoopwaarde te verminderen met de investering.
341
Vervreemdingsvoordeel
Het vervreemdingsvoordeel berekenen we door de verkoopwaarde te verminderen met de investering.
342
Box 3 - Inkomen uit sparen en beleggen
In box 3 vallen alle onderdelen die worden gerekend tot het vermogen van de belastingplichtige. Vermogen is het totale bezit minus de schulden. Alle bezittingen worden belast in box 3, behalve het bezit en de schuld van de eigen woning (die wordt namelijk al belast in box 1) en een aanmerkelijk belang (want dat valt in box 2). Een bekend voorbeeld van een box 3-bezit is een tweede huis. De in box 1 vallende eigen woning is een uitzondering op de regel dat bezit in box 3 valt.
343
Heffingsvrij vermogen.
Iedere belastingbetaler mag op de bezittingen verminderd met schulden, een vrijstelling in mindering brengen: het heffingsvrij vermogen.
344
Schuldendrempel of doelmatigheidsdrempel.
Alleen het gedeelte van de schuld dat boven een bepaald bedrag per persoon uitkomt mag meegenomen worden in box 3. Dit bedrag noemen we de schuldendrempel of doelmatigheidsdrempel.
345
Forfaitair rendement
Het inkomen in box 3 wordt bepaald aan de hand van een fictief rendement per soort vermogen of schuld. Dit noemen we het forfaitair rendement. Of iemand daadwerkelijk dat rendement behaalt op zijn spaargeld, is niet van belang.
346
Stappenplan berekening inkomen box 3
Stap 1: bereken het fictieve rendement per soort vermogen. Ook het fictieve rendement op schuld. Verminder eerst de schuld met schuldendrempel, twee keer voor fiscaal partners. Stap 2: bereken het belastbaar rendement Tel de berekende rendementen op de verschillende vermogens uit stap 1 bij elkaar op. Verminder dit totaal met het rendement op de schulden. Stap 3: De rendementsgrondslag berekenen we door de bezittingen te verminderen met de schulden. Stap 4: bereken de grondslag sparen en beleggen De grondslag sparen en beleggen berekenen we door de rendementsgrondslag te verminderen met het heffingsvrij vermogen. Twee keer voor fiscaal partners. Stap 5: bereken het aandeel in de rendementsgrondslag Het aandeel in de rendementsgrondslag berekenen we door de grondslag sparen en beleggen te delen door de rendementsgrondslag. Grondslag sparen en beleggen: € Grondslag (vermogen-vrijstelling), Stap 6: bereken het inkomen in box 3 Het inkomen in box 3 berekenen we door het belastbaar rendement te vermenigvuldigen met het percentage van het aandeel in de rendementsgrondslag. Stap 7: bereken de te betalen belasting in box 3 De te betalen belasting in box 3 berekenen we door het inkomen in box 3 te vermenigvuldigen met het belastingpercentage van 36% in box 3.
347
De toezichthouders op de Wft zijn
De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
348
Wft
De Wet op het financieel toezicht (Wft) is een wet waarin regels staan voor de financiële markten en regels over het toezicht op deze financiële markten.
349
Bgfo
Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (Bgfo) bestaat uit wet- en regelgeving voor financiële dienstverleners.
350
Zorgplicht
Het doel hiervan is dat financieel dienstverleners te allen tijde handelen in het belang van de klant. De zorgplicht geldt voor alle financieel dienstverleners. Onder de noemer financieel dienstverlener vallen aanbieders, adviseurs, bemiddelaars, herverzekeringsbemiddelaars en (onder)gevolmachtigde agenten. Voor financieel dienstverleners die adviezen uitbrengen geldt een aanvullende, strengere zorgplicht. Notarissen en vermogensbeheerders vallen niet onder de noemer van financieel dienstverleners.
351
Drie verschillende vormen van toezicht
gedragstoezicht; prudentieel toezicht systeemtoezicht.
352
Prudentieel toezicht
Het toezicht dat is gericht op het bevorderen van de financiële degelijkheid van financiële instellingen. Dit wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank.
353
De AFM heeft drie doelstellingen die het functioneren van de markt moeten dienen
het bevorderen van een goede marktwerking (level-playing field); het bevorderen van toegang tot de markt; en het borgen van vertrouwen in de markt.
354
De volgende marktpartijen vallen onder het prudentieel toezicht:
banken; kredietinstellingen; verzekeraars; pensioenfondsen; effecten- en beleggingsinstellingen; en (grens)wisselkantoren.
355
Solvency II
Solvency II is een Europese richtlijn waarin regels staan voor verzekeraars over bijvoorbeeld hun balans, bufferkapitaal, bedrijfsvoering, rapportages en toezicht. Verzekeraars moeten genoeg geld in kas hebben om schadeclaims van verzekerden te kunnen betalen.
356
Kort samengevat heeft Solvency II vier doelen:
1. De verzekeraar heeft voldoende geld in kas om claims uit te betalen. 2. Polishouders worden beschermd tegen een bankroet (faillissement) van de verzekeraar. 3. Toezichthouders hebben meer inzicht en kunnen dus eerder ingrijpen. 4. Het algehele vertrouwen in de financiële sector wordt versterkt.
357
Hoger beroep financiele klacht
Dit hoger beroep kan alleen als het financiële belang van de klacht hoger is dan € 25.000,-.
358
Kifid
Klachten instituut financiele dienstverlening
359
GIP
Er is een nieuwe geschilleninstantie sinds 1 januari 2024 die ook blijft bestaan na 1 januari 2028. Deze nieuwe geschilleninstantie kan een te grote werklast voorkomen voor de rechtspraak. De nieuwe geschilleninstantie heet Geschillen Instantie Pensioenfondsen
360
Eenvoudige producten
Eenvoudige producten zijn producten die niet impactvol of complex zijn. Deze producten hebben vaak een korte looptijd of zijn makkelijk te beëindigen. Ook bezitten de producten geen beleggingselement
361
impactvolle producten
Voor impactvolle producten gelden de volgende adviesregels: - In het belang van de cliënt wint de adviseur informatie in over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid; de adviseur doet dit voor zover redelijkerwijs relevant voor het advies. - De adviseur draagt er zorg voor dat zijn advies rekening houdt met de factoren die uit die informatie naar voren komen. - De adviseur licht de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan zijn advies. - Als geen sprake is van adviesverlening (bijvoorbeeld bij execution only), moet de adviseur de cliënt daarop wijzen bij aanvang van het traject.
362
Eid
Essentiële-informatiedocument In het Essentiële-informatiedocument (Eid) staat informatie voor de consument die wil gaan beleggen. De consument leest in het Eid meer over de werking van het beleggingsproduct en over de risico’s, de kosten en het rendement.
363
Het Eid moet helderheid geven over
1. de risico’s; 2. het rendement in minimaal 3 verschillende scenario’s 3. de totale kosten over de gehele looptijd en de doelgroep.
364
Kwaliteitseisen financieel dienstverleners moeten volgens de Wft voldoen.
1. Betrouwbaarheid 2. Deskundigheid 3. Financiële zekerheid 4. Adequate en integere bedrijfsvoering 5. Zorgplicht 6. Transparantie
365
AO/IC
administratieve organisatie en intern controlesysteem
366
wettelijke regels van het adviestraject.
Stap 1: inventariseren en analyseren Wat voor soort klant is het?/Wat zijn de risico's voor deze klant? Stap 2: adviseren Wat adviseer ik?/Waarom adviseer ik dit? Stap 3: bemiddelen Hulp bij het afsluiten van geadviseerde producten. Stap 4: beheren Wijzigingen verwerken, administratie op orde houden en klantgegevens bewaren. Stap 5: nazorgen Na gegeven advies of bemiddeling klant blijven begeleiden. Hulp bij mogelijke schade.
367
Er bestaan drie soorten bemiddelaars:
1. ongebonden bemiddelaars; 2. gebonden bemiddelaars; en 3. verbonden bemiddelaars.
368
De captive
Bij deze tussenpersoon heeft de verzekeraar een meerderheidsbelang in het eigendom van de onderneming van de tussenpersoon
369
provisieverbod
Verzekeraars mogen aan verzekeringsadviseurs geen provisie betalen voor de advisering en verkoop van bepaalde producten. Dit provisieverbod is onderdeel van een wettelijke regeling.
370
inducementnorm
Deze regel bepaalt dat de provisie passend moet zijn bij de inspanning voor de geleverde dienst (inducementnorm). De beloning moet dus in verhouding staan tot het verrichte werk. Het provisieverbod geldt in beginsel voor impactvolle producten. Het consumptief krediet is de enige uitzondering hierop.
371
Het advies- en bemiddelingsproces verloopt daarbij meestal in drie stappen:
de adviesfase; de afsluitfase; en de nazorgfase.